Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY7035

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
29-08-2006
Zaaknummer
234994 / HA ZA 05-874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over het eigendomsrecht op een schilderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 234994 / HA ZA 05-874

Uitspraak: 26 juli 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

STICHTING MARIëNSTAETE,

gevestigd te Warmond,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag,

- tegen -

[A sr],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. B.J.R. van Tongeren,

advocaat mr. M.C.L. Hattinga Verschure te Den Haag,

[A jr],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr B.J.R. van Tongeren,

advocaat mr. M.C.L. Hattinga Verschure te Den Haag,

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur en advocaat mr. G.E. Toxopeus,

[C]

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie (na voeging),

procureur: mr. A.C. de Klerk.

Partijen worden hierna aangeduid als "Mariënstaete" respectievelijk "[A sr.]", “[A jr.]”, “[B]” en “[C]”.

1. Het verloop van het geding

- proces-verbaal van het op 13 januari 2005 gehouden voorlopig

getuigenverhoor alsmede de daaraan ten grondslag liggende beschikking;

- dagvaardingen d.d. 2 maart 2005 en de overgelegde producties;

- conclusie van antwoord van [A sr.] en [A jr.] in conventie, tevens

conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties;

- conclusie van antwoord van [B] in conventie, tevens conclusie van eis

in voorwaardelijke reconventie;

- tussenvonnis inzake een incident van voeging van deze rechtbank d.d. 17

augustus 2005, waarbij [C] is toegestaan zich aan de zijde van

Streur c.s. en [B] te voegen in de hoofdzaak met de daaraan ten grondslag

liggende stukken;

- conclusie van antwoord van [C] in conventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie aan de zijde van Marienstaete, tevens

conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met productie;

- conclusie van dupliek aan de zijde van [A sr.] en [A jr.] in conventie,

tevens conclusie van repliek in reconventie;

- conclusie van dupliek aan de zijde van [B] in conventie, tevens conclusie

van repliek in voorwaardelijke reconventie

- conclusie van dupliek in conventie aan de zijde van [C], met

producties;

- conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie aan de zijde van

Mariënstaete;

1.2

- de aan het gelegde conservatoir beslag tot afgifte van het schilderij ten

grondslag liggende stukken.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 19 april 1996 heeft [X], een toenmalig medewerker van Mariënstaete, een schilderij voorstellende “Romeinse krijgslieden met geketende slaven”, dat zich in het gebouw van Mariënstaete bevond, hierna te noemen het schilderij, afgegeven aan H.[Y], een handelaar in oud ijzer en antiek.

2.2

[X] heeft het schilderij afgegeven aan [Y] hoewel hij wist, dat hiervoor toestemming van de directie van Mariënstaete was vereist.

2.3

[X] heeft [Y] op de hoogte gesteld van het feit dat genoemde toestemming was vereist. [Y] heeft het schilderij in ontvangst genomen zonder zich ervan te vergewissen dat de betreffende toestemming ook daadwerkelijk was verleend.

2.4

Op 18 mei 1996 verscheen in dagblad “De Telegraaf” een artikel over het schilderij, waarin de volgende passage staat vermeld: “De oud-ijzerhandelaar is geenszins van plan het doek terug te brengen. ‘Gedane zaken nemen geen keer’, zo luidt zijn devies. Hij wil het inmiddels veilig opgeborgen schilderij, snel verkopen. ‘Ik zit in het oud ijzer, van kunst heb ik geen verstand’.”

2.5

Op 4 juni 1996 heeft de president van de rechtbank in kort geding geoordeeld dat [Y] te kwader trouw is geweest en hem veroordeeld tot het verlenen van volledige medewerking aan het terugbrengen van het schilderij in het bezit van Mariënstaete. Het kort geding vonnis is door het Hof bekrachtigd.

2.6

Op 4 februari 2005 heeft de rechtbank Mariënstaete verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op het schilderij. Het schilderij is op 24 februari 2005 in een kluis bij ABN-AMRO te Rotterdam in beslag genomen.

3. De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ook voor wat betreft de kosten voor recht te verklaren dat het schilderij aan Mariënstaete in onbezwaard eigendom toebehoort en deswege door de bewaarder aan haar behoort te worden afgegeven en met veroordeling van ieder der gedaagden in de kosten van dit geding, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor inclusief griffierecht en exploit kosten, alle beslagkosten, het bewaarloon inclusief verschotten vanaf 24-02-2005 tot aan de dag van afgifte van het schilderij aan Mariënstaete daaronder begrepen, des dat één gedaagde betaald hebbende, de anderen zullen zijn gekweten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Mariënstaete aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Mariënstaete is eigenaresse van het schilderij. Het schilderij behoort tot haar culturele erfgoed. Het is sinds mensenheugenis in het bezit van Mariënstaete geweest.

3.2

Op 19 april 1996 heeft Mariënstaete onvrijwillig het bezit van het schilderij verloren, doordat [X], een voormalig medewerker, zonder daarvoor toestemming te hebben gevraagd aan de directie, het schilderij aan de Haagse handelaar in ongeregelde goederen H. [Y] heeft afgegeven.

3.3

Op het verzoek het schilderij terug te geven heeft [Y] afwijzend gereageerd, stellende dat hij het schilderij had gekocht.

3.4

[A sr.] heeft het schilderij verkregen van een beschikkingsonbevoegde te kwader trouw, te weten [Y] en is ook zelf te kwader trouw, omdat [Y] hem informatie heeft verstrekt over de wijze waarop deze de feitelijke macht over het schilderij heeft verkregen en omdat het artikel in de Telegraaf hem niet ontgaan kan zijn. Bovendien heeft [A sr.] onder valse naam de bespreking op 5-01-2004 bij Mariënstate bijgewoond

3.5

Mariënstaete is tevens van mening dat ook de overige gedaagden te kwader trouw zijn, en derhalve niet beschermd dienen te worden, omdat via [A sr.] ook alle overige gedaagden op de hoogte zijn geweest van de wijze waarop [Y] aan het schilderij is gekomen.

4. Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Mariënstaete bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

[A sr.], [A jr.] en [B] en [C] hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Zij ontkennen, bij gebrek aan wetenschap, dat De Stichting Mariënstaete rechtsopvolgster onder algemene titel is van de Stichting Mariënhaven.

4.2

Niet kan worden vastgesteld, dat het schilderij ooit eigendom is geweest van de Stichting Mariënhaven. Immers, volgens de archivist [Z] is in de archieven en andere stukken met betrekking tot het klooster Mariënhaven niets over de herkomst van het schilderij gevonden, zodat het zeer de vraag is, of het schilderij uit dat voormalig klooster afkomstig is.

4.3

De goede trouw van [A sr.] blijkt uit het volgende. [A sr.] had van [Y] vernomen, dat [Y] aanvankelijk het schilderij niet kon kopen, omdat hierover eerst met de directie moest worden overlegd. Dat [A sr.] vervolgens later het schilderij van [Y] kon kopen, leidde bij [A sr.] tot de conclusie dat de bedoelde toestemming was gegeven. Ook de omstandigheid dat het schilderij was overgedragen door degene die [Y] als een woordvoerder van de directie beschouwde, heeft ertoe geleid dat [A sr.] op geen enkele wijze had kunnen vermoeden dat hij van een beschikkingsonbevoegde verkreeg en dat hij er dus terecht van is uitgegaan dat hij eigenaar van het schilderij was geworden.

4.4

Voor [A sr.] was er tevens geen enkele aanleiding om te weten of om te moeten vermoeden, dat [Y] hem wellicht niet geheel naar waarheid zou hebben geïnformeerd. Voor [A sr.] was aan het schilderij zelf niet te zien dat het een veelvoud van de betaalde som ad f. 5000,-waard zou zijn, temeer omdat het schilderij niet gesigneerd en licht beschadigd was.

Bovendien hebben [A sr.] en [A jr.] beiden niet om niet verkregen.

4.6

[B] is benaderd door [A jr.] om voor de helft deel te nemen in het schilderij. [B] is op het moment van de aankoop door [A jr.] te goeder trouw geweest, aangezien hem geen omstandigheden bekend waren, op grond waarvan hij had kunnen weten dat [A sr.] van een eventueel beschikkingsonbevoegde zou hebben verkregen. Zelf heeft [B] [Y] nooit ontmoet.

4.7

[B] heeft [C] bij de zaak betrokken om te bemiddelen. Als dank heeft [C] de helft van het aandeel van [B] in het schilderij verkregen. [C] is te goeder trouw. Hij is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de verkoop van het schilderij door [X] aan [Y] in 1996. Hij heeft zelf de politie ingelicht over het feit dat hij wist waar het schilderij was.

4.8

Er is sprake van onafgebroken bezit van meer dan drie jaar, waardoor Streur jr [B] en [C] de rechten op het schilderij door verkrijgende verjaring hebben verkregen.

5. Het geschil in reconventie

De vordering van [A sr.], [A jr.] en [B] luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Mariënstaete te veroordelen tot vergoeding in de kosten, die door deze vanaf 30 april 1996 ten behoeve van het schilderij zijn gemaakt, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Mariënstaete in de kosten van het geding.

Mariënstaete heeft de vordering van [A sr.], [A jr.] en [B] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [A sr.], [A jr.] en [B] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

6. De beoordeling

in conventie

6.1

Partijen hebben een geschil over het eigendomsrecht op het schilderij. Teneinde dit geschil te beëindigen dient de rechtbank eerst de positie van Mariënstaete ten opzichte van het schilderij vast te stellen op het moment van het overgeven van het schilderij door [X] aan [Y] op 19 april 1996.

6.2

Partijen hebben niet betwist dat Mariënstaete op 19 april 1996 de feitelijke macht over het schilderij uitoefende. De vraag of Mariënstaete het schilderij voor zichzelf heeft gehouden wordt bepaald naar verkeersopvatting op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Om als bezitter te worden beschouwd is naast het vereiste van de feitelijke macht over het schilderij van belang dat Mariënstaete de wil heeft gehad om die macht voor zichzelf te houden. [A sr.], [A jr.], [B] en [C] hebben niet betwist dat zulks op en voorafgaand aan 19 april 1996 het geval was.

6.3

Op grond van artikel 3:109 BW bestaat het wettelijk vermoeden dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden, dus bezitter te zijn (artikel 3:107 BW). Op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn. Dit wettelijk vermoeden is weerlegbaar.

6.4

[A sr.], [A jr.], [B] en [C] hadden het wettelijk vermoeden kunnen weerleggen door feiten en of omstandigheden naar voren te brengen, op grond waarvan zij (of een ander) in de periode op en voorafgaand aan 19 april 1996 een sterker recht op het schilderij zouden hebben gehad. Nu zij zulks niet hebben gedaan, blijft het wettelijk vermoeden gehandhaafd, dat Mariënstaete tot 19 april 1996 de rechthebbende op het schilderij is.

6.5

Eerst zal de rechtbank haar oordeel geven over de vraag of [A sr.] als verkrijger te goeder trouw dient te worden beschouwd en of hij heeft verkregen anders dan om niet, op grond waarvan hij beschermd zou dienen te worden tegen de eventuele kwade trouw van [Y].

6.6

Goede trouw vereist niet alleen, dat de verkrijger niet wist van de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, maar ook dat hij, gelet op de feitelijke gang van zaken, diens beschikkingsonbevoegdheid redelijkerwijs niet behoefde te verwachten. Hierbij geldt dat van ieder een zekere mate van zorg mag worden verwacht teneinde een onjuiste voorstelling van zaken te voorkomen.

6.7

Op grond van artikel 3:118 lid 3 BW wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen. Op grond hiervan wordt [A sr.] vermoed te goeder trouw te zijn en dient Mariënstaete aan te tonen dat dit niet het geval is.

6.8

Met betrekking tot de goede trouw van [A sr.] heeft Mariënstaete de verkoop van het schilderij door [Y] aan [A sr.] in twijfel getrokken, door te stellen dat de verkoop door [Y] aan [A sr.] niet kan hebben plaatsgevonden op grond van hetgeen [Y] in een artikel in de Telegraaf d.d. 16 mei 1996 gezegd zou hebben. In dit artikel bracht [Y] naar voren het schilderij nog in zijn macht te hebben en kondigde aan het schilderij zo snel mogelijk te willen verkopen. De rechtbank stelt vast dat het hier niet gaat om een uitlating van [A sr.] zelf maar om een interview dat is afgegeven door de verkoper van het schilderij. Bovendien is onduidelijk in hoeverre de verslaggever het gezegde juist heeft weergegeven en evenzeer wanneer een en ander precies zou zijn gezegd. De rechtbank overweegt dat op grond van de bovengenoemde omstandigheden het artikel in de Telegraaf onvoldoende aanknopingspunt biedt om vast te kunnen stellen dat [A sr.] te kwader trouw zou zijn. Mariënstaete stelt wel dat [Y] [A sr.] volledig van de gang van zaken omtrent de verkrijging van het schilderij zou hebben verteld, zodat, als al een werkelijke verkoop heeft plaats gehad (hetgeen Mariënstaete betwist) [A sr.] daarbij niet te goeder trouw was, maar deze stelling is gemotiveerd betwist. Mariënstaete zal dus hebben te bewijzen dat ofwel sprake is van een schijnverkoop als gevolg waarvan in het geheel geen eigendomsoverdracht heeft plaats gehad omdat die niet beoogd werd, ofwel dat [A sr.] niet te goeder trouw heeft verkregen.

6.9

Naast goede trouw vereist bescherming van de verkrijger van een onbevoegde op grond van artikel 3:86 lid 1 BW tevens, dat sprake is van verkrijging anders dan om niet. Hiertoe heeft [A sr.] de kwitantie in het geding gebracht, waarin is vermeld dat [Y] het schilderij aan [A sr.] heeft verkocht op 30-04-1996 voor de prijs van fl. 10.000,-. Mariënstaete heeft de echtheid van de kwitantie betwist, doch daaraan geen concrete feiten ten grondslag gelegd. In die situatie zal Marienstaete haar stellingen ook op dit punt hebben te bewijzen.

6.10

Als komt vast te staan, dat Mariënstaete het vermoeden dat [A sr.] het schilderij anders dan om niet te goeder trouw heeft verkregen, niet heeft kunnen weerleggen, kan tevens worden vastgesteld dat [A sr.] op grond van artikel 3:86 lid 1 BW beschermd dient te worden tegen de mogelijke onbevoegdheid van [Y]. Het antwoord op de vraag of [Y] zelf te goeder trouw het schilderij anders dan om niet heeft verkregen is in die situatie gezien de bovenstaande conclusie niet langer relevant.

6.11

Ten aanzien van de positie van [A jr.], [B] en [C] overweegt de rechtbank als volgt. Als Marienstaete slaagt in het hiervoor onder 6.8 of 6.9 bedoelde bewijs leidt dit ertoe dat de vraag of [A jr.], [B] en [C] te goeder trouw zijn niet langer relevant is. Immers, artikel 3:86 lid 1 BW is dan niet van toepassing en de vraag of zij al dan niet te goeder trouw hebben verkregen speelt in de verhouding tot Mariënstaete alleen een rol, als zij verkregen zouden hebben van een beschikkingsonbevoegde. De vordering van Mariënstaete ligt dan voor afwijzing gereed.

6.12

Indien Marienstaete er niet in slaagt meerbedoeld bewijs te leveren, dient wederom te worden getoetst aan de criteria van artikel 3:86 lid 1 BW. De rechtbank zal dan dienen vast te stellen of [A jr.], [B] en [C] om baat te goeder trouw hebben verkregen. Mariënstaete heeft ook hier gesteld dat er sprake is van een schijnverkoop, althans dat geen sprake is geweest van een overdracht anders dan om niet te goeder trouw.

6.12.1

Met betrekking tot het onderdeel van de stelling van Mariënstaete “verkrijging anders dan om niet” overweegt de rechtbank als volgt. [A jr.] en [B] hebben gesteld dat zij het schilderij hebben “overgekocht” van [A sr.] Echter beiden hebben geen details (bijvoorbeeld ten aanzien van de datum van de verkoop of de wijze van betaling) genoemd, geen bewijsstukken in het geding gebracht en ook overigens op geen enkele wijze feiten of omstandigheden naar voren gebracht, waaruit dit zou kunnen blijken. De rechtbank is daarom van oordeel dat zowel [A jr.] als [B] tegenover de betwisting onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat er aan hun zijde sprake is geweest van verkrijging anders dan om niet, zodat van bescherming geen sprake kan zijn. In dat geval ligt de vordering van Mariënstaete ten aanzien van [A jr.] en [B] voor toewijzing gereed.

6.12.2

Met betrekking tot het onderdeel van de stelling van Mariënstaete dat [A jr.] en [B] niet te goeder trouw zouden zijn, stelt de rechtbank vast dat deze vraag dus in dat geval niet van belang is.

6.13

De stelling van Mariënstaete dat er geen sprake van is, dat [C] zijn aandeel in het schilderij anders dan om niet zou hebben verkregen, heeft [C] betwist door te stellen dat hij vanwege zijn bemiddelingsactiviteiten in deze zaak als betaling danwel als dank de helft van het aandeel van [B] verworven heeft. Echter ook [C] heeft zijn stellingen, gelet op de betwisting van Mariënstaete, onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd door op geen enkele wijze feiten of omstandigheden naar voren te brengen die erop wijzen dat of wanneer een dergelijke afspraak is gemaakt en dat zijn bemiddelingsactiviteiten op geld waardeerbaar zijn geweest en zo ja, op hoeveel.

Bescherming van eventuele goede trouw is dan ook niet aan de orde. In dat geval ligt de vordering van Mariënstaete ook ten aanzien van hem voor toewijzing gereed.

in reconventie

De rechtbank, gezien het bovenstaande, houdt iedere verdere beslissing aan.

7. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

alvorens verder te beslissen,

laat Mariënstaete toe tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de transactie tussen [Y] en [A sr.] een schijnverkoop was, waarbij eigendomsovergang niet werd beoogd, dan wel dat Steur sr. om niet en/of niet te goeder trouw heeft verkregen;

bepaalt dat indien Mariënstaete dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Hofmeijer-Rutten.

bepaalt dat de procureur van Mariënstaete binnen twee weken na vonnisdatum opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden en dat de procureur van [A sr.], [A jr.], [B] en [C] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan hun zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T.Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.