Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ1823

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
10/661369-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toereikend bewijs van incest; geen sprake van in therapie "hervonden herinneringen" van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 249, geldigheid: 2006-10-18
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-10-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 10/661369-05

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op (geboortedatum) 1953 te (geboorteplaats),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring “De IJssel” te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. B.F.M. Bos, advocaat te Nijmegen.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën, aangeduid als A1 tot en met A4 als bijlagen aan dit vonnis gehecht. Deze bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Jong heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

- ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2) tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, nu er sprake zou kunnen zijn van mogelijk ten tijde van therapie hervonden herinneringen en het OM de beleidsregel als neergelegd in de op 15 februari 2005 in werking getreden “ Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik” doelbewust of met grote veronachtzaming van verdachtes belangen niet in acht heeft genomen.

Dit verweer wordt verworpen. In de onderhavige zaak is niet onmiskenbaar sprake van (aspecten van) hervonden herinneringen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat het slachtoffer gedurende een periode in haar leven zonder herinneringen is geweest aan het seksueel misbruik tijdens haar vroege jeugd door verdachte. Het feit dat het slachtoffer lange tijd met niemand heeft gesproken over haar ervaringen maakt dit oordeel niet anders.

Aangeefster heeft op 23 augustus 2005 aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte. Aan de hand van de tijd en plaats geeft aangeefster aan dat het misbruik is begonnen rond haar 6e, 7e jaar. Tevens geeft aangeefster aan dat het misbruik rond haar 15e leeftijd is gestopt.

De reden voor aangeefster om nu aangifte te doen is, naast het feit dat zij haar vader verantwoordelijk houdt voor de dood van haar broer, gelegen in het feit dat verdachte opnieuw vader zou worden en zij bang was dat verdachte dit kind ook zou gaan misbruiken. Voorts blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat aangeefster reeds vele jaren vóórdat zij psychische hulp zocht haar moeder door middel van een briefje had laten weten dat haar vader haar seksueel had misbruikt.

Evenmin zijn andere feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

VRIJSPRAAK

Het onder 3 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 1982 tot en met 1 oktober 1991 te Rotterdam, meermalen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige kind

te weten telkens met (slachtoffer 1) (geboortedatum),

bestaande de ontucht (telkens) uit het

- brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van (slachtoffer 1) en

- brengen van zijn, verdachte, vinger(s) in de vagina van (slachtoffer 1) en

- tongzoenen met (slachtoffer 1) en zoenen over/van/op het lichaam van (slachtoffer 1)

en

- het vastpakken van de/een hand van (slachtoffer 1) en zichzelf met een hand van

die (slachtoffer 1) aftrekken en

- het likken en zuigen aan de vagina van (slachtoffer 1) en

- het likken en zuigen en betasten van de borsten en/of tepels van (slachtoffer 1);

3. subsidiair

hij op 30 april 2004 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon, te weten (slachtoffer 2) heeft geduwd, waardoor zij ten val is gekomen waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

ten aanzien van feit 1:

Namens de verdachte is de vrijspraak van feit 1 bepleit nu er slechts sprake zou zijn van één bewijsmiddel en wel de verklaring van de aangeefster. De aangifte is volgens de raadsman bovendien vaag en tegenstrijdig en in het dossier bevindt zich zijns inziens geen ander (steun)bewijs. Voorts moet volgens de verdediging de aangifte worden geplaatst tegen de achtergrond dat zowel aangeefster als haar moeder verdachte verwijten dat de broer van aangeefster zelfmoord heeft gepleegd. Het onder 1 tenlastegelegde feit kan derhalve niet wettig en overtuigend bewezen worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Aangeefster heeft bij de politie en de rechter-commissaris gedetailleerd verklaard dat zij door verdachte seksueel is misbruikt. Deze verklaring wordt ondersteund door diverse dagboekpassages. Verder wordt de verklaring van aangeefster op onderdelen ondersteund door de verklaring van de moeder van het slachtoffer.

Het feit dat deze verklaringen niet op alle onderdelen gelijkluidend zijn geeft daarbij geen voeding aan de veronderstelling van verdachte dat er sprake zou zijn van een tegen hem gerichte samenspanning en een vooropgezet plan om hem te straffen voor de zelfmoord van de broer van aangeefster. Dit wordt nog verder ondersteund door het feit dat het slachtoffer reeds in 1995 voor de eerste maal aan haar moeder heeft verteld dat zij door haar vader is misbruikt, terwijl de zelfmoord van de broer van het slachtoffer eerst jaren nadien plaats vond.

ten aanzien van feit 3:

De raadsman van verdachte heeft voorts de vrijspraak van feit 3 bepleit, daar verdachte het slachtoffer slechts een duw heeft gegeven en derhalve van mishandeling geen sprake is geweest.

Ook dit verweer wordt verworpen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, met name uit de aangifte, de foto ’s en de deels bekennende verklaring van verdachte zelf afgelegd bij de politie, blijkt reeds dat verdachte zijn ex-vrouw een zodanig harde duw heeft gegeven dat zij ten val is gekomen en daardoor letsel heeft bekomen. De onder 3 subsidiair tenlastegelegde mishandeling kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd;

3. subsidiair

mishandeling.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn dochter die ten tijde van de aanvang van het misbruik nog zeer jong was. Dit misbruik heeft zich vervolgens over een periode van ruim 9 jaar uitgestrekt. Door zijn handelwijze heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van zijn dochter. Verdachte is hierbij volledig voorbijgegaan aan de belangen van zijn dochter en heeft aan zijn eigen seksuele behoeften voorrang gegeven.

Het is algemeen bekend dat dergelijke gedragingen gedurende zeer lange tijd op bijna niet meer te herstellen wijze ernstige schade toebrengen aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het slachtoffer. Ook in deze zaak is gebleken dat het slachtoffer, hoewel inmiddels dertig jaar, nog in ernstige mate last heeft van hetgeen haar door haar vader is aangedaan.

Verdachte heeft het vertrouwen dat kinderen in hun ouders en in volwassenen mogen stellen ernstig beschaamd. De rechtbank constateert dat verdachte ook nu nog geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.

Daarnaast heeft verdachte zich voorts schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-vrouw. Verdachte heeft zijn ex-vrouw tijdens een ruzie geduwd waardoor zij ten val is gekomen. Verdachte heeft het slachtoffer pijn en letsel toegebracht.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 10 april 2006 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 8 september 2006, opgemaakt en ondertekend door I. Schilperoord, psycholoog en M. Nicolai, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Deze gedragsdeskundigen geven aan dat verdachte een uitgesproken intellectuele en rationaliserende denkstijl hanteert en dat sprake is van een narcistische persoonlijkheidsproblematiek. In dit profiel past naar het oordeel van deskundigen wel een eventueel misbruik van anderen voor eigen doeleinden en een gebrekkige empathie.

Rekening moet worden gehouden met een gestoorde agressiehuishouding, doch voor een agressieve impulscontrolestoornis zijn geen aanwijzingen gevonden. Evenmin zijn deze er voor het bestaan van een specifieke seksuele stoornis. Dit brengt mee dat de feiten, indien bewezen, hem volledig kunnen worden toegerekend.

Er is geen sprake van roesmiddelengebruik dat de huidige impulscontrole zou kunnen doen tekortschieten. Gezien de volledige toerekeningsvatbaarheid voor het tenlastegelegde doen de gedragsdeskundigen geen uitspraak over het recidivegevaar en onthoudt men zich van advies met betrekking tot een eventuele behandeling in strafrechtelijk kader.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van drs. M.H. de Groot, klinisch psycholoog, d.d. 19 januari 2006. De psycholoog concludeert dat er bij verdachte geen aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte is ten aanzien van de feiten normaal toerekeningsvatbaar.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Nederland, d.d. 1 februari 2006.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

Om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen zal de rechtbank een deel van de op leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Hierbij stelt de rechtbank, anders dan door de officier van justitie gevorderd, de proeftijd vast op twee jaar, nu geen sprake is van het opleggen van een bijzondere voorwaarde.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

1.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: (slachtoffer 1), wonende te (adres), terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,- als voorschot.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu is gebleken dat de benadeelde partij met een toevoeging procedeert, zullen de kosten door de benadeelde partij gemaakt, worden beperkt tot de door deze betaalde eigen bijdrage.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

2.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: (slachtoffer 2), wonende te (adres), terzake van feit 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiele schade tot een bedrag van € 100,-.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 36f, 57, 249 (oud) en 300 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

- bepaalt dat van deze) gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- verklaart de benadeelde partij (slachtoffer 2) niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij (slachtoffer 2) in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 1) toe als voorschot tot een bedrag van € 10.000,- (zegge: TIENDUIZEND EURO) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan (slachtoffer 1), wonende te (adres);

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij (slachtoffer 1) gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij (slachtoffer 1) voornoemd te betalen € 10.000,- (zegge: TIENDUIZEND EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 jaar, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van de Grampel, voorzitter,

en mrs. De Winkel en Mantel - Duetz, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Tesselhof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 oktober 2006.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.