Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ0539

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
10/600117-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, samen met anderen, in een georganiseerd verband schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen en hiervan een gewoonte gemaakt. Hij is betrokken geweest bij het regelen van transporten van geldbedragen die verborgen zaten in geprepareerde schrijfmappen vanuit Nederland naar Ecuador. Verdachte heeft hierbij gehandeld louter uit financieel gewin.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 2
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 336
NBSTRAF 2006/448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Parketnummer: 10/600117-05

Datum uitspraak: 19 oktober 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige strafkamer, zitting houdende te Amsterdam, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Schie” te Rotterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 september 2006, 4 oktober 2006 en 5 oktober 2006.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 4 oktober 2006 is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

De onder 1 primair en 1 meest subsidiair telastegelegde feiten zijn, beide voor zover het betreft de passage opgenomen bij het vijfde gedachtenstreepje (“op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks.......naar Ecuador en/of Colombia”), onvoldoende feitelijk omschreven en ook onvoldoende naar tijd en plaats bepaald. Hierdoor is het voor verdachte niet duidelijk welke handelingen hem hier precies worden verweten. De dagvaarding voldoet ten aanzien van deze passage dan ook niet aan de eisen als gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding wat betreft dit onderdeel partieel nietig dient te worden verklaard.

2.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.2.1. De officier van justitie heeft op nader in haar schriftelijke requisitoir aangevoerde gronden betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte voor zover het handelingen betreft die uitsluitend in het buitenland hebben plaatsgevonden, aangezien verdachte niet de Nederlandse nationaliteit heeft en voor deze handelingen op hem de Nederlandse strafwet niet van toepassing zou zijn.

De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Krachtens artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is de Nederlandse strafwet van toepassing op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is vervolging van zowel in Nederland als in het buitenland gepleegde strafbare feiten op grond van artikel 2 Sr mogelijk, ook ten aanzien van de gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Nu vast staat dat Nederland in ieder geval voor een deel van de telastegelegde handelingen als locus delicti heeft te gelden is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de officier van justitie ook ten aanzien van door verdachte in het buitenland gepleegde handelingen ontvankelijk is.

2.2.2. De raadsman heeft op nader in zijn pleitnotities aangevoerde gronden betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is te achten in de vervolging van verdachte voor - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde (willekeur).

De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting uiteengezet waarom [persoon1] niet wegens deelneming aan een criminele organisatie is vervolgd. De reden hiervan was gelegen in het feit dat aanvankelijk slechts sprake was van een strafrechtelijk onderzoek tegen [persoon1]. Dit betrof een relatief kleinschalig (Amsterdams) onderzoek, waarin er door het parket Amsterdam voor is gekozen om de zaak snel op zitting te brengen. Ook nadat de resultaten van het veel grootschaliger, door het landelijk parket geleide, vervolgonderzoek onder de naam ‘Vadder’ bekend werden zag men hierin geen aanleiding anders te oordelen en verdachte alsnog voor artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te vervolgen, temeer daar in het vonnis van [persoon1] bij de hoogte van de straf uitdrukkelijk in aanmerking is genomen dat [persoon1] een leidende en organiserende rol had ten aanzien van het witwassen van geldbedragen.

De rechtbank acht deze uitleg begrijpelijk en naar haar oordeel heeft de officier van justitie in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om verdachte en een aantal van zijn medeverdachten wel te vervolgen wegens deelneming aan een criminele organisatie. Dat een andere mogelijk betrokken persoon, [persoon1], hiervoor niet is vervolgd doet hieraan niet af. De rechtbank verwerpt het verweer en acht de officier van justitie wel ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor deelneming aan een criminele organisatie.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair

in de periode van 17 oktober 2005 tot en met 27 oktober 2005 in Nederland en in België en in Ecuador, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en zij mededaders, toen en daar krachtens die gewoonte, meermalen

* van een grote hoeveelheid geld te weten:

- omstreeks 23 oktober 2005 904.000,00 euro tezamen en in vereniging met onder meer [persoon2] en [persoon3] vervoerd vanuit Nederland, via België, naar Ecuador en;

- omstreeks 21 oktober 2005 enig geldbedrag tezamen en in vereniging met onder meer [persoon4] vervoerd vanuit Nederland, via België, naar Ecuador en;

- omstreeks 21 oktober 2005 enig geldbedrag tezamen en in vereniging met onder meer [persoon5] vervoerd vanuit Nederland, via België, naar Ecuador en;

- omstreeks 23 oktober 2005 enig geldbedrag tezamen en in vereniging met onder meer [persoon6] vervoerd vanuit Nederland, via België, naar Ecuador;

de werkelijke aard en de herkomst en de vindplaats en de vervreemding en de verplaatsing heeft/hebben verborgen en verhuld, en hebben hij, verdachte en zijn mededaders, verborgen en verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemde geldbedragen en hebben hij, verdachte en zijn mededaders, verborgen en verhuld wie bovengenoemde geldbedragen voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat de bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf;

en

* bovengenoemde geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemde geldbedragen, wisten dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf;

2 primair

op 27 oktober 2005 te Amsterdam (aan de [adres] en te 's Gravenhage (aan [adres]) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

* van geldbedragen van 337.820,00 euro (Amsterdam) en 106.250,00 euro ('s-Gravenhage), in totaal 444.070,00 euro, de werkelijke aard en de herkomst en de vindplaats en de vervreemding en de verplaatsing heeft verborgen en verhuld en heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemde geldbedragen en heeft verborgen en verhuld wie genoemde geldbedragen voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf;

en

* genoemde geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemde geldbedragen, van in totaal 444.070,00 euro, wisten dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf;

3.

in de periode van 25 augustus 2005 tot en met 26 oktober 2005 in Nederland en in België en in Ecuador, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en [persoon7] en [persoon8] en [persoon9], die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het witwassen van (grote) geldbedragen.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Geld van misdrijf afkomstig

Voor beantwoording van de vraag of bovenbedoelde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren zijn de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Tijdens het onderzoek in de onderhavige zaak zijn meerdere koeriers aangehouden terwijl zij grote hoeveelheden geld vervoerden van Nederland, via België, naar Ecuador. Deze geldbedragen bevonden zich in hun bagage en zaten telkens verstopt in geprepareerde

schrijfmappen. In elke map zat een bedrag van € 226.000,--. De koeriers reisden veelal in tweetallen, waarbij elke koerier was voorzien van twee van dergelijke geprepareerde mappen.

De koeriers, die veelal werden gerekruteerd uit kringen in de prostitutie in Den Haag, hebben verklaard dat zij voor het overbrengen van het geld een vergoeding ontvingen van ongeveer

€ 4.000,-. Ook werd er gebruik gemaakt van veel verschillende koeriers.

Geen van de verdachten heeft aannemelijk kunnen maken dat er sprake zou zijn van een legale bron van inkomsten waaruit dergelijke hoge geldbedragen verklaard zouden kunnen worden. Ook hebben de verdachten geen redelijke verklaring voor het feit dat men er voor koos om via België te reizen. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat men hiermee geen ander doel voor ogen stond dan de strenge controles op Schiphol te ontlopen. In afgeluisterde telefoongesprekken wordt vaak gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Namen worden bijvoorbeeld zelden genoemd, schrijfmappen worden aangeduid als dingen, koeriers worden aangeduid als vogels en de dag van vertrek van één of meer koeriers als verjaardag.

Voorts vond dit alles plaats in kringen waarover aanwijzingen bestaan dat er sprake is van handel in verdovende middelen.

Door onder deze omstandigheden gebruik te maken van een dergelijke kostbare en risicovolle wijze van transport, die bovendien ook veel tijd in beslag neemt kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de geldbedragen, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren van enig misdrijf.

Wetenschap

Door mee te werken aan geldtransporten als bovenbedoeld, onder andere door het aanschaffen en prepareren van de schrijfmappen, het aanwerven van koeriers, het vervoeren van koeriers naar België en het bieden van hulp en steun aan koeriers die in moeilijkheden zijn geraakt, moet verdachte hebben geweten, dan wel op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard, dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Namens verdachte is aangevoerd dat niet hij maar ene [persoon10] betrokken is bij de onderhavige strafbare feiten. Medeverdachte [persoon8] bevestigt die stelling met haar verklaring dat [persoon10] een andere persoon is dan verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank staat evenwel vast dat de persoon die door verschillende koeriers “[persoon10]” wordt genoemd, verdachte is. Zij hebben hem immers herkend van een foto. Daarnaast acht de rechtbank de verklaring van [persoon8] over de “andere man” die zij “[persoon10]” noemt ongeloofwaardig. Immers, in haar eerste verklaring bij de politie heeft zij aangegeven dat [persoon10] en verdachte dezelfde persoon zijn. Bovendien is er in de tas die in de woning van [persoon7] is aangetroffen en waarin zich het geldbedrag van € 106.250,-- bevond, een briefje aangetroffen met daarop de naam van verdachte. [persoon8] heeft over het geld verklaard dat zij dit bewaarde voor [persoon10]. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat “[persoon10]” een andere naam is voor verdachte.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de op de beslaglijst onder de nummers 1 en 2 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, in een georganiseerd verband schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen en hiervan een gewoonte gemaakt. Hij is betrokken geweest bij het regelen van transporten van geldbedragen die verborgen zaten in geprepareerde schrijfmappen vanuit Nederland naar Ecuador. Verdachte heeft hierbij gehandeld louter uit financieel gewin.

Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten, waaronder de handel in verdovende middelen, waarvan naar alle waarschijnlijkheid ook sprake is in de onderhavige zaak, vergemakkelijkt, in standgehouden en bevorderd. Het witwassen van geld

vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit aan van het financiële en economische verkeer.

De rechtbank gaat er van uit dat verdachte bij het organiseren en uitvoeren van deze witwaspraktijken een leidinggevende en coördinerende rol had. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij anderen in gevaar heeft gebracht door deze personen in te zetten voor de geldtransporten en daarmee bloot te stellen aan de kans dat zij bij de door hem georganiseerde transporten opgepakt te worden.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 4 september 2006 in Nederland niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte welke ter terechtzitting nader zijn toegelicht alsmede vanwege de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, en acht zij na te melden straf passend en geboden.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld als vermeld onder nummer 1 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dat geld het onder 2 primair bewezen geachte is begaan. Een kopie van de beslaglijst is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart de dagvaarding voor zover het betreft de passage als opgenomen bij het vijfde gedachtenstreepje onder zowel het 1 primair als het 1 meest subsidiair telstegelegde feit, nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het overige onder 1 primair telastegelegde alsmede het onder 2 primair en 3 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- het geld als vermeld onder nummers 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen;

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- het geld als vermeld onder de nummer 2 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen;

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en M.J.M. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en D. West, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 oktober 2006.