Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ2075

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-11-2006
Datum publicatie
13-11-2006
Zaaknummer
BC 06/2139-HAM1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Negatief betrouwbaarheidsoordeel van de AFM kan niet los worden gezien van het besluit dat op dat oordeel is gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2006, 462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: BC 06/2139-HAM1

Uitspraak in het geding tussen

[Bestuurder], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. G.P. Roth, advocaat te Amsterdam,

en

de Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster,

gemachtigde mr. drs. M. Blotwijk, advocaat in dienst van verweerster.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 17 oktober 2005 (hierna: besluit 1) heeft verweerster de registerinschrijving van Eclipse Financiële Diensten V.O.F. (hierna: Eclipse) als cliëntenremisier op grond van artikel 21, vijfde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) doorgehaald. De doorhaling is gebaseerd op een negatief betrouwbaarheidsoordeel jegens eiseres en A. Veuger, de dagelijkse beleidsbepalers van Eclipse.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 23 november 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 februari 2006 (hierna: besluit 2) heeft verweerster het besluit van 17 oktober 2005 herroepen omdat haar is gebleken dat Eclipse reeds per 1 augustus 2005 is ontbonden. Verweerster heeft daarbij ‘volledigheidshalve’ opgemerkt dat dit besluit tot herroeping de feitelijke constateringen aangaande eiseres en [naam derde], zoals deze zijn gebleken gedurende het onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het herroepen besluit, onverlet laat.

De gemachtigde van eiseres heeft verweerster bij brief van 9 mei 2006 namens eiseres en [naam derde] verzocht alsnog op het bezwaarschrift van 23 november 2005 te beslissen en hem uiterlijk op 12 mei 2006 te berichten omtrent een hoorzitting.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 17 mei 2006 beroep ingesteld. Het beroep is gericht tegen de weigering het negatieve betrouwbaarheidsoordeel jegens eiseres te heroverwegen.

Bij besluit van 24 mei 2006 (hierna: besluit 3) heeft verweerster alsnog de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard vanwege de eerdere herroeping van het doorhalingsbesluit. Daarbij is overwogen dat bij een nieuwe aanvraag om eiseres toe te laten als bestuurder bij financiële instellingen een beoordeling terzake van haar betrouwbaarheid zal plaatshebben.

Tussentijds had de rechtbank bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 12 juni 2006 het beroep tegen de weigering tijdig een heroverweging te verrichten inzake de betrouwbaarheid van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 6 juli 2006 het verzet tegen die uitspraak gegrond verklaard. Daarmee is de eerste uitspraak komen te vervallen en is het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond.

Verweerster heeft bij brief van 21 september 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 06/1512 en 06/3646 plaatsgehad op 20 oktober 2006. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigde. Voorts is eiseres in persoon verschenen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst voor het doen van uitspraak.

2 Overwegingen

In haar uitspraak van 12 juni 2006 heeft de rechtbank besluit 2 aangemerkt als een besluit op het bezwaar tegen besluit 1. Bij de behandeling van het verzet is echter gebleken dat verweerster naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van eiseres van 9 mei 2006 voorafgaande aan de uitspraak van 12 juli 2006 besluit 3 had genomen.

Hoewel besluit 2, gelet op de tekst ervan en het gebruik daarin van de term ‘herroepen’, lijkt te kwalificeren als een besluit als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, komt de rechtbank thans tot het oordeel dat die beslissing niet als een besluit op bezwaar kwalificeert. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verweerster met besluit 3 - dat is genomen naar aanleiding van het verzoek alsnog op het bezwaar van eiseres te beslissen - heeft overwogen dat de herroeping van het doorhalingsbesluit onverlet laat dat op het door eiseres ingediende bezwaar diende te worden beslist en dat die herroeping met zich brengt dat het belang aan het bezwaar van eiseres is komen te ontvallen, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze overwegingen zijn slechts begrijpelijk indien in besluit 2 in plaats van de term ‘herroepen’ de term ‘intrekken’ als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb wordt ingelezen.

De rechtbank houdt het er derhalve voor dat verweerster blijkens besluit 3 met besluit 2 een ambtshalve besluit tot intrekking van besluit 1 als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb heeft genomen en dat verweerster van oordeel is dat met besluit 2 geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres.

De rechtbank overweegt verder dat besluit 3 is genomen buiten de in artikel 6:10 van de Awb neergelegde termijn en dat eiseres niet onredelijk lang heeft gewacht met het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen. Nu met besluit 3 alsnog op het bezwaar is beslist, is het oorspronkelijke beroep van eiseres, dat is gericht op het uitblijven van een beslissing op bezwaar, bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt in dit verband dat is gesteld noch gebleken dat eiseres schade heeft geleden die (enkel) is toe te rekenen aan het niet tijdig beslissen.

Nu besluit 3 niet tegemoet komt aan het beroep, is het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen besluit 1 ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb tevens gericht tegen de in besluit 3 vervatte reële beslissing op bezwaar.

De vraag die daarmee thans voorligt is of eiseres rechtstreeks in haar belang is getroffen door besluit 1, aan welk besluit een negatief betrouwbaarheidsoordeel jegens eiseres ten grondslag ligt.

In haar uitspraak van 12 juni 2006 heeft de rechtbank in dit verband - ten overvloede - overwogen:

“Eerst indien een instelling, waarvan eiseres beleidsbepaler is, met een beslissing inzake de weigering van een inschrijving, een doorhaling of een weigering of intrekking van een vergunning in het kader van financiële toezichtswetgeving wordt geconfronteerd, vanwege een negatief betrouwbaarheidsoordeel jegens eiseres, zal sprake zijn van een op rechtsgevolg gerichte beslissing die eiseres raakt als beleidsbepaler. Eerst met een dergelijke nieuwe beslissing zal zij kunnen opkomen tegen een daaraan ten grondslag liggend betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van haar. Zij zal dan zowel de aan de antecedenten ten grondslag liggende feitenvaststelling als de in het kader van artikel 3 van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20) te verrichten belangenafweging aan kunnen vechten.”.

In navolging van haar eerste uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het onderhavige betrouwbaarheidsoordeel niet los kan worden gezien van de in besluit 1 vervatte doorhaling als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de Wte 1995. Zij wijst in dit verband nog op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 april 2006 (LJN: AW5742, JOR 2006/157) waarin het College onder meer overwoog:

“Wat er derhalve ook zij van de grieven met betrekking tot het betrouwbaarheidsoordeel van DNB betreffende appellant sub 2 en de overwegingen van de rechtbank ter zake, deze laten onverlet dat appellanten in hoger beroep niet zijn opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat appellanten in beroep onbestreden hebben gelaten het negatieve standpunt van DNB over de bedrijfsvoering en administratieve organisatie bij appellante sub 1.

Dit betekent naar het oordeel van het College dat het standpunt van DNB in het bestreden besluit, dat de bedrijfsvoering en administratieve organisatie van appellante sub 1 onvoldoende zijn om een integere bedrijfsvoering te bevorderen en te handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b, Wgt reeds op zich er aan in de weg staat dat appellante sub 1 alsnog wordt ingeschreven.

Het hoger beroep van appellanten kan derhalve hoe dan ook niet leiden tot de door appellanten gewenste inschrijving in voornoemd register.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat appellanten in dit geschil geen belang hebben bij een beoordeling door het College van hun grieven in hoger beroep. Het hoger beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.”.

Met betrekking tot het bezwaar van eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook te gelden dat zij geen rechtstreeks belang had bij besluit 1, omdat die beslissing betrekking had op de doorhaling van Eclipse. Die doorhaling raakte haar niet omdat die vennootschap ten tijde van die beslissing reeds was ontbonden. In het kader van de thans lopende vergunningaanvraag in het kader van de Wet financiële dienstverlening ten behoeve van een instelling waarvan eiseres bestuurder is zal eiseres eerst worden geraakt door een te verrichten (nieuwe) betrouwbaarheidstoetsing.

Verweerster heeft het bezwaar van eiseres tegen besluit 1 met besluit 3 derhalve terecht alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep tegen besluit 3 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet, gelet op het verzuim tijdig te beslissen op bezwaar, aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de be-han-deling van het beroep daartegen tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank be-paalt de proceskosten op € 201,25 (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het verzetschrift en 1 punt voor de zitting, tegen een wegingsfactor van 0,25, zoals te doen gebruikelijk is bij een proceskostenveroordeling enkel wegens een niet tijdig beslissen) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding voor toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk,

verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond.

bepaalt dat verweerster aan eiseres het betaalde griffierecht van € 281,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 201,25 en wijst haar aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten, voorzitter en mr. J.M. Hamaker en

mr. M. Jurgens, leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 november 2006.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres worden begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.