Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY7383

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
04-09-2006
Zaaknummer
BC 06/2338-ZWI
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2007:BA2940, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na eerdere vernietiging door het CBB (LJN: AW5471) heeft de AFM de doorhaling van Quinta als cliëntenremisier gehandhaafd wegens een negatief betrouwbaarheidsoordeel. De rechtbank herroept het doorhalingsbesluit. Veroordeling proceskosten in bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet toezicht effectenverkeer 1995 21
Wet toezicht effectenverkeer 1995 3
Wet toezicht effectenverkeer 1995 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2007, 3
JE 2006, 398
JE 2006, 348
JOR 2006/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 06/2338-ZWI

Uitspraak

in het geding tussen

1. Quinta Financiële Planning B.V., gevestigd te Zwolle,

2. [bestuurder 1], wonende te Arnhem,

3. [bestuurder 2], wonende te Almere,

tezamen te noemen: eisers,

gemachtigde mr. G.P. Roth, advocaat te Amsterdam,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten , verweerster,

gemachtigde mr. J.J. Knol, advocaat te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 30 september 2005 heeft verweerster het bezwaar van eisers tegen het besluit van verweerster van 3 juni 2005 tot doorhaling van de registerinschrijving van Quinta Financiële Planning B.V. (hierna: Quinta) als cliëntenremisier per diezelfde datum ingevolge artikel 21, vijfde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 januari 2006 (LJN: AU9574, JOR 2006/103) het initiële beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep voorzover het mede is gericht tegen het besluit van 30 september 2005 ongegrond verklaard.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft naar aanleiding van het door eisers ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 28 april 2006 (LJN: AW5471) de uitspraak van de rechtbank in stand gelaten voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar en voor wat betreft de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 30 september 2005 die uitspraak vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het besluit van 30 september 2005. In dit verband heeft het College verweerster opgedragen binnen vier weken na verzending van de uitspraak opnieuw op de bezwaren van eisers te beslissen. Ten slotte heeft het College verweerster gelast het door eisers verschuldigde griffierecht in hoger beroep en in beroep aan hen te vergoeden en heeft verweerster veroordeeld in de door eisers gemaakte proceskosten in beide instanties.

Bij besluit van 26 mei 2006 heeft verweerster het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 31 mei 2006 beroep ingesteld met het verzoek tot versnelde behandeling.

De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd en is overgegaan tot versnelde behandeling.

Verweerster heeft bij brief van 7 juli 2006 een verweerschrift ingediend met nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2006. [Bestuurder 2] was aanwezig, alsmede de gemachtigde van eisers. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader en vaststaande feiten

Voor wat betreft het relevante wettelijke kader en de vastgestelde feiten tot aan de beoordeling in het hoger beroep verwijst de rechtbank naar de in rubriek 1 vermelde uitspraken. In het vervolg van de uitspraak wordt de Algemene wet bestuursrecht aangeduid als Awb; de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)-beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, nr. 20) als de Beleidsregel; de (voormalige) bestuurders van Quinta [bestuurder 1], [bestuurder 2] en [bestuurder 3] als respectievelijk [bestuurder 1], [bestuurder 2] en [bestuurder 3]; Eco-Sure Nederland B.V. als ES Ned; New World Investments B.V. als NWI; New World Products B.V. als NWP; en ten slotte Vastgoed Centraal Europa C.V. als Vastgoed.

Daar - zoals hierna zal blijken - de strekking van de uitspraak van het College van 28 april 2006 een twistpunt tussen partijen is, zal de rechtbank hier een groot deel van de overwegingen van het College opnemen. Het College heeft voor zover thans nog van belang in voornoemde uitspraak - waarin verweerster is aangeduid als AFM, eisers als appellanten - overwogen:

“7.2 Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank, anders dan appellanten in hun onder 5.2 weergegeven grief betogen, de betekenis van artikel 21, vijfde lid, Wte niet miskend.

Daartoe overweegt het College als volgt.

Artikel 21, vijfde lid, Wte 1995 bepaalt dat de registerinschrijving van een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, wordt doorgehaald indien de antecedenten van de personen die het beleid van de effecteninstelling bepalen of mede bepalen, AFM aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen van de beleggers, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat.

Gelet op de tekst van deze bepaling gaat het om de registerinschrijving van een effecteninstelling als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, Wte. Niet in geschil is dat een cliëntenremisier een effecteninstelling in evenbedoelde zin is. Artikel 21, vijfde lid, Wte is derhalve daarop in beginsel van toepassing. Dat, zoals appellanten betogen, deze bepaling alleen betrekking heeft op de situatie waarin om betrouwbaarheidsredenen een vergunningaanvraag eerder al is afgewezen dan wel de vergunning om die reden is ingetrokken, volgt uit de tekst, noch uit de toelichting van dit artikel. Uit die wetgeschiedenis valt immers niet meer af te leiden dan dat de bepaling er niet toe strekt dat AFM (standaard) de betrouwbaarheid van de beleidsbepalende personen bij alle betrokken instellingen voorafgaand aan de registerinschrijving dient te toetsen.

De door appellanten in dit verband aangevoerde argumenten kunnen dan ook hooguit een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de antecedenten van de in artikel 21, vijfde lid, Wte bedoelde personen alle van dien aard zijn, dat zij - gelet ook op het daaraan op grond van dit artikellid te verbinden gevolg van doorhaling - redelijkerwijs aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen van de beleggers, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat. Zij laten echter onverlet dat AFM de betrouwbaarheid van de beleidsbepalende personen van een in het register ingeschreven instelling zonodig kan onderzoeken. Komt AFM vervolgens tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van de in artikel 21, vijfde lid, Wte bedoelde personen niet buiten twijfel staat, dan gaat zij ingevolge dat artikellid over tot doorhaling van de registerinschrijving van die instelling.

Derhalve faalt deze grief.

7.3 In hun onder 5.3 weergegeven grief betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van een antecedent als bedoeld in de Beleidsregel, omdat de producten van NWP niet zijn te kwalificeren als effecten en dat derhalve geen sprake is van een overtreding van artikel 7, eerste lid, Wte, althans dat deze overtreding hen niet is toe te rekenen.

Het College overweegt dienaangaande als volgt.

7.3.1 AFM heeft in zowel het primaire besluit als in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de producten van NWP volgens haar zijn te kwalificeren als effecten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, sub 1, Wte. In haar uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar uitspraak van 14 april 2003 (JOR 2003/148) en de uitspraak van het College van 20 september 2005 (JOR 2005/251) overwogen dat de NWI-producten Result en Result Plus zijn te kwalificeren als effecten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, sub 1, Wte. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de brochure van NWP, de producten ProfitPlan en ProfitPlan Plus veel lijken op evenvermelde producten Result en ResultPlus. De rechtbank onderschrijft vervolgens het oordeel van AFM dat de producten van NWP zijn te kwalificeren als effecten.

Het College stelt vast dat appellanten deze overwegingen van de rechtbank in hoger beroep niet gemotiveerd hebben betwist. Zij stellen zelfs dat dit oordeel er in feite ook niet toe doet. Bij deze stand van zaken acht het College geen aanknopingspunt aanwezig voor de conclusie dat de rechtbank het oordeel van AFM ten onrechte heeft onderschreven, zodat deze grief in zoverre niet kan slagen.

7.3.2 Het College is voorts van oordeel dat appellanten, anders dan zij in het kader van deze grief betogen, deze overtreding op zichzelf wel kan worden toegerekend.

Daartoe overweegt het College het volgende.

Ingevolge artikel 7 Wte is het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Als cliëntenremisier is Quinta vrijgesteld van deze vergunningplicht. Om binnen deze vrijstelling te blijven zal Quinta derhalve de nodige prudentie in acht moeten nemen bij het aanbieden van producten waarvan op voorhand niet duidelijk is of zij deze zonder vergunning mag aanbieden.

De rechtbank heeft - in hoger beroep onbestreden - overwogen dat niet zonder meer duidelijk is dat de producten van NWP zijn te kwalificeren als effecten. Volgens de rechtbank had - eveneens in hoger beroep onbestreden - van appellanten mogen worden verwacht dat zij hierover met AFM contact zouden hebben opgenomen, waarvoor te meer reden was gelet op de overeenkomsten tussen de producten ProfitPlan en ProfitPlan Plus en de producten Result en Result Plus en de gelieerdheid van NWI en NWP, alsmede de bemoeienis van Tierras Nuevas en de stichting Vicus in deze vier producten. Op appellanten rustte derhalve een onderzoeksplicht om duidelijkheid te verkrijgen over het antwoord op de vraag of het aanbieden van de NWP producten binnen de grenzen van de vrijstelling ligt. Het betoog van appellanten dat het niet waarschuwen door AFM (op haar web-site) tegen NWP, wat AFM wel heeft gedaan tegen NWI, voor hen een indicatie was dat geen sprake was van effecten, gaat voorbij aan haar eigen verantwoordelijkheid als cliëntenremisier, evenals hun betoog dat het ter hand stellen van de producten van NWP aan AFM met de vraag of deze zijn te kwalificeren als effecten toch geen zin zou hebben gehad, omdat AFM, gezien de toen heersende opvatting binnen AFM ter zake van groenfondsen, waarschijnlijk zou hebben geantwoord dat hiervan geen sprake is.

Naar het oordeel van het College zijn appellanten in evenbedoelde onderzoeksplicht tekort geschoten. Appellanten stellen weliswaar dat zij telefonisch contact hebben gehad met AFM om een en ander te verifiëren, maar deze stelling hebben zij niet onderbouwd. Gezien het belang dat de uitslag van een dergelijke verificatie had voor het al dan niet binnen de vrijstelling opereren van appellanten, had het wel op de weg van appellanten gelegen daarover concreter informatie vast te leggen - en zo mogelijk ook van AFM bevestiging daarvan te verkrijgen - dan een enkele verwijzing naar een telefonisch contact.

Aan de stelling van appellanten, ten slotte, dat NWP hun had meegedeeld dat de producten niet onder de reikwijdte van het toezicht van de AFM vielen vanwege het geïndividualiseerde karakter van de belegging kan niet de waarde worden gehecht die appellanten daaraan gehecht wensen te zien, omdat deze mededeling niet afkomstig is van het terzake bevoegde gezag.

Derhalve faalt ook deze grief.

7.4 Met betrekking tot de onder 5.4 van deze uitspraak weergegeven grief van appellanten, inhoudende dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid is getreden, overweegt het College het volgende.

7.4.1 In het bestreden besluit heeft AFM geoordeeld dat sprake is van twee antecedenten, NWP en Vastgoed. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat Vastgoed geen antecedent kan opleveren. AFM heeft deze overweging in hoger beroep niet bestreden, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat alleen het antecedent NWP nog aan de orde is. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat AFM op grond van alleen het antecedent NWP tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrouwbaarheid van appellanten A en B niet (meer buiten) twijfel staat.

7.4.2 Naar het oordeel van het College is de rechtbank ten onrechte op basis van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering ervan uitgegaan dat AFM, wanneer alleen nog het antecedent NWP aan de orde zou zijn, tot geen ander besluit zou kunnen komen dan doorhaling van de inschrijving in het register. Naar het oordeel van het College is die motivering van het AFM-besluit echter ontoereikend om deze conclusie van de rechtbank te kunnen dragen.

Het College overweegt daartoe meer in het bijzonder dat AFM in het bestreden besluit heeft overwogen dat zij appelanten met name het antecedent Vastgoed zwaar aanrekent. In tegenstelling tot hetgeen AFM in hoger beroep naar voren heeft gebracht, blijkt uit het bestreden besluit niet dat AFM heeft geoordeeld dat het gewicht dat het antecedent NWP afzonderlijk - dus los van Vastgoed - in de schaal legt voldoende is om, wanneer daarbij de relevante belangen worden betrokken, te komen tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van appellanten A en B niet (meer) buiten twijfel staat. Het betoog van AFM in hoger beroep dat uit het bestreden besluit niet valt af te leiden dat het AFM slechts zou gaan om de optelsom van de antecedenten NWP en Vastgoed, miskent dat een kenbare motivering met zich brengt dat het bestuursorgaan in het besluit inzichtelijk maakt op welke feitelijke grondslag dit besluit wel is gebaseerd.

Bovendien geldt in dit geval dat het oordeel van AFM dat de betrouwbaarheid van de bestuurders van de betreffende instelling niet buiten twijfel staat, leidt tot doorhaling van de registerinschrijving van die instelling. De beslissing dat hiervan sprake is, heeft naar zijn aard derhalve verstrekkende gevolgen voor de betreffende instelling en de bestuurders. Dit betekent dat de motivering, in het bijzonder die aangaande het gewicht dat toekomt aan de belangen, die de toezichthouder ingevolge artikel 3, tweede lid, Beleidsregel bij zijn oordeelsvorming betrekt, aan hoge eisen dient te voldoen.

Naar het oordeel van het College moet voorts in dit verband in aanmerking worden genomen dat het geenszins uitgesloten is te achten dat AFM, het toezichtsantecedent NWP opnieuw, maar dan op zichzelf beoordelende, tot de slotsom komt dat voor doorhaling van de inschrijving geen plaats is, dan wel dat de bestuursrechter, wanneer deze kennis neemt van een doorhalingsbesluit, gebaseerd op een door AFM gegeven nadere motivering, waarin de relevante overwegingen toegespitst op het NWP-antecedent voldoende kenbaar en dus toetsbaar zijn neergelegd, uiteindelijk tot de slotsom komt dat deze onvoldoende dragend zijn voor een oordeel dat leidt tot een zo ingrijpende maatregel als doorhaling van de inschrijving in het register.

Daartoe overweegt het College allereerst dat uit artikel 21, vijfde lid, Wte moet worden afgeleid dat AFM een zekere beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag, of de antecedenten van de personen die het beleid van de effecteninstelling bepalen of mede bepalen aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen van de beleggers, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat. De uitgangspunten die AFM heeft gehanteerd voor de aanwending van deze beoordelingsruimte zijn de uitgangspunten, neergelegd in de Beleidsregel.

De bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in acht te nemen antecedenten worden vermeld in artikel 2, tweede lid, Beleidsregel en zijn uitgewerkt in de bijlagen bij die Beleidsregel. Uit de Beleidsregel volgt dat het bestaan van een enkel antecedent op zichzelf niet maatgevend is voor het oordeel van AFM inzake de betrouwbaarheid. AFM zal zich een eigen oordeel moeten vormen over een antecedent. Bij haar oordeelsvorming betrekt AFM, ingevolge artikel 3, tweede lid, Beleidsregel in voorkomend geval het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging(en) en de overige omstandigheden van het geval, de belangen die de Wte beoogt te beschermen, alsmede de overige belangen van de financiële instelling en betrokkene.

Weliswaar kan aan appellanten worden toegerekend dat zij in strijd met artikel 7, eerste lid, Wte cliënten hebben aangebracht en heeft AFM, gelet op de aard van deze overtreding, deze kunnen aanmerken als een toezichtsantecedent als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en bijlage C onder andere feiten of omstandigheden, Beleidsregel, maar vastgesteld moet tevens worden dat het in dit geval gaat om een toezichtsantecedent van een onbenoemde categorie waarvan AFM op grond van de Beleidsregel, anders dan de strafrechtelijke antecedenten genoemd in artikel 3, derde en vierde lid, Beleidsregel, niet zonder meer vaststelt dat daardoor de betrouwbaarheid van betrokkene niet buiten twijfel staat. Volgens de Beleidsregel zal AFM zich in dat geval een eigen oordeel moeten vormen over het antecedent, waarbij zij de in artikel 3, tweede lid, genoemde belangen en verbanden betrekt. Die laten AFM een zekere ruimte, in het bijzonder ook om onder omstandigheden aan het antecedent niet de conclusie te verbinden dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak derhalve miskend dat geen sprake is van een situatie waarin rechtens slechts één beslissing mogelijk is.

7.4.3 Door aldus een eigen, niet aan het bestreden besluit te ontlenen, beoordeling te geven van het gewicht dat aan het NWP antecedent toekomt voor het oordeel over de betrouwbaarheid van appellanten [bestuurder 1] en [bestuurder 2], is de rechtbank in strijd met de wettelijke bepaling van artikel 21 Wte getreden in de beoordelingsruimte die, artikel 21, vijfde lid, Wte gelezen in samenhang met artikel 3 Beleidsregel, AFM laat.

Deze grief slaagt derhalve.

7.5 Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van AFM van 30 september 2005 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Om reden zoals hiervoor vermeld in 7.4.2 en 7.4.3 ziet het College, anders dan door appellanten bepleit, geen aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.

7.6 Het College zal AFM opdragen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van appellanten te beslissen, met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. In dit verband merkt het College op dat, aangezien, zoals hiervoor onder 7.4.2 is overwogen, de motivering van een doorhaling aan hoge eisen dient te voldoen, AFM in het nieuw te nemen besluit de onderscheiden belangen en verbanden zichtbaar betrekt. Daarbij dient AFM - nu door het wegvallen van het Vastgoed-antecedent het aanvankelijke verwijt dat appellanten reeds gewaarschuwd waren en toch doorgingen, lijkt te zijn ontvallen - in ieder geval te betrekken in hoeverre thans nog al dan niet aan de orde is dat appellanten [bestuurder 1] en [bestuurder 2], zoals zij betogen, geen boos opzet hadden maar min of meer gedwaald hebben omtrent de regels en in die zin sprake is van een beoordelingsfout, en zo dit laatste het geval is, wat daar dan in het licht van de Beleidsregel het gevolg van behoort te zijn. Voorts moet AFM daarbij betrekken in hoeverre betekenis toekomt aan de omstandigheden dat het een eerste en op zich zelfstaand antecedent is van een sedert 2002 ingeschreven onderneming, die van de vergunningplicht is vrijgesteld. Ten slotte dient AFM daarbij, met name ook gelet op het feit dat uit het bepaalde bij artikel 21, vijfde lid, Wte niet volgt dat in het geval van meerdere bestuurders een negatief betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van één van de beleidsbepalende personen zou moeten leiden tot doorhaling van de registerinschrijving, te betrekken of de toerekenbaarheid van het antecedent aan alle bestuurders de betrouwbaarheid van deze bestuurders in gelijke zin raakt, ongeacht de onderscheiden rol die zij daarbij hebben vervuld.”.

Voorafgaande aan het bestreden besluit heeft ten kantore van verweerster op 16 mei 2006 een hoorzitting plaatsgehad alwaar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Bij die gelegenheid heeft de gemachtigde van eisers verweerster verzocht om vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten.

2.2. Bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerster vooraleerst overwogen dat terzake NWP een relevant antecedent als bedoeld in de Beleidsregel voorligt, omdat met de uitspraak van het College van 28 april 2006 onherroeplijk is komen vast te staan dat de producten ProfitPlan en ProfitPlan Plus van de uitgevende instelling NWP kwalificeren als effecten, dat Quinta door voor deze producten cliënten bij NWP aan te brengen is getreden buiten haar vrijstelling en dat deze overtreding aan eisers is toe te rekenen.

Vervolgens heeft verweerster overwogen dat het College verweerster heeft opgedragen opnieuw de belangenafweging als bedoeld in artikel 3 van de Beleidsregel te voltrekken aan de hand van dit ene antecedent, daar verweerster heeft berust in de overwegingen van de rechtbank dat inzake Vastgoed geen antecedent voorligt.

Ten aanzien van de met inachtneming van rubriek 7.6. van de uitspraak van het College te verrichten belangenafweging heeft verweerster - samengevat - overwogen:

- Quinta heeft door het ongeoorloofd aanbrengen van cliënten bij NWP de belangen van de beleggers ernstig geschaad. Het betreft 67 beleggers die totaal voor circa € 3,9 mln. hebben belegd en die naar verwachting niets van hun inleg zullen terugzien nu NWP failliet is gegaan;

- verweerster zal ervan uitgaan dat geen sprake is van boos opzet van de zijde van eisers inzake het NWP-antecedent, maar dit neemt niet weg dat niet slechts sprake is van een beoordelingsfout. [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zijn immers zoals het College heeft overwogen onder rubriek 7.3.2 ernstig tekort geschoten in hun onderzoeksplicht ten aanzien van de aard van de producten van NWP. Naar het oordeel van verweerster hebben [bestuurder 1] en [bestuurder 2] aldus bewust het risico genomen een (ernstige) overtreding van artikel 7 van de Wte 1995 te begaan. In dit verband weegt als verzwarend mee dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben erkend dat zij ervan op de hoogte waren dat de naamsvoorganger van verweerster de Stichting Toezicht Effectenverkeer had gewaarschuwd voor NWI, een feitelijke voorloper van NWP, op het moment dat Quinta een aanvang maakte met de bemiddeling in de producten van NWP;

- de overweging van het College dat ervan uit moet worden gegaan dat het om een eenmalig op zichzelf staand antecedent gaat in de periode van circa drie jaar dat Quinta als remisier stond geregistreerd, is naar het oordeel van verweerster eigenlijk een fictie omdat Quinta eenzelfde overtreding had begaan door cliënten aan te brengen bij de uitgevende instelling ES Ned. Nu ervan moet worden uitgegaan dat het een eenmalig incident betreft, spelen voor de vraag of doorhaling geboden is de ernst van de overtreding en alle overige omstandigheden van het geval een grotere rol dan in het geval van recidive;

- het is van essentieel belang dat cliëntenremisiers binnen de grenzen van hun vrijstelling opereren. Met een registratie verwerven vrijgestelde instellingen zich een soort goedkeuringsstempel van verweerster. Consumenten zullen in het algemeen niet goed kunnen zien wanneer een cliëntenremisier buiten de vrijstelling optreedt, zodat het aan de vrijgestelde instelling is behoedzaam te opereren en zelf nauwgezet de grenzen te bewaken. De eigen verantwoordelijkheid van de instelling staat hierbij voorop. Hierbij speelt voorts dat cliëntenremisiers in de praktijk voor malafide aanbieders (als NWP) een zeer geschikt distributiekanaal vormen. De malafide aanbieder kan zijn producten niet te openlijk distribueren en probeert daarom cliëntenremisiers met hoge provisies te bewegen zijn producten te verkopen. Het is voor verweerster dan ook van groot belang om handhavend op te treden. Voorts levert overtreding van artikel 7 van de Wte 1995 concurrentievervalsing door de cliëntenremisier ten opzichte van vergunninghoudende instellingen op. Effectenbemiddeling in strijd met artikel 7 van de Wte 1995 gaat immers ten koste van de omzet van vergunninghoudende effecteninstellingen, terwijl de overtreder bovendien de kosten van toezicht ontloopt. Ook dit verstoort de goede werking van de effectenmarkten;

- gelet op de overwegingen van het College is het antecedent NWP zowel aan [bestuurder 1] als aan [bestuurder 2] toe te rekenen maar dient verweerster nog te beoordelen in welke mate ieder van de bestuurders een verwijt kan worden gemaakt. Dat [bestuurder 3] verantwoordelijk was voor de contacten met NWP zoals eisers stellen, acht verweerster in dit verband van onvoldoende belang om die toerekening aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] minimaal te achten. Beide overgebleven bestuurders waren van de bemiddelingsactiviteiten op de hoogte of moesten daarvan op de hoogte zijn, gelet op het aanzienlijk aantal ingestapte beleggers en de hoogte van het ingelegde bedrag. De enkele ontkenning van het tegendeel is onvoldoende. Voor [bestuurder 2] geldt temeer dat hij - belast zijnde met de financiële zaken - op de hoogte van de bemiddeling voor NWP moet zijn geweest. [Bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben ook niets ondernomen om de gevolgen van de overtreding op welke wijze dan ook recht te zetten of te beperken. Verweerster meent dan ook dat het antecendent NWP ieder van de (toenmalige) bestuurders in gelijke mate raakt;

- dat de doorhaling Quinta financieel raakt vanwege opzegging door SNS Bank N.V. is aan eisers zelf te wijten. Zij hadden de financiële consequenties van een doorhaling en de eventuele gevolgen voor het personeel van Quinta moeten overzien voordat zij zonder nader onderzoek overgingen tot het bemiddelen in de producten van NWP;

- bij een eventuele aanvraag in het kader van de Wet financiële dienstverlening zal een separate beoordeling van de betrouwbaarheid van de bestuurders/beleidsbepalers van Quinta plaatshebben.

Verweerster is op grond hiervan tot de slotsom gekomen dat met het NWP-antecedent de betrouwbaarheid van de bestuurders van Quinta niet langer buiten twijfel staat, zodat zij terecht tot doorhaling van Quinta is overgegaan.

2.3. Standpunten van eisers

In beroep is namens eisers - samengevat - het volgende aangevoerd:

- van belang is dat bepaald onduidelijk was of de producten van NWP als effect kwalificeerden. Ook verweerster heeft aan die onduidelijkheid bijgedragen met de e-mails van haar afdeling publieksvoorlichting inzake het buiten bereik van de Wte 1995 vallen van de producten van ES Ned;

- het aantal aangebrachte klanten aan NWP betrof minder dan 3% van het aantal door Quinta geworven klanten voor financiële producten. De NWP-bemiddeling betrof derhalve maar een beperkte activiteit van Quinta;

- dat NWP in staat van faillissement verkeert kan bezwaarlijk worden meegewogen bij de mate van verwijtbaarheid, te meer niet nu de bemiddeling ruim daarvoor heeft plaatsgevonden;

- ten aanzien van NWP lag geen waarschuwing voor van verweerster;

- verweerster kan niet zonder het gezag van gewijsde van de uitspraak van het College te miskennen stellen dat weliswaar geen sprake is van boos opzet, maar dat niettemin niet slechts sprake was van een beoordelingsfout. Dat Quinta de op haar rustende onderzoeksplicht inzake de producten van NWP niet heeft nageleefd volgt reeds uit de uitspraak van het College zelf. Het College heeft echter duidelijk gesteld dat dit niet reeds met zich brengt dat de betrouwbaarheidstoets negatief dient uit te vallen. Verweerster kan zich er dan niet van afmaken door te herhalen dat Quinta de op haar rustende onderzoeksplicht niet is nagekomen. Ook geldt in dit verband dat het College reeds heeft vastgesteld dat kennis was genomen van de waarschuwing inzake NWI. Mede gelet daarop kwam het College tot het oordeel dat de overtreding als zodanig toerekenbaar was. Verweerster kon derhalve niet volstaan met het herhalen van de constatering dat Quinta bekend was met de waarschuwing inzake NWI;

- verweerster presteert het om nu weer te verwijzen naar het antecedent inzake ES Ned. Dit is wel zeer vreemd nu vaststaat dat verweerster destijds het standpunt innam dat de groenproducten van ES Ned buiten de Wte 1995 vielen, hetgeen reden was om bij de eerste beslissing op bezwaar dit antecedent te laten vallen;

- nu het College heeft aangegeven dat verweerster dient aan te geven welke betekenis toekomt aan de omstandigheid dat het een eerste op zichzelf staand antecedent van een sedert 2002 ingeschreven onderneming was, die van vergunningplicht is vrijgesteld, kon verweerster niet volstaan met algemene opmerkingen over het belang dat (juist) cliëntenremisiers zich aan de wet houden;

- nu het College heeft geoordeeld dat het antecedent in NWP aan de bestuurders van Quinta is toe te rekenen, maar dat verweerster nog nader dient te heroverwegen in hoeverre ieder van de bestuurders een verwijt treft, kon verweerster zich er niet van afmaken door zonder nader onderzoek te overwegen dat het antecedent alle (toenmalig) bestuurders in gelijke zin raakte en dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] niet hebben aangetoond dat zij onwetend waren, dit terwijl onweersproken door eisers is gesteld dat [bestuurder 3] wat NWP betreft degene was die de kar heeft getrokken. In dit verband is ook niet van belang dat [bestuurder 2] als financieel directeur op de hoogte moet zijn geweest van de ontvangen provisies. Het gaat erom of [bestuurder 2] op dezelfde wijze was betrokken bij de transacties als [bestuurder 3] en of hem in gelijke mate kan worden verweten dat de wet is overtreden. Evenmin kan [bestuurder 1], die er onbetwist pas in een laat stadium bij was betrokken, worden verweten dat hij geen poging heeft gedaan om de zaken achteraf terug te draaien. Zodra [bestuurder 1] duidelijk werd welke problemen speelden bij NWP heeft hij nadrukkelijk aangegeven dat geen nieuwe cliënten meer mochten worden aangebracht bij NWP;

- indien gekeken wordt naar de ‘VPV-zaak’ gaat de vergelijking met de derde bestuurder in die zaak zeker op. Die had als statutair bestuurder ook kennis van de litigieuze transacties in de houdstermaatschappijen. Juist in die zaak heeft verweerster zeer duidelijk onderscheid gemaakt tussen de rol van de verschillende bestuurders bij de vraag welke bestuurders het veld dienden te ruimen. Door bij Quinta zonder nader onderzoek alle bestuurders wel over één kam te scheren maakt verweerster zich schuldig aan willekeur;

- anders dan verweerster heeft overwogen heeft de gemachtigde van eisers de schade wel degelijk cijfermatig onderbouwd, met dien verstande dat hij terecht heeft opgemerkt dat ook hier een onderzoeksplicht op verweerster rust. Ook hebben eisers de opzeggingsbrief van SNS Bank N.V. overgelegd;

- verweerster heeft de gevolgen van het negatieve betrouwbaarheidsoordeel jegens [bestuurder 1] en [bestuurder 2] gebagatelliseerd. Er ligt wel degelijk een beroepsverbod voor onbepaalde tijd voor.

Namens eisers is de rechtbank verzocht niet alleen het beroep gegrond te verklaren maar ook om zelf in de zaak te voorzien en voorts verweerster te veroordelen in de proceskosten.

2.4. Nadere standpunten van verweerster

In het verweerschrift is onder meer nog aangevoerd dat:

- in de Advieswijzer van Quinta, zoals gepubliceerd op haar op 7 juli 2006 gedownloade website www.quintabv.nl nog immer staat vermeld dat zij beschikt over een vrijstelling van verweerster om als cliëntenremisier op te treden voor Dexia Bank Nederland N.V., SNS Bank N.V., Delta Lloyd Bank Nederland N.V. en Vastgoed Fundament Fonds N.V.. Dit getuigt niet bepaald van een zorgvuldige bedrijfsvoering door Quinta;

- eisers het principe van collectief bestuur miskennen. Alle bestuursleden zijn verantwoordelijk voor een adequate interne en administratieve organisatie en interne controle van de onderneming. Daartoe behoort dat zij allen ervoor zorg dragen dat de onderneming blijft binnen de perken van de toepasselijke vrijstelling;

- met betrekking tot de ernst van de overtreding niet van belang is of het aandeel van de bemiddeling in NWP-producten in de totale omzet van Quinta al dan niet beperkt is, maar dat Quinta met 67 aangebrachte cliënten met afstand de remisier is geweest die de meeste klanten bij NWP heeft aangebracht;

- verweerster wel oog heeft gehad voor de rol van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] door te overwegen dat beiden op de hoogte waren van de provisie-inkomsten en van de waarschuwing inzake NWI, terwijl niet is gebleken dat zij hebben getracht de illegale activiteit te voorkomen, te stoppen of de gevolgen daarvan recht te zetten of te beperken;

- anders dan eisers stellen, het College verweerster niet de opdracht heeft gegeven vast te stellen of sprake is van boos opzet dan wel van een beoordelingsfout, maar om, indien sprake zou zijn van een beoordelingsfout zoals eisers hebben aangevoerd, na te gaan wat daar in het licht van de Beleidsregel het gevolg van behoort te zijn. In dit verband heeft verweerster aangenomen dat geen sprake was van boos opzet, maar dat wel vaststaat dat eisers bewust het risico hebben genomen van een ernstige overtreding van artikel 7 van de Wte 1995, temeer daar eisers bekend waren met de waarschuwing inzake NWI;

- verweerster met betrekking tot de belangenafweging heeft overwogen dat een groot aantal beleggers is gedupeerd voor een aanzienlijk bedrag, dat de wijze waarop eisers het antecedent trachten te marginaliseren slecht de twijfel aan de betrouwbaarheid onderstreept, dat de met de doorhaling gemoeide belangen van Quinta, gelet op onder meer de eerdere verliesgevende jaren 2003 en 2004, het (destijds) negatieve eigen vermogen van Quinta en de meer recentere positieve toekomstverwachtingen van Quinta ondanks de doorhaling, beperkt lijken te zijn, dat verweerster onvoldoende inzicht heeft in de verhouding tussen kosten en omzet van Quinta om de financiële schade die Quinta lijdt te kunnen vaststellen en dat het [bestuurder 1] en [bestuurder 2] vrijstaat een andere betrekking in de financiële wereld te vinden, zij het niet een leidinggevende functie;

- de vergelijking met de aanwijzingen in verband met de ‘VPV-zaak’ niet opgaat;

- verweerster een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt, zodat het bestreden besluit eerst voor vernietiging in aanmerking komt indien verweerster niet in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen op grond van de thans gegeven motivering.

Ter zitting is van de zijde van verweerster benadrukt dat er geen enkele reden is om eisers het voordeel van de twijfel te gunnen nu Quinta nog immer gebruik maakt van een misleidende Advieswijzer op haar website, die ook na het verweerschrift nog niet is aangepast en dat dit, tezamen met de opmerkingen van de gemachtigde van eisers met betrekking tot de redelijkheid van het gebruik maken van een constructie waarbij de minimuminleg € 50.000,- bedraagt, zoals inzake NWP-producten is gebeurd, teneinde de prospectusplicht te ontlopen, twee nieuwe antecedenten naast die inzake NWP oplevert.

2.5. Nadere standpunten van eisers

Ter zitting is van de zijde van eisers onder meer aangevoerd dat:

- niet alleen de verwijzing in het bestreden besluit naar de bemiddeling in ES Ned producten als zijnde een eerder antecedent ongepast is, maar dat verweerster juist haar eerdere informatievoorziening inzake de groenproducten van ES Ned had dienen te betrekken bij de beoordeling van de mate waarin eisers een verwijt inzake het antecedent inzake NWP gemaakt kan worden. Juist die eerdere verkeerde informatievoorziening geeft aan dat verweerster eerder ook dwaalde omtrent de vraag of bij dergelijke producten sprake was effecten;

- de zwakke vermogenspositie van Quinta niets afdoet aan de schade die zij lijdt en heeft geleden vanwege de doorhaling. Het directe omzetverlies door het wegvallen van producten van SNS Bank N.V. is reeds € 750.000,-. Quinta heeft door sterke inkrimping tot op heden aan faillissement weten te ontkomen. Zo is [bestuurder 2] noodgedwongen teruggetreden als bestuurder en heeft hij een eigen automatiseringsbedrijf opgestart;

- de beoordelingsvrijheid die verweerster hier claimt aanzienlijk ingeperkt is door de overwegingen van het College terzake het verrichten van een nieuwe heroverweging;

- de ter zitting van de zijde van verweerster nieuw opgeworpen antecedenten - wat daar verder van zij - geen grondslag kunnen vormen voor het bestreden besluit. In casu staat ter beoordeling of de bestuurders van Quinta ten tijde van de primaire doorhaling een negatief betrouwbaarheidsoordeel ten deel dienden te vallen.

2.6. Beoordeling

Het geschil spitst zich toe op de vragen of verweerster bij het nemen van het bestreden besluit heeft voldaan aan de motiveringseisen die het College met de uitspraak tussen partijen van 28 april 2006 heeft gesteld aan een handhaving van de doorhaling van Quinta als cliëntenremisier, en zo ja, of het bestreden besluit overigens niet in stand kan blijven.

De rechtbank stelt in dit verband - onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 juli 2005 (LJN: AU0343, JOR 2005/249) - bij haar beoordeling voorop dat indien de bestuursrechter een besluit vernietigt en daarbij al dan niet expliciet het bestuursorgaan opdracht geeft opnieuw een beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak, artikel 8:72, vierde lid, tweede zinsdeel, van de Awb, en het daarin besloten liggende beginsel van rechtszekerheid er aan in de weg staat dat het bestuur in alle vrijheid opnieuw beslist. Het gezag van gewijsde van een uitspraak ziet - anders dan de rechtskracht van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb - dan ook niet alleen op het dictum van de uitspraak, maar ziet tevens op de dragende overwegingen van die uitspraak.

Met de in rubriek 2.1. van deze uitspraak geciteerde overwegingen uit de uitspraak van het College van 28 april 2006 staat vast dat Quinta artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 heeft overtreden door cliënten aan te brengen voor de producten ProfitPlan en Profitplan Plus van NWP. Voorts staat met die geciteerde overwegingen vast dat deze overtreding is toe te rekenen aan eisers. In dit verband is door het College - samengevat - overwogen dat het oordeel van de rechtbank, dat niet zonder meer duidelijk is dat de producten van NWP zijn te kwalificeren als effecten en dat het op de weg van eisers lag hierover contact met verweerster op te nemen, dit temeer gelet op de gelieerdheid van die producten met de producten van NWI, onbestreden is. Op eisers rustte aldus een onderzoeksplicht om duidelijkheid te verkrijgen over het antwoord op de vraag of het aanbieden van de NWP-producten binnen de grenzen van de vrijstelling van Quinta ligt. In die onderzoeksplicht zijn zij volgens het College tekortgeschoten.

Met betrekking tot de consequenties die hieraan kunnen worden verbonden heeft het College onder meer overwogen dat de rechtbank ten onrechte op basis van de aan het besluit van 30 september 2005 ten grondslag liggende motivering ervan is uitgegaan dat verweerster, wanneer alleen nog het antecedent NWP aan de orde zou zijn, tot geen ander besluit zou kunnen komen dan doorhaling van de inschrijving in het register. In dit verband is niet alleen van belang dat verweerster zelf bij het nemen van het besluit van 30 september 2005 grote waarde heeft toegekend aan het antecedent Vastgoed - welk antecedent de rechtbank heeft verworpen -, maar voorts dat in dit geval het oordeel van verweerster dat de betrouwbaarheid van de bestuurders van Quinta niet buiten twijfel staat, leidt tot doorhaling van de registerinschrijving van Quinta. De beslissing dat hiervan sprake is, heeft naar zijn aard derhalve ver strekkende gevolgen voor de betreffende instelling en de bestuurders. Dit betekent dat de motivering, in het bijzonder die aangaande het gewicht dat toekomt aan de belangen die de toezichthouder ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregel bij zijn oordeelsvorming betrekt, aan hoge eisen dient te voldoen. Het College acht het dan ook geenszins uitgesloten dat verweerster, het toezichtsantecedent NWP opnieuw, maar dan op zichzelf beoordelende, tot de slotsom komt dat voor doorhaling van de inschrijving geen plaats is, dan wel dat de bestuursrechter, wanneer deze kennis neemt van een doorhalingsbesluit, gebaseerd op een door verweerster gegeven nadere motivering, waarin de relevante overwegingen toegespitst op het NWP-antecedent voldoende kenbaar en dus toetsbaar zijn neergelegd, uiteindelijk tot de slotsom komt dat deze onvoldoende dragend zijn voor een oordeel dat leidt tot een zo ingrijpende maatregel als doorhaling van de inschrijving in het register.

Bij het geven van de opdracht aan verweerster tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar heeft het College overwogen dat:

- de eventuele handhaving van de doorhaling aan hoge eisen dient te voldoen;

- verweerster bij de heroverweging de onderscheiden belangen en verbanden zichtbaar betrekt;

- verweerster daarbij - nu door het wegvallen van het Vastgoed-antecedent het aanvankelijke verwijt dat eisers reeds gewaarschuwd waren en toch doorgingen, lijkt te zijn ontvallen - in ieder geval dient te betrekken in hoeverre thans nog al dan niet aan de orde is dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2], zoals zij betogen, geen boos opzet hadden maar min of meer gedwaald hebben omtrent de regels en in die zin sprake is van een beoordelingsfout, en zo dit laatste het geval is, wat daarvan in het licht van de Beleidsregel het gevolg van behoort te zijn;

- verweerster daarbij voorts moet betrekken in hoeverre betekenis toekomt aan de omstandigheden dat het een eerste en op zich zelfstaand antecedent is van een sedert 2002 ingeschreven onderneming, die van de vergunningplicht is vrijgesteld;

- verweerster daarbij ten slotte, met name ook gelet op het feit dat uit het bepaalde bij artikel 21, vijfde lid, van de Wte 1995 niet volgt dat in het geval van meerdere bestuurders een negatief betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van één van de beleidsbepalende personen zou moeten leiden tot doorhaling van de registerinschrijving, dient te betrekken of de toerekenbaarheid van het antecedent aan alle bestuurders de betrouwbaarheid van deze bestuurders in gelijke zin raakt, ongeacht de onderscheiden rol die zij daarbij hebben vervuld.

Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerster zich met het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekenschap heeft gegeven van deze dragende overwegingen van het College.

Het bestreden besluit bevat met betrekking tot de ernst die moet worden toegekend aan het NWP-antecedent niet veel meer dan een herhaling van hetgeen het College zelf heeft overwogen omtrent de toerekenbaarheid van het NWP-antecedent aan eisers, alsmede algemene overwegingen omtrent het belang van wetsgetrouwheid van cliëntenremisiers, terwijl uit de overwegingen van het College juist volgt dat daarmee nog zeker niet is gegeven dat verweerster daarop een negatief betrouwbaarheidsoordeel jegens de (toenmalige) bestuurders van Quinta, met als gevolg een doorhaling van Quinta, kan baseren.

Bovendien lijkt verweerster, door in het bestreden besluit te stipuleren dat er gelet op de eerdere bemiddeling voor producten van ES Ned in feite geen sprake is van een eenmalig antecedent, er niet aan te willen dat bij de heroverweging als uitgangspunt zal hebben te gelden dat eisers slechts het antecedent inzake NWP is aan te rekenen, waarbij bovendien uitgangspunt is dat die toerekening ziet op het zich onvoldoende informeren omtrent de kwalificatie van de betreffende producten van NWP, omdat onbestreden is dat niet op voorhand duidelijk is dat die producten als effecten kwalificeren. Het geeft naar het oordeel van de rechtbank voorts geen pas dat verweerster wederom zoveel nadruk legt op de waarschuwing inzake NWI, temeer niet nu zij nalaat op enigerlei wijze in de herbeoordeling te betrekken dat haar publiekvoorlichting inzake vergelijkbare groenproducten van ES Ned nadien juist heeft bericht dat die niet onder de Wte 1995 vielen. Juist ook gelet op de overwegingen van het College dat verweerster diende in te gaan op de stelling van eisers dat geen sprake was van boos opzet, lag het naar het oordeel van de rechtbank alleszins in de rede dat verweerster deze kwestie in haar herbeoordeling zou betrekken.

Met betrekking tot de vraag in welke mate het antecedent vervolgens aan ieder van de betrokken bestuurders kan worden toegerekend is verweerster niet verder gekomen dan de overwegingen dat alle (toenmalige) bestuurders op de hoogte waren van de provisie die Quinta ontving van NWP en dat het aan hen in gelijke mate is toe te rekenen dat zij niet hebben ingegrepen. Juist daar waar het College heeft benadrukt dat het zeer wel mogelijk is dat een eventueel negatief betrouwbaarheidsoordeel niet iedere bestuurder raakt, lag het naar het oordeel van de rechtbank alleszins in de rede dat verweerster onderscheid zou hebben gemaakt tussen bestuurders die een actieve rol hebben gespeeld in de bemiddelingsactiviteiten voor NWP en die bestuurders die zich daarmee niet hebben bemoeid. Juist ook gelet op de omstandigheid dat het voor Quinta en haar bestuurders niet zonneklaar was dat Quinta met de bemiddelingsactiviteiten buiten haar vrijstelling trad, acht de rechtbank het temeer in de rede liggen dat verweerster dit onderscheid zou hebben gemaakt, zoals zij dat ook heeft gedaan in de ‘VPV-zaak’ waarover de rechtbank met haar uitspraak van 24 april 2006 (LJN: AW4545, JOR 2006/153) laatstelijk heeft geoordeeld.

Daar onbestreden is dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] niet de initiatoren zijn geweest inzake de bemiddeling voor NWP en daarin - anders dan [bestuurder 3] - ook geen feitelijke rol in hebben gespeeld, is de rechtbank gelet op vorenstaande overwegingen van oordeel dat, voorzover het NWP-antecedent al reeds op zichzelf voldoende grond zou kunnen opleveren voor een negatief betrouwbaarheidsoordeel jegens één of meer (toenmalige) bestuurders - hetgeen de rechtbank thans betwijfelt -, heeft te gelden dat dit negatieve betrouwbaarheidsoordeel niet de huidige bestuurders van Quinta zou mogen raken. Nu [bestuurder 3] reeds ten tijde van het primaire doorhalingsbesluit was teruggetreden, was er naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende aanleiding tot het doorhalen van Quinta.

Het bestreden besluit kan derhalve wegens strijd met de wet niet in stand blijven en komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is derhalve gegrond.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb - doende hetgeen verweerster had behoren te doen - het primaire doorhalingsbesluit van 3 juni 2005 te herroepen. De rechtbank vertrouwt er op dat verweerster zal zorgdragen voor opname van Quinta in het register als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wte 1995 alsof geen doorhaling heeft plaatsgehad.

Zij overweegt in dit verband dat het gelet op de voorgeschiedenis, de uitspraak van het College en de motivering van het bestreden besluit niet reëel is te verwachten dat verweerster aan de hand van nader onderzoek zal kunnen komen tot een nieuwe gemotiveerde heroverweging strekkende tot handhaving van de doorhaling die wel de hier aan te leggen rechterlijke toets zal kunnen doorstaan. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de ter zitting van de zijde van verweerster nieuw opgeworpen antecedenten - wat daar verder van zij - geen grondslag kunnen vormen voor het andermaal handhaven van de doorhaling. In dit geschil staat immers ter toetsing of de bestuurders van Quinta ten tijde van de primaire doorhaling een negatief betrouwbaarheidsoordeel ten deel diende te vallen.

Nu verweerster door de gemachtigde van eisers op de hoorzitting - die plaatsvond na de uitspraak van het College, maar voorafgaande aan het bestreden besluit - is verzocht om de proceskosten te vergoeden, hetgeen de rechtbank zal opvatten als een verzoek om toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb met betrekking tot de kosten die zijn gemaakt met de verschijning van de gemachtigde van eisers op die hoorzitting, terwijl ook in beroep is verzocht om een proceskostenvergoeding, hetgeen de rechtbank zal beschouwen als een verzoek om tevens toepassing te geven aan artikel 8:75, eerste lid, tweede zin, van de Awb, zal de rechtbank zich tevens dienen te buigen over de vraag of herroeping van de doorhaling plaats heeft wegens aan verweerster te wijten onrechtmatigheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is die herroeping die thans plaatsvindt, maar reeds eerder had dienen plaats te vinden, in overwegende mate het gevolg van aan verweerster te wijten onrechtmatigheid. Zij neemt in dit verband in aanmerking dat het primaire doorhalingsbesluit dat op twee antecedenten was gebaseerd, met name geen stand houdt omdat in de eerste bezwaarprocedure het antecedent inzake ES Ned is komen te vervallen om redenen die in de risicosfeer van verweerster liggen. Het was immers haar publieksvoorlichting die onjuiste mededelingen heeft gedaan inzake de kwalificatie van de betrokken groenproducten. Dat bij die eerste heroverwegingsronde een ander antecedent naar voren kwam kan verweerster, gelet op de overwegingen in de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2006 terzake het antecedent Vastgoed, niet baten. Nu slechts het antecedent inzake NWP resteerde, welk antecedent op zichzelf zeker ernstig is, maar dat verweerster gelet hetgeen hiervoor is overwogen niet tot die doorhalingsbeslissing had mogen brengen, moet de herroeping van het besluit van 3 juni 2005 worden toegerekend aan verweerster.

De rechtbank ziet aldus aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de be-han-deling van het bezwaar en het beroep na de uitspraak van het College redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 966,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit hetgeen in dit geval inhoudt dat het besluit van 3 juni 2005 wordt herroepen,

bepaalt dat verweerster aan eisers het betaalde griffierecht van € 281,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 966,- en wijst haar aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten als voorzitter en mr. J.M. Hamaker en mr. C. Vogtschmidt als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Belanghebbenden - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.