Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY7961

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
267867 / KG ZA 06-725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van conservatoir derdenbeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 267867 / KG ZA 06-725

Uitspraak: 8 september 2006

VONNIS van de voorzieningenrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-heid TBLISI REAL ESTATE HOLDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. J.H.A.M. Scheiffers,

advocaat mr. J.V.P.J. Brada,

- tegen -

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging SIERRA OIL ENTERPRISES AG,

gevestigd te Zug, Zwitserland,

gedaagde sub 1,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. T.C. Wiersma;

2. de STAAT GEORGIË, ook genaamd THE GOVERNMENT OF THE REPUBLIC GEORGIA, gevestigd te Tbilisi (Georgië),

gedaagde sub 2,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als “TRE”, respectievelijk “Sierra Oil” en “de Staat Georgië”.

1. Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 31 augustus 2006 en de daarbij door TRE overgelegde producties;

- faxberichten van 1 september 2006 van mr. M. van der Riet respectievelijk mr. Scheiffers namens TRE met producties;

- faxbericht van 3 september 2006 van mr. Van der Riet namens TRE met productie;

- faxbericht van 4 september 2006 van mr. M.E. Koppenol-Laforce namens de Staat Georgië;

- pleitnotities van mr. Brada met producties;

- pleitnotities van mr. Wiersma met producties.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht op de zitting van 4 september 2006.

2. De vaststaande feiten

In dit kort geding wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1 Op 9 juni 2006 heeft TRE een door het Ministerie van Economische Ontwik-keling in Georgië (hierna: “het Ministerie”) georganiseerde tender gewonnen be-treffende de overname van het staatsbelang van 75,14% van de aandelen in het kapitaal van JSC Gergeti, een hotelcomplex in Georgië. De koopprijs van de aan-delen bedraagt USD 20.000.000,--, te betalen in twee tranches na ondertekening van de schriftelijke koopovereenkomst (hierna: “de overeenkomst”). Tot op he-den heeft deze ondertekening nog niet plaatsgevonden.

2.2 In het kader van de tenderprocedure heeft TRE een zogenaamde tenderpled-ge betaald van USD 400.000,--.

2.3 Op 23 juni 2006 heeft Sierra Oil, na verkregen verlof daartoe van de voorzie-ningenrechter van deze rechtbank, ten laste van de Staat Georgië conservatoir derdenbeslag doen leggen onder TRE op - onder meer - de uit hoofde van de overeenkomst te betalen koopprijs. Het verlof is verleend tot een bedrag van USD 6.500.000,-- voor een vordering van Sierra Oil op de Staat Georgië, die bij dagvaarding van 31 mei 2005 bij deze rechtbank in een bodemprocedure aan-hangig is gemaakt (zaak-/rolnummer 241717 / HA ZA 05-1931).

2.4 Op 8 augustus 2006 heeft de Minister van Economische Ontwikkeling van Georgië een brief gestuurd aan TRE met de volgende inhoud:

“We understand that an attachment is placed for the amount of USD 6,500,000.00 under Tbilisi Real Estate Holding B.V. (Tbilisi Real Estate) as a third party and that this attachment relates to a dispute between Sierra Oil Enterprises AG and the State of Georgia.

Unfortunately, this attachment possibly impedes the intended JSC Gergeti transac-tion between Tbilisi Real Estate and the Ministry of Economic Development fol-lowing the completed tender procedure for which Tbilisi Real Estate paid a deposit of USD 400,000.00.

As you are aware, it is the intention of the parties to, in the near future, enter into a share purchase agreement for the sale of the state share of 75.14% in JSC Gergeti. However, the attachment will possibly frustrate payment of the full amount agreed upon, should it remain in force. As the Ministry of Economic Development, in that case, will be unable to issue an order to deliver the shares, it will have to refuse to enter into the intended share purchase agreement with Tbilisi Real Estate.

Therefore, we must insist that all necessary action will be taken by Tbilisi Real Es-tate in order to get the attachment released and to make sure that there will be no other (future) impediments or complications with respect to the obligation of pay-ment of the full amount under a share purchase agreement to be entered into. As long as this issue is not solved, the Ministry of Economic Department will cease any further negotiations and it reserves the right to refuse to enter into the intended share purchase agreement, in which case there will be no further obligations from the Ministry of Economic Development towards Tbilisi Real Estate and vice versa.”

2.5 Per brief van 4 augustus 2006 heeft de TuranAlem bank te Kazakhstan aan TRE geschreven - voor zover hier relevant -:

“Please be advised that BTA will finance the acquisition of the shares of “Gergeti” only if (i) Tbilisi Real Estate Holding B.V. will enter into a share purchase agree-ment with the seller of the shares in form and substance satisfactory to BTA and (ii) the garnishment is lifted and stays lifted until Tbilisi Real Estate Holding B.V. ac-quires ownership rights in the shares of “Gergeti”, which should be confirmed by a legal opinion issued by a Dutch counsel.”

3. Het geschil

TRE vordert dat het de voorzieningenrechter behage, bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

Primair:

1. het beslag dat ten laste van Georgië is gelegd onder TRE onmiddellijk, althans binnen 12 uur na betekening van dit vonnis op te heffen;

2. te bepalen dat Sierra Oil niet gerechtigd is nieuwe conservatoire derden-beslagen te leggen ten laste van Georgië onder TRE ter zake van deze ver-meende vordering van Sierra Oil op Georgië;

Subsidiair:

3. voorzover het beslag niet wordt opgeheven, Sierra Oil te gebieden TRE toe te staan aan haar betalingsverplichtingen, zowel de eerste als de tweede tranche, aan het Ministerie te voldoen, met bevrijdende werking jegens Sierra Oil;

een en ander op straffe van een dwangsom van USD 500.000 voor iedere overtre-ding van dit vonnis, te verhogen met USD 3.000.000,-- indien de overtreding nog voortduurt op 9 september 2006,

met veroordeling van Sierra Oil in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft TRE aan haar vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.1 TRE heeft een spoedeisend belang bij opheffing van het beslag. Op grond van het recht van Georgië moet de in overweging 2.1 bedoelde koopovereenkomst binnen 90 dagen na de datum waarop de tender is gewonnen zijn uitonderhan-deld en ondertekend, derhalve uiterlijk op 9 september 2006. Het Ministerie wei-gert echter hierover verder te onderhandelen zolang het in overweging 2.3 be-doelde beslag niet is opgeheven. De transactie zal worden gefinancierd met een lening van de TuranAlem bank in Kazakhstan, waar reeds een lening loopt ter za-ke van de financiering van de tenderpledgde en de kosten om aan de tender-voorwaarden te voldoen (circa USD 500.000,--). Indien het beslag niet opgeheven wordt zal ook de bank weigeren de financiering voor de transactie te verstrekken. Indien het beslag niet wordt opgeheven lijdt Tblisi schade nu zij reeds de tender-pledge heeft betaald en kosten heeft gemaakt om aan de tenderpledge te vol-doen, over het ter zake van de TuranAlem bank geleende geld rente verschuldigd is, en voorts nu zij op het punt staat (onder de tender verplichte) investeringen te doen ten bedrage van - op de korte termijn - USD 2.000.000,-- en bovendien nu zij een aanzienlijke kans loopt de betreffende aandelen niet in handen te krijgen.

3.2 Sierra Oil heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop in het kader van de be-oordeling - voor zover nodig - zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang ligt besloten in de vorderingen van TRE en hetgeen zij daaraan ten grondslag heeft gelegd.

4.2 Tegen de Staat Georgië wordt verstek verleend. Nu Sierra Oil wel is versche-nen, geldt dit vonnis ingevolge het bepaalde in artikel 140 lid 2 Rv als een vonnis op tegenspraak.

4.3 TRE heeft gesteld dat ten onrechte is verzuimd de in artikel 3a van de Ge-rechtsdeurwaarderswet bedoelde kennisgeving te doen aan de Minister van Justitie. Wat hier ook van zij, het betreft hier geen verzuim dat onmiddellijke opheffing van het beslag tot gevolg heeft.

4.4 De overige door TRE met betrekking tot het beslag opgeworpen formele be-zwaren gaan alleen al niet op nu niet, althans onvoldoende aannemelijk is ge-maakt dat het hier gaat om beslag op gelden die een openbare bestemming heb-ben c.q. bestemd zijn voor de openbare dienst. Uit de door TRE overgelegde brief van de Minister van Justitie waar zij ter zake naar verwijst (haar aanvullen-de productie 9), volgt dit niet en andere stukken waaruit de juistheid van de stel-ling van TRE op dit punt blijkt, zijn niet overgelegd.

4.5 De schade die TRE stelt te zullen lijden is weliswaar aan te merken als een gevolg van het beslag, doch niet als het noodzakelijk gevolg ervan. Of schade wordt geleden hangt immers af van de beslissing van Georgië om de overeen-komst met TRE al dan niet te ontbinden. De vraag rijst of in een dergelijk geval het ontstaan van schade niet valt binnen de risicosfeer van de derde. Het is im-mers diens contractpartij die ervoor kiest zijn eigen belang om te voorkomen dat het beslag doel treft, te laten prevaleren boven het belang dat de derde heeft bij het in stand blijven van de overeenkomst. Wat hiervan zij, indien al een aange-kondigde ontbinding door de beslagdebiteur van zijn overeenkomst met de der-de een grond voor opheffing kan opleveren, dan dient bij toewijzing van een daarop gebaseerde vordering grote terughoudendheid in acht genomen te wor-den. Anders zou een beslagdebiteur zich wel op erg gemakkelijke wijze kunnen ontdoen van een hem onwelgevallig beslag. Deze terughoudendheid brengt mee dat de onderhavige vordering dient te worden afgewezen. Onvoldoende aanne-melijk is geworden dat handhaving van het beslag er daadwerkelijk toe zal leiden dat de overeenkomst door Georgië zal worden ontbonden. Aan de in overweging 2.4 geciteerde brief van de Minister van Economische Ontwikkeling van Georgië (andere relevante stukken zijn er niet) kan niet meer worden ontleend dan dat de Minister zich het recht voorbehoudt de overeenkomst te ontbinden als het beslag niet wordt opgeheven. Dat dit gebeurt is niet uit te sluiten, doch omtrent de kans dat het gebeurt valt in feite, in ieder geval in dit kort geding, geen zinnig woord te zeggen.

Datzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat TRE schade zal leiden omdat de TuranAlem bank, ook indien Georgië niet zou besluiten de overeenkomst te ont-binden, geen financiering meer zal verstrekken. Uit niets blijkt, in elk geval niet uit de in overweging 2.5 ten dele geciteerde brief van 4 augustus 2006, welk be-lang de bank daarbij zou hebben - de vermogenspositie van haar debiteur is im-mers niet in het geding - en dat de bank onder de gegeven omstandigheden wel gerechtigd is de financieringsovereenkomst op te zeggen. Er zijn geen stukken in het geding gebracht die hier enig licht op werpen.

Onder de bovengeschetste omstandigheden dient het belang van Sierra Oil bij handhaving van het beslag te prevaleren boven het belang van TRE om de mo-gelijkheid van schade uit te sluiten. Het primair sub 1 gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

4.6 In het vorenoverwogene ligt besloten dat het primair sub 2, alsmede het sub-sidiair gevorderde eveneens zal worden afgewezen. Voorzover TRE bedoeld heeft dat het haar zal worden toegestaan aan haar betalingsverplichtingen jegens het Ministerie te voldoen onder achterhouding van een bedrag van USD 6.500.000, geldt dat voor een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat, nu Sierra Oil reeds heeft aangegeven aan een dergelijke variant te willen meewerken.

4.7 TRE zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden ver-oordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

verleent verstek tegen de Staat Georgië;

wijst af de vorderingen van TRE;

veroordeelt TRE in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ge-daagde sub 1 bepaald op € 248,-- aan verschotten en op € 816,- aan salaris voor de procureur en aan de zijde van gedaagde sub 2 bepaald op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Rijperman, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Kalmthout, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1775/580