Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY9646

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
659686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil de vraag op welke wijze het pensioengevend salaris ten behoeve van het ouderdomspensioen dient te worden berekend, rekening houdend met de franchise.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

VONNIS

in de zaak van

1. de stichting

Stichting pensioenfonds metaal en techniek,

woonplaats: Rijswijk ZH

2. OTIB, de stichting Stichting Opleidings-en Ontwikkelingsfonds voor het Technische Installatiebedrijf,

statutair gevestigd te Den Haag en kantoorhoudend te Rijswijk ZH;.

3. de stichting Stichting Sociaal Fonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken, statutair gevestigd te ‘s-Gravenhage en kantoorhoudende te Rijswijk ZH;

4. de naamloze vennootschap N.V. Schadeverzekering Metaal en Technische bedrijfstakken, statutair gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk ZH

eisers bij exploot van dagvaarding van 26 juli 2005,

gemachtigde: Flanderijn en Van Eck Deurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde];

zaakdoende en mitsdien woonplaats hebbende te [plaats]

gedaagde;

die heeft gereageerd.

Gemachtigde : drs. J.B.G. Vrolijk FB & Partners te Dordrecht.

Het verdere verloop van het proces

In deze zaak is op 26 april 2006 een tussenvonnis gewezen, waarin een comparitie van partijen is gelast en welke heeft plaatsgevonden op 20 juli 2006 in aanwezigheid van de gemachtigden van partijen, de heren [naam 1] en [naam 2].

Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.

De verdere beoordeling van de vordering

Tussen partijen is slechts in geschil de vraag op welke wijze het pensioengevend salaris ten behoeve van het ouderdomspensioen dient te worden berekend, rekening houdend met de franchise. Eisers hebben in de conclusie van repliek een berekening gepresenteerd, welke overeenkomt met het pensioenreglement dat zij bij akte op

1 maart 2006 in het geding hebben gebracht. Uit dit reglement blijkt dat allereerst het pensioengevend jaarsalaris dient te worden berekend om er vervolgens de franchise van af te trekken. Pas daarna wordt rekening gehouden met het feit dat de werknemer niet het gehele jaar werkzaam is geweest. Deze wijze van berekenen is in overeenstemming met het reglement en daarom correct.

In de voornoemde berekening is, opnieuw in overeenstemming met het reglement, uitgegaan van het overeengekomen salaris van € 1.800,-- ingaande 1 april 2004.

Met ingang van 1 oktober 2004 is een lager salaris, van €1.264,80 per maand, overeengekomen.

In de laatste alinea van artikel 1.21 van het pensioenreglement is het volgende bepaald:

“ Indien het Pensioengevend jaarsalaris op basis van het 1 januari salaris hoger is dan het jaarsalaris op basis van de werkelijke salarisbetalingen in dat kalenderjaar, dan dient het pensioengevend jaarsalaris op de werkelijke salarisbetalingen van dat kalenderjaar gebaseerd te worden.”

In de berekening van eisers is geen rekening gehouden met deze salarisverlaging.

Eisers hebben ten onrechte geen acht geslagen op de hiervoor geciteerde alinea uit het pensioenreglement. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers ter gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat in de praktijk niet wordt uitgegaan van het

SV-salaris, maar van het salaris per 1 januari, dan wel per aanvang van de arbeidsovereenkomst. Het is volgens de gemachtigde een stelregel binnen het kantoor van MN services om zo te handelen. Om die reden worden ook niet achteraf extra premies berekend, wanneer een werknemer in de loop van het jaar een hoger salaris gaat ontvangen.

De kantonrechter oordeelt dat eisers op deze wijze niet in overeenstemming met het pensioenreglement handelen. Uit de hiervoor geciteerde alinea kan geen andere conclusie worden getrokken. Wanneer het feitelijk jaarsalaris lager wordt dan het, fictief, berekende pensioengevend salaris, dient de premieberekening alsnog te worden gebaseerd op de werkelijke salarisbetalingen van dat kalenderjaar.

Eisers hebben de pensioenpremie dan ook niet berekend overeenkomstig het pensioenreglement. Een herberekening van het pensioengevend jaarsalaris dient plaats te vinden overeenkomstig de systematiek van artikel 1.21 van het pensioenreglement. Daartoe dient een jaarsalaris te worden berekend. Anders dan gedaagde meent is dit jaarsalaris niet identiek aan het SV-salaris, omdat allereerst een jaarsalaris moet worden berekend en pas daarna rekening kan worden gehouden met het feit dat de arbeidsovereenkomst in dit jaar slechts 9 maanden heeft geduurd.

Uit het reglement blijkt niet op welke wijze rekening moet worden gehouden met het verlaagde salaris teneinde een fictief salaris over 12 maanden te kunnen berekenen.

In die zin voorziet het reglement niet voldoende in de situatie die zich hier voordoet. Een redelijke uitleg van de bepalingen impliceert dat het werkelijk genoten salaris wordt omgerekend in een gemiddeld maandsalaris, dat vervolgens de basis vormt voor het te berekenen jaarsalaris.

De kantonrechter komt dan tot de volgende berekening:

Daadwerkelijk genoten salaris: €14.594,40 :9 = € 1.621,60 per maand.

Pensioengevend jaarsalaris : 12.96 x € 1.621,60 = € 21.015,94

Franchise: € 17.230,00

17 % Premie te berekenen over € 3.785,--

Totaal verschuldigde pensioenpremie: € 643,61

Aan gedaagde is voor de periode 1 april 2004 tot en met € 31 december 20004 € 1050,65 in rekening gebracht terwijl hij op grond van bovenstaande berekening een bedrag van € 643,61 verschuldigd was. Gedaagde is derhalve een bedrag van € 407,04 teveel in rekening gebracht. De tot € 267,80 verminderde vordering van eiser sub 1 dient derhalve te worden afgewezen.

In de oorspronkelijk vordering van eiser sub 1 is een bedrag aan rente, boete en buitengerechtelijke kosten opgenomen dat is gebaseerd op de hoogte van de op de door eiser sub 1 wijze berekende vordering. Nu de kantonrechter heeft vastgesteld dat de vordering door eiser sub 1 te hoog is berekend, dient eiser sub 1 ook de medegevorderde rente, boete en buitengerechtelijke kosten te herberekenen.

Hetgeen gedaagde uiteindelijk te veel heeft voldaan dient alsnog met hem verrekend te worden. Voor een veroordeling van eiser sub 1 om dit bedrag aan gedaagde terug te betalen is geen ruimte nu gedaagde geen reconventionele vordering heeft ingesteld.

De vorderingen van eisers 2, 3 en 4 worden niet betwist en zijn dan ook toewijsbaar.

De buitengerechtelijke kosten zijn niet betwist en worden toegewezen.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van deze procedure te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing:

wijst de vordering van eiseres sub 1 af;

veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag van € 274,03 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 april 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 3 te betalen een bedrag van € 47,66 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 april 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 4 te betalen een bedrag van € 146,41 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 april 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening;

compenseert de kosten van de procedure;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.