Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY9765

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
690565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenvonnis is eiseres in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij met haar moeder een duurzame huishouding voerde. Eiseres heeft een aantal getuigen aangezegd. Op het tijdstip dat het getuigenverhoor zou plaatsvinden zijn de getuigen niet verschenen. Eiseres heeft ook anderszins geen bewijs kunnen leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton

VONNIS

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 30 december 2005,

tevens verweerster in het incident,

gemachtigde: R.L.J. van Es te Rotterdam.

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

tevens eiser in het incident,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna ook geduid met “[eiseres]” respectievelijk “[gedaagde]”.

Verwezen wordt naar- en volhard wordt bij de inhoud van de eerder uitgesproken vonnissen, laatstelijk dat van 11 september 2006.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 3 juni 2006 is een comparitie van partijen bepaald.

Deze vond plaats op 14 juni 2006.

Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft de kantonrechter een brief gedateerd 6 juni 2006, met producties, van [gedaagde] ontvangen, en een brief gedateerd 9 juni 2006, met daarbij een akte met één productie, van de gemachtigde van [eiseres].

Aan het slot van de comparitiezitting heeft de kantonrechter mondeling vonnis gewezen, welke uitspraak is vervat in het van die comparitie opgemaakte proces-verbaal.

Aan eiseres is te bewijzen opgedragen dat zij met haar moeder in het gehuurde een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.

Eiseres heeft bij brief van 26 juni 2006 drie getuigen opgegeven. De kantonrechter heeft bepaald dat deze worden gehoord op de zitting van 11 september 2006.

Bij brief van 4 augustus 2006 heeft [gedaagde] een incidentele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv ingesteld. De mondelinge behandeling van deze incidentele vordering heeft plaatsgevonden op 11 september 2006. Daarbij zijn verschenen [gedaagde] in persoon, vergezeld van zijn echtgenote, en voorts de gemachtigde van [eiseres] M.M. Steenks.

De kantonrechter heeft dadelijk uitspraak in het incident gedaan.

Vervolgens heeft het getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres] plaatsgevonden.

Ook daarbij waren aanwezig de gemachtigde van [eiseres] mevrouw Steenks voornoemd, en [gedaagde] met zijn echtgenote. Geen van de door [eiseres] aangekondigde getuigen is verschenen. Hierop heeft de kantonrechter het getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres] gesloten. [gedaagde] heeft verklaard af te zien van het houden van contra-enquête, waarop de kantonrechter de uitspraak van het vonnis heeft bepaald op heden.

Er is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij tussenvonnis van 10 mei 2006 is op de voet van artikel 150 Rv aan [eiseres] het bewijs opgedragen van haar stelling dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder had, nu die stelling door [gedaagde] gemotiveerd is betwist, terwijl geldt dat het samenwonen van een kind en diens ouder (ook indien het kind eerst enige tijd elders heeft gewoond en naar de ouder is teruggekeerd) in het algemeen niet als een duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt aangemerkt.

De door [eiseres] schriftelijk aangekondigde getuigen zijn echter niet verschenen, terwijl [eiseres] ook anderszins geen (nader) bewijs van haar stelling ter zake heeft aangedragen. De conclusie dient thans dan ook te luiden dat [eiseres] niet is geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs, zodat in deze procedure niet is komen vast te staan dat tussen [eiseres] en haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW heeft bestaan. Gelet op het bepaalde in artikel 7:268 lid 3 sub a BW dient de vordering van [eiseres] reeds op die grond te worden afgewezen.

2.2 Voorts is in het incident komen vast te staan dat er ondanks de door [eiseres] ter comparitie van partijen gedane betalingstoezeggingen, thans sprake is van een ernstige achterstand in de betaling van de huur, zodat in redelijkheid niet gezegd kan worden dat [eiseres] voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huurbetalingsverplichting, hetgeen ingevolge artikel 7:268 lid 3 sub b BW een zelfstandige afwijzingsgrond vormt voor het door [eiseres] gevorderde.

2.3 Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3. De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 150,-- aan verlet- en reiskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.