Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY7347

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2006
Datum publicatie
04-09-2006
Zaaknummer
683050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een bank vordert van haar clienten betaling van achterstallige hoofdsom, in het kader van een geldlening, en achterstallige rente. Omdat de rentevordering, ook na gevraagde specificatie, niet duidelijk is, oordeelt de kantonrechter dat deze niet zal worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

VONNIS

in de zaak van

de naamloze vennootschap

N.V. NATIONALE VOLKSBANK,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: F.H.M. Bazuin te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde I],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 1,

die niet heeft gereageerd en

2. [gedaagde II],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. D.C.E. Timmermans te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als Nationale Volksbank respectievelijk [gedaagde I] en [gedaagde II].

1. Het verdere verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van 8 juni 2006, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- akte van de zijde van Nationale Volksbank, tevens houdende vermindering van eis, met producties;

- akte van de zijde van [gedaagde II].

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. Bij eerdergenoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat de specificatie, die Nationale Volksbank bij conclusie van repliek in het geding had gebracht, de nodige vraagtekens opriep. Deze zijn in dit vonnis nader uiteengezet.

2.2. Nationale Volksbank is verzocht om opheldering te verschaffen over de in het vonnis gestelde vragen en ook is haar uitdrukkelijk verzocht om een hernieuwde specificatie in het geding te brengen waaruit duidelijk de omvang van haar vordering zou blijken en hoe zij de betalingen van [gedaagde II] had verwerkt.

Bij akte na tussenvonnis heeft Nationale Volksbank een poging gedaan om licht op de zaak te werpen, maar haar nadere uiteenzetting en de daarbij in het geding gebrachte producties, maken de zaak echter nog ondoorzichtiger dan deze reeds was.

2.3. In het tussenvonnis is onder meer de vraag gesteld waarom over de periode van

5 januari 2000 tot en met 4 juli 2001 niet is berekend welk bedrag aan rente telkens verschenen was op de data dat [gedaagde II] € 22,69 betaalde.

Naar zeggen van Nationale Volksbank zijn de overzichten van deze berekeningen niet bewaard en heeft zij alsnog een herberekening gemaakt.

Deze herberekening gaat uit van een per 8 januari 1999 verschuldigd bedrag van

€ 1.594,53, een rentepercentage van 4 en een eerste betaling van € 22,69 op 5 januari 2000 (362 dagen).

Het kan dan ook niet juist zijn dat de berekening van de rente per 5 januari 2000 uitkomt op € 94,89, hetgeen immers aanmerkelijk meer is dan 4%;

Vanaf januari 2000 tot en met juli 2001 betaalde [gedaagde II] maandelijks een bedrag van € 22,69. Na twee, hooguit drie betalingen, was - wanneer uitgegaan wordt van de uitgangspunten die Nationale Volksbank aan haar herberekening ten grondslag heeft gelegd - alle reeds toen verschenen rente betaald en zou na deze twee of drie betalingen de hoofdsom lager moeten zijn dan het bedrag waarvan Nationale Volksbank is uitgegaan als verschuldigd per 8 januari 1999. In de herberekening echter neemt de hoofdsom pas af na de zevende betaling.

Ook de berekeningen van hetgeen na aftrek van de betaling aan hoofdsom nog verschuldigd zou zijn, kloppen niet. Bij wijze van voorbeeld wordt de betaling van

5 maart 2001 genomen. Volgens het overzicht was toen aan hoofdsom € 1.488,75 verschuldigd en was over de voorafgaande 28 dagen € 9,06 aan rente verschenen. Dit betekent dat de hoofdsom teruggebracht had moeten worden met (€ 22,69 - € 9,06)

€ 13,63, terwijl deze in de herberekening is teruggebracht met € 12,25 (tot € 1.476,50).

€ Overigens blijkt uit de verder in het geding gebrachte bescheiden dat het bedrag van € 1.594,53 is opgebouwd uit een hoofdsom van € 3.452,16 en een op 9 juli 1993 aan rente verschenen bedrag van € 161,66. Dit betekent dat dus rente over rente is berekend.

Samengevat komt het er dus op neer dat de herberekening op diverse fronten onjuist is en dus een ondeugdelijke onderbouwing oplevert van de renteverplichtingen van [gedaagde II] over genoemde periode.

2.4. De (vroegere) incassogemachtigde van Nationale Volksbank is op 1 augustus 2001 op een ander computersysteem overgegaan. Waar Nationale Volksbank spreekt van ‘conversiedatum’ blijkt daarmee niet méér bedoeld dan de omschakeling op het nieuwe computersysteem.

In de herberekening van de verschenen rente over de periode van 8 januari 1999 tot en met 4 juli 2001 komt Nationale Volksbank uit op een totaal aan rente verschenen bedrag van € 255,99. In de specificatie van haar vordering, die Nationale Volksbank bij repliek in het geding had gebracht, wordt een bedrag aan ‘rente op conversiedatum’ genoemd van € 238,30.

Nationale Volksbank stelt thans dat het verschil tussen de door haar herberekende rente per 4 juli 2001 een verschil van € 17,69 oplevert met het eerder genoemde bedrag dat aan rente op conversiedatum was verschenen en stelt dat dit verschil ‘waarschijnlijk de oorzaak is van ‘afrondingsverschillen’. De kantonrechter echter houdt het erop dat de herberekening op een veel te hoog bedrag uitkomt en dat bij het hanteren van de uitgangspunten die aan de herberekening ten grondslag zijn gelegd, ook het bedrag aan verschenen ‘rente op conversiedatum’ veel te hoog is, nu het aan rente (her)berekende bedrag per 5 januari 2001 reeds ruim € 30,= te hoog is.

2.5. Naast opheldering over het bedrag dat aan rente per conversiedatum in de bij repliek overgelegde specificatie was genoemd (€ 238,30), is tevens opheldering verzocht over het per conversiedatum aan ‘vertragingsrente’ opgenomen bedrag ad € 940,53.

Uit de nadere toelichting die Nationale Volksbank hierop heeft gegeven, blijkt het te gaan over de verschuldigde rente over de periode van 16 juli 1993 tot en met 8 augustus 1999.

Ter staving van de verschuldigdheid van dit bedrag verwijst Nationale Volksbank naar:

- een renteberekening over de periode van 16 juli 1993 tot en met 14 april 1996, die uitkomt op een bedrag van € 1.778,47 (€ 807,03)

en

- een brief van de vorige incassogemachtigde van 15 juli 1998, waarin is opgenomen dat de tot 15 juli 1998 verschenen rente € 1.824,50 (€ 827,92) bedraagt.

Verder stelt zij dat de rente over de periode van 15 juli 1998 tot en met 8 augustus 1999 uitkomt op een bedrag van € 39,25.

2.5.a. De renteberekening die uitkomt op € 1.778,47, vermeldt slechts bedragen aan rente en het in rekening gebrachte rentepercentage.

De eerste twee regels van dit overzicht luiden:

van 16-07-1993 tot 11-08-1993: (bedrag) € 30,87 (rentepercentage:) 10,00

van 11-08-1993 tot 11-09-1993: € 41,18 10,00

Ook deze renteberekening kan niet kloppen:

De hoofdsom op 16 juli 1993 beliep € 3.452,16. De rente over 26 dagen is dan aanmerkelijk minder dan het door Nationale Volksbank berekende bedrag van € 30,87.

Omrekening leert dat bij een rentepercentage van 10 een bedrag aan rente over 26 dagen van € 30,87, uitkomt op een hoofdsom van € 4.333,67 (30,87:26 x 365 x 10). Dit bedrag komt nergens in de stukken voor. Wanneer ook het in de tweede regel genoemde bedrag wordt omgerekend naar de hoofdsom, dan blijkt het zelfs te gaan om een bedrag van

€ 4.848,61 (41,18:31 x 365 x 10), waarmee de hoofdsom in 31 dagen tijd met een bedrag van maar liefst ruim € 500,= zou zijn toegenomen.

2.5.b. In de brief van de vorige incassogemachtigde van 15 juli 1998 is het volgende opgenomen:

saldo per 15-07-1998 € 3.513,88

vertragingsrente volgens opgave opdrachtgever € 161,66

rente van 16-07-1993 tot 15-07-1998 € 1.824,50.

Nog afgezien van het feit dat in het bedrag van € 3.513,88 het bedrag van € 161,66 reeds verdisconteerd is, gaat de kantonrechter ervan uit dat het in deze brief genoemde bedrag van € 1.824,50 voortbouwt op de door deze incassogemachtigde geproduceerde renteberekening over de periode van 16 juli 1993 tot en met 14 april 1996, die, zoals reeds is overwogen, ondeugdelijk is.

2.5.c. Zoals reeds gezegd, stelt Nationale Volksbank slechts dat over de periode van

15 juli 1998 tot en met 8 augustus 1999 aan rente € 39,25 verschenen is.

Hoe Nationale Volksbank aan dit bedrag komt, is niet duidelijk. Overigens geldt dat een gedeelte van deze periode samenvalt met de periode waarover de rente door Nationale Volksbank is herberekend (deze herberekening ziet immers op de periode van 8 januari 1999 tot en met 4 juli 2001), zodat het ernaar uitziet dat over de overlappende periode van 8 januari 1999 tot en met 8 augustus 1999 rente dubbel in rekening wordt gebracht.

2.6. In eerdergenoemd tussenvonnis van 8 juni 2006 is de vraag gesteld of de in rekening gebrachte rente het toegestane maximum aan in rekening te brengen rente overschrijdt.

Nationale Volksbank heeft hierover weliswaar gesteld dat de vorige incassogemachtigde slechts de wettelijke rente in rekening heeft gebracht en dat de huidige incassogemachtigde het overeengekomen rentepercentage hanteert; de renteberekening echter over de periode van 16 juli 1993 tot en met 14 april 1998 oogt weliswaar alsof over die periode slechts de wettelijke rente in rekening is gebracht, maar terugrekening naar de hoofdsom levert - niet alleen in het onder 2.5.a. gegeven voorbeeld - een heel ander beeld op.

2.7. Al met al is de rentevordering van Nationale Volksbank ondeugdelijk onderbouwd, terwijl uitdrukkelijk om een specificatie was verzocht waaruit duidelijk de omvang van haar vordering blijkt en waaruit is af te leiden hoe de betalingen van [gedaagde II] zijn verwerkt.

2.8. Gelet op deze ondeugdelijke onderbouwing van de rentevordering, zal slechts de gevorderde hoofdsom worden toegewezen. Hierop zal het inmiddels door [gedaagde II] betaalde bedrag van € 150,= in mindering worden gebracht.

Nationale Volksbank stelt weliswaar dat [gedaagde II] niet twijfelt aan de juistheid van de hoogte van de vordering nu zij een betalingsregeling heeft getroffen, maar hierbij ziet Nationale Volksbank eraan voorbij dat [gedaagde II] erkent nog gelden aan Nationale Volksbank verschuldigd te zijn, maar de hoogte van de vordering steeds in twijfel heeft getrokken.

2.9. Nu partijen over en weer voor een gedeelte in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van de procedure in na te melden zin worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde II] en [gedaagde I] hoofdelijk tot betaling van € 734,13 (zegge: zevenhonderdvierendertig euro en dertien cent), vermeerderd met de overeengekomen rente ad 18,9% per jaar over € 884,14 vanaf 21 november 2005 tot de datum waarop € 150,= is voldaan en vanaf die datum over € 734,13 tot de dag der volgende betaling en zo vervolgens tot de gehele vordering zal zijn voldaan;

- verstaat dat het totaal verschuldigde door [gedaagde II] voldaan mag worden in maandelijkse termijnen van € 150,=;

- compenseert de kosten van de procedure in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W.M. Dekkers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.