Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ1047

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
737858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zoals in het tussenvonnis van 23 augustus bepaald, heeft in de procedure een comparitie van partijen plaatsgevonden. De kantonrechter oordeelt dat de omstandigheid dat de klusjesman zonder medeweten van gedaagde de hennepkwekerij heeft geïnstalleerd in de woning van gedaagde, niet afdoet aan het feit dat gedaagde jegens de woningcorporatie een wanprestatie heeft geleverd, maar dat deze omstandigheid wel van invloed is op de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.

De kantonrechter stelt gedaagde in de gelegenheid om te bewijzen dat de klusjesman de hennepkwekerij zonder haar medeweten in haar woning heeft geïnstalleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

VONNIS

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonbron,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 19 juli 2006,

gemachtigde: mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: T.J. Roest Crollius te Woerden.

Verwezen wordt naar- en volhard wordt bij de inhoud van het op 23 augustus 2006 gewezen tussenvonnis.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij voormeld tussenvonnis de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald.

Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft de kantonrechter ontvangen:

- een brief gedateerd 12 september 2006, met aanvullende producties, van de gemachtigde van eiseres;

- een brief gedateerd 18 september 2006, met aanvullende producties, van de gemachtigde van eiseres, en

- een brief gedateerd 19 september 2006, met aanvullende producties, van de gemachtigde van gedaagde.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 21 september 2006. Daarbij zijn verschenen aan de zijde van eiseres mevrouw E. Piepers, werkzaam als juriste bij eiseres, en mevrouw F.J. le Couvreur, werkzaam als medewerker Sociaal Beheer bij eiseres, bijgestaan door de gemachtigde mr. T.A. Vermeulen. Aan de zijde van gedaagde zijn verschenen gedaagde in persoon en haar gemachtigde mr. M.P. Zeilmaker-Smit.

Van hetgeen ter zitting is verhandeld, is buiten aanwezigheid van partijen proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden. De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis vervolgens bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van de vordering

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden, alsook voor zover blijkende uit de overgelegde en in zoverre niet betwiste producties, staat vast dat de door gedaagde woning uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte, en dat tussen partijen is overeengekomen (voor zover zulks niet reeds uit de wet zou voortvloeien) dat gedaagde het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte zal gebruiken, en dat het gedaagde niet is toegestaan in het gehuurde hennep te kweken.

2.2 Voorts staat naar het oordeel van de kantonrechter op grond van de overgelegde producties, waarvan met name de in zoverre niet althans onvoldoende bestreden inhoud van de rapportage d.d. 8 mei 2006 van Roteb Service B.V. en de in het geding gebrachte foto’s, in deze procedure vast dat op 8 mei 2006 een hennepkwekerij in het gehuurde is aangetroffen, en dat in het kader van die kwekerij op onvakkundige wijze aanpassingen aan de elektriciteitsvoorziening van het gehuurde zijn gedaan.

2.3 Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde tekortgeschoten is in haar verplichting de door haar gehuurde woning overeenkomstig de bestemming van woonruimte te gebruiken, alsook in haar verplichting zich als een goed huurder te gedragen. Daaraan doet niet af dat er (nog) geen sprake was van het illegaal aftappen van stroom, of dat, zoals door gedaagde is aangevoerd en door eiseres betwist, er nog slechts sprake zou zijn van een in opbouw zijnde hennepkwekerij, nu die factoren op zich niet bepalend behoeven te zijn (en in dit geval ook niet zijn) voor de beantwoording van de vragen of er sprake is van een bestemmingswijziging in strijd met de huurovereenkomst en of gedaagde zich heeft gedragen als een goed huurder betaamt. Ook doet daaraan niet af de stelling van gedaagde dat -samengevat weergegeven- de door haar ingeschakelde klusjesman [naam] geheel buiten haar medeweten de hennepkwekerij in de woning heeft geïnstalleerd. Immers, gelet op het bepaalde in artikel 7:219 BW is een huurder jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die -als hier aan de orde- met goedvinden van de huurder zich in het gehuurde bevinden.

2.4 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat hier sprake is van een dusdanig ernstige tekortkoming aan de zijde van gedaagde dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:265 BW alsook op het feit dat de vaststaande tekortkoming van gedaagde niet meer ongedaan kan worden gemaakt, ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde in beginsel gerechtvaardigd is.

2.5 Dit kan anders zijn indien er sprake is van zulke feiten en omstandigheden dat, de specifieke belangen van de verhuurder tegen die van de huurder afwegend, geconcludeerd moet worden dat ontbinding van de huurovereenkomst in het onderhavige geval in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Gedaagde heeft in dat verband aangevoerd dat ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming ernstige gevolgen heeft voor haar pleegdochter, die naar een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen gaat en groot belang heeft bij rust en zekerheid, en voor haar beide eigen dochters, voor wier schoolprestaties een stabiele thuissituatie van groot belang is. De kantonrechter is echter van oordeel dat deze omstandigheid op zich genomen in het onderhavige geval, gezien de aard en ernst van de tekortkoming van gedaagde, niet opweegt tegen de belangen van de verhuurder bij ontbinding van de huurovereenkomst, zij het met inachtneming van het navolgende.

De door gedaagde in dit verband aangevoerde meest vérstrekkende omstandigheid is dat haar vertrouwen misbruikt is door de klusjesman [naam] doordat deze in haar afwezigheid en geheel buiten haar medeweten een hennepkwekerij in het gehuurde heeft geïnstalleerd. Hoewel de juistheid van deze stelling, gelet op hetgeen hiervoor reeds werd overwogen, niet van belang is voor de beantwoording van de vraag of gedaagde jegens eiseres wanprestatie heeft gepleegd, is de juistheid van die stelling echter wel van belang voor de beoordeling van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, gerechtvaardigd is. Indien immers gedaagde er in redelijkheid niet beducht op behoefde te zijn dat gedurende haar afwezigheid de klusjesman [naam] een hennepplantage zou installeren en/of exploiteren, kan, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, niet gezegd worden dat ontbinding van de overeenkomst in dit concrete geval gerechtvaardigd is.

Gedaagde heeft ter zake bewijs aangeboden door middel van het horen van getuigen en zal, gelet op het bepaalde in artikel 150 Rv, daartoe worden toegelaten op de wijze als hierna in het dictum gemeld.

2.6 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

- laat gedaagde toe door middel van getuigen bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij er in redelijkheid niet beducht op behoefde te zijn dat gedurende haar afwezigheid in de periode van 1 mei 2006 tot en met 8 mei 2006 in de gehuurde woning een hennepplantage zou worden geïnstalleerd en/of geëxploiteerd;

- bepaalt dat:

? de door gedaagde voor te brengen getuigen zullen worden gehoord ter zitting van na te noemen kantonrechter van donderdag 12 oktober 2006 te 14.00 uur, en dat uitstel van dat getuigenverhoor niet mogelijk is, tenzij eiseres daarmee tevoren heeft ingestemd;

? gedaagde uiterlijk 5 werkdagen voorafgaand aan het getuigenverhoor schriftelijk aan de kantonrechter opgaaf moet doen van het aantal, de namen en andere relevante gegevens van de door haar voor te brengen getuigen, en een afschrift van die opgaaf moet zenden aan de gemachtigde van de wederpartij;

- houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.