Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ3039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
27-11-2006
Zaaknummer
242993 / HA ZA 05-2111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitleg bepaling in polis brandverzekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 9

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 242993 / HA ZA 05-2111

Uitspraak: 25 oktober 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1], in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair van wijlen [ove[overledene],

wonende te Rotterdam,

2. [eiser sub 2], in zijn hoedanigheid van erfgenaam van wijlen [overledene],

wonende te Krimpen aan den IJssel,

3. M[eiser sub 3], in haar hoedanigheid van erfgenaam van wijlen [overledene],

wonende te Kaatsheuvel,

4. [eiser sub 4], in haar hoedanigheid van erfgenaam van wijlen [overledene],

wonende te Capelle aan den IJssel,

eisers,

procureur en advocaat mr. J.J. Linker,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AXA VERZEKERINGEN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. P.J.M. Drion te Rotterdam.

Eisers worden hierna aangeduid als "[eisers]". Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als "verzekeraars" en afzonderlijk als "Erasmus" respectievelijk "Axa".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 14 juli 2005 en de door [eisers] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Tussen wijlen [overledene], verder te noemen: [overledene], en Erasmus gold een overeenkomst ter zake van een inboedelverzekering met polisnummer 83802, ingegaan op 13 maart 1985 en geëxpireerd op 13 maart 2002.

2.2 Tussen [overledene] en AXA gold een overeenkomst ter zake van een opstalverzekering met polisnummer 5524.930411, ingegaan op 1 september 1993.

2.3 Zowel in de polis van de met Erasmus afgesloten verzekering als in die van de met AXA afgesloten verzekering was de volgende clausule opgenomen:

“Bij schade door brand e/o ontploffing rust op de verzekerde de bewijslast van de oorzaak van brand e/o ontploffing.”

Hierna zal kortheidshalve worden gesproken over “de clausule”.

2.4 In de nacht van 13 op 14 februari 2002 heeft er een brand gewoed in de woning gelegen te Capelle aan den IJssel aan de Dorpstraat 215, welke woning destijds eigendom was van [overledene].

2.5 De brand is ontstaan door brandstichting.

2.6 [overledene] is bij vonnis van 5 juni 2002 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens brandstichting in haar woning. Dit vonnis is bij arrest van 11 april 2003 door het gerechtshof

’s-Gravenhage vernietigd.

2.7 [overledene] is op 18 april 2003 overleden.

2.8 De brandschade aan de inboedel is getaxeerd op € 26.000,-- en de brandschade aan de opstal op € 57.000,--, te vermeerderen met opruimkosten ad € 1.500,--.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Erasmus te veroordelen om:

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 26.000,--, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 14 februari 2002, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 998,31 - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag - ter zake van de incassokosten;

en AXA te veroordelen om:

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 58.500,--, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 14 februari 2002, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele voldoening;

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.542,85 - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag - ter zake van de incassokosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben de [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De in de verzekeringspolissen opgenomen clausule is niet tussen verzekeraars en [overledene] overeengekomen, althans deze clausule is nietig.

3.2 De in de verzekeringspolissen opgenomen clausule is vernietigbaar omdat de hierin opgenomen omkering van de bewijslast onredelijk bezwarend is onder meer op grond van artikel 6:236 (onder meer k) BW, althans op grond van artikel 6:237 (onder meer sub b) BW.

3.3 De in de verzekeringspolissen opgenomen clausule dient buiten toepassing te blijven op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat verzekeraars de clausule tegen [eisers] inroepen.

3.4 Indien de clausule niet (ver)nietig(baar) is dan wel buiten toepassing dient te blijven op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, dienen verzekeraars de gevorderde schade te vergoeden, omdat [eisers] genoegzaam hebben aangetoond dat de oorzaak van de brand brandstichting is, en zij op grond van de clausule uitsluitend de oorzaak van de brand dienen te bewijzen.

3.5 Indien en voorzover vast zou komen te staan dat [eisers] tevens dienen te bewijzen dat [overledene] de brand niet heeft gesticht, geldt dat genoegzaam is komen vast te staan dat de brand niet door [overledene] maar door derden is gesticht.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisers] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

Verzekeraars hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Verzekeraars hebben na de door [overledene] gestichte brand op 1 augustus 1994 in de woning van de vader van [overledene] ingestemd met voortzetting van de verzekeringen op naam van [overledene] onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de clausule in beide verzekeringsovereenkomsten zou worden opgenomen. [overledene] heeft hier uitdrukkelijk mee ingestemd, althans daartegen geen bezwaar gemaakt.

4.2 De clausule kan niet als algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW worden aangemerkt, primair omdat de clausule niet is bedoeld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen maar uitsluitend is bedoeld ter verzekering van de bijzondere risico’s ten gevolge van het bijzondere schadeverleden van [overledene], en subsidiair omdat de clausule, gezien het bijzondere karakter ervan, als kernbeding dient te worden aangemerkt.

4.3 Als de clausule als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW moet worden aangemerkt, is de clausule gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval niet onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:236 sub k BW en/of artikel 6:237 sub b BW.

4.4 In aanmerking nemende dat de clausule is opgenomen in verband met de omstandigheid dat in het verleden brand is gesticht door [overledene], is de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW.

4.5 Een redelijke uitleg van de clausule brengt mee dat [eisers] zowel de technische oorzaak van de brand als de toedracht van de brand dienen te bewijzen, waarbij geldt dat in geval van brandstichting het bewijs van de oorzaak van de brand mede omvat het bewijs van de identiteit van de brandstichter.

[overledene] hebben niet aan deze in de clausule opgenomen bewijslast voldaan.

4.6 Indien de clausule (ver)nietig(baar) is, is door verzekeraars voldoende aannemelijk gemaakt dat [overledene] de brand opzettelijk heeft gesticht.

5. De beoordeling

5.1 In geschil is of verzekeraars terecht met een beroep op de clausule weigeren tot uitkering op basis van de verzekeringsovereenkomsten over te gaan.

5.2 De rechtbank zal allereerst ingaan op de tussen partijen bestaande discussie over de wijze waarop de clausule dient te worden uitgelegd.

5.3 Naar de rechtbank begrijpt, stellen [eisers] zich (primair) op het standpunt dat de clausule aldus moet worden uitgelegd dat [overledene] op grond hiervan (slechts) dient te bewijzen hoe de brand is ontstaan. Naar het oordeel van de verzekeraars brengt een redelijke uitleg van de clausule mee dat [eisers] zowel de technische oorzaak van de brand als de toedracht van de brand dienen te bewijzen, waarbij geldt dat in geval van brandstichting het bewijs van de oorzaak van de brand mede omvat het bewijs van de identiteit van de brandstichter.

5.4 Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen met dat beding hebben beoogd en, indien niet van een gemeenschappelijke bedoeling blijkt, wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt. Daarbij moet worden gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de beantwoording van de vraag welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan een beding mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het beding is gesteld, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, is bij de uitleg van dat beding van belang. De verzekeringsvoorwaarden moeten ten opzichte van een niet professionele verzekerde steeds duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. In geval van twijfel over de betekenis van een voorwaarde prevaleert de voor de verzekerde gunstigste interpretatie.

5.5 Van een duidelijke gemeenschappelijke bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst is niet gebleken. Derhalve zal moeten worden beoordeeld wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt.

5.6 Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewoordingen waarin de clausule is geformuleerd, niet voor meerdere uitleg vatbaar. Uitgaande van deze bewoordingen, ligt het dan ook voor de hand om de clausule in die zin uit te leggen dat [overledene], en thans [eisers], (uitsluitend) de oorzaak van de brand moet(en) bewijzen. De rechtbank acht in casu geen omstandigheden aanwezig om af te wijken van de uitleg die op grond van de letterlijke bewoordingen voor de hand ligt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het in een geval als het onderhavige, waar professionele verzekeraars staan tegenover een niet professionele partij, op de weg van verzekeraars ligt om een dergelijke clausule, die een afwijking vormt van de gebruikelijk gang van zaken en voor de andere partij zeer verstrekkende gevolgen kan hebben, zodanig te formuleren dat het voor de andere partij duidelijk is wat met de clausule wordt beoogd. Derhalve hadden verzekeraars, als zij met het opnemen van de clausule hadden willen bewerkstelligen dat in geval van brandstichting het bewijs van de oorzaak van de brand mede omvatte het bewijs van de identiteit van de brandstichter, de clausule aldus dienen te redigeren.

Zelfs indien de bewoordingen waarin de clausule is geformuleerd ook zouden kunnen worden uitgelegd op de door verzekeraars voorgestane wijze, geldt dat de clausule dient te worden uitgelegd zoals de rechtbank hiervoor heeft aangegeven. Immers, in geval van twijfel over de betekenis van een voorwaarde, dient de voor de verzekerde meest gunstige uitleg te prevaleren en de meest gunstige uitleg voor [eisers] is de uitleg zoals deze hierboven door de rechtbank is gegeven.

5.7 Tussen partijen staat vast dat de brand in de woning van [overledene] is ontstaan door brandstichting. [overledene] behoeven het bewijs van de oorzaak van de brand derhalve niet (meer) te leveren. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 294 Wetboek van Koophandel, welk artikel op grond van het overgangsrecht van toepassing blijft op verzekeringen die zijn afgesloten vóór de inwerkingtreding van titel 17 van Boek 7 BW op 1 januari 2006, dienen verzekeraars te bewijzen dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van [overledene] is veroorzaakt. Deze bewijslast houdt in dat verzekeraars dienen te bewijzen dat sprake is van een ernstige mate van schuld aan de zijde van [overledene] bij het ontstaan van de brand.

5.8 Het voorgaande in aanmerking nemende, kan beoordeling van de door [eisers] aangevoerde stellingen, inhoudende - kort samengevat - dat de clausule niet tussen partijen geldt omdat deze niet is overeengekomen, althans vernietigbaar is, althans buiten toepassing moet blijven, achterwege blijven. Immers, als de rechtbank op basis van een van deze stellingen tot het oordeel zou komen dat de clausule inderdaad niet (langer) tussen partijen geldt, bevinden [eisers] zich niet in een andere situatie dan zij zich thans bevinden. Ook in dat geval dienen verzekeraars te bewijzen dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van [overledene] is veroorzaakt.

5.9 In het kader van het door verzekeraars te leveren bewijs, kan kennisname van het strafdossier van [overledene] en de stukken op basis waarvan de deskundige, de heer [deskundige], heeft gerapporteerd, relevant zijn. Het ligt op de weg van [eisers] om het strafdossier in eerste en tweede aanleg (inclusief het veroordelende vonnis van de rechtbank Rotterdam), alsmede alle stukken die aan de rapportage van [deskundige] ten grondslag liggen (voor zover deze niet reeds zijn overgelegd en deze niet behoren tot genoemd strafdossier) in het geding te brengen. De rechtbank zal [eisers] een daartoe strekkend bevel geven.

5.10 De rechtbank stelt verzekeraars in de gelegenheid om bij antwoordakte te reageren op het in het geding gebrachte strafdossier en de overige in het geding gebrachte stukken, en om daarbij, voor zover nog nodig, tevens aan te geven op welke wijze zij wil bewijzen dat de brand is ontstaan door merkelijke schuld of nalatigheid van [overledene].

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt [eisers] om het strafdossier van [overledene] in eerste en tweede aanleg (inclusief het veroordelend vonnis van de rechtbank Rotterdam), alsmede alle stukken die aan de rapportage van [deskundige] ten grondslag liggen (voor zover deze niet reeds zijn overgelegd en deze niet behoren tot het strafdossier van [overledene]) over te leggen;

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 20 december 2006 voor het nemen van een akte door - eerst - [eisers], waarbij [eisers] producties in het geding kunnen brengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1582/1729