Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY7034

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
29-08-2006
Zaaknummer
212397 / HA ZA 04-705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering gebaseerd op onrechtmatig handelen van Stad Rotterdam jegens eisers. Frauderende tussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 212397 / HA ZA 04-705

Uitspraak: 26 juli 2006

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. D.J.R.M. Braakenburg,

advocaat mr. B.F.Eblé te Haarlem,

- tegen -

de naamloze vennootschap LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ STAD ROTTERDAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.J.Hengeveld,

advocaat mr. L.M.Ebbekink te Rotterdam.

Partijen worden hierna ook aangeduid als "De [N.]", “[K.]”, (dan wel, eisers 1 en 2 tezamen, als dhr. en mw. De [N.]) “Van der [M.]” respectievelijk "Stad Rotterdam".

1. Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 19 februari 2004 en de door eisers overgelegde producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek tevens akte wijziging eis, met producties;

- conclusie van dupliek;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities respectieve-

lijk pleitnota;

- de brief d.d. 23 maart 2006, met producties, conform bij het pleidooi gemaakte afspraak;

- een brief d.d. 3 februari 2005 waarbij een stuk wordt gedeponeerd, alsmede de akte van depot d.d.4 februari 2005.

1.2

De rechtbank heeft geen acht geslagen op de brief van 23 maart 2006 en hetgeen daarbij gevoegd is voorzover dat meer of anders is dan bij gelegenheid van het pleidooi was afgesproken.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Assurantiekantoor E.E.[F.], een eenmanszaak van E.E.[F.] (hierna [F.]) was in de periode van 1995 tot april 2000 werkzaam als onafhankelijk assurantietussenpersoon.

Eisers waren klanten van [F.] en hadden via [F.] onder meer bij Stad Rotterdam diverse verzekeringen gesloten.

2.2

In de periode van mei 1995 tot en met 8 augustus 1999 hebben De [N.] en [K.] geldbedragen tot een totaal van hfl. 1.300.000,= gestort op de rekening van [F.], waarvan een gedeelte groot fl. 212.329,10 voor 1 juli 1999 en een bedrag van fl.943.000,= op 6 augustus 1999.

Na augustus 1999 heeft [F.] hfl. 100.000,= teruggestort.

2.3

Van der [M.] heeft op 2 juli 1999 een bedrag van fl. 320.000,= overgemaakt naar de rekening van [F.]. Daarvan is later (op 10 januari 2000) op haar verzoek fl.20.000,= teruggestort.

2.4

In januari 1998 heeft Stad Rotterdam [F.] schriftelijk bericht dat, als hij het aanzienlijke tekort in rekening-courant niet zou aanzuiveren, maatregelen genomen zouden worden, waaronder het intrekken van de portefeuillerechten en het omzetten van het agentschap op maatschappij-incasso. [F.] heeft het tekort toen aangezuiverd.

2.5

[F.] heeft op of omstreeks 2 juni 1999 tegenover (interne onderzoekers van) Stad Rotterdam bekend, dat hij had gefraudeerd en wel aldus, dat hij bij Stad Rotterdam gefingeerde aanvragen indiende voor levensverzekeringen (zog. spookpolissen), waarna hij de door Stad Rotterdam betaalbaar gestelde provisie incasseerde .

Tussen [F.] en Stad Rotterdam zijn op of omstreeks 7 juni 1999 afspraken gemaakt, ertoe strekkende dat [F.] de schade, die Stad Rotterdam had geleden als gevolg van deze frauduleuze handelingen van [F.], binnen 14 dagen zou vergoeden. Deze schade bedroeg hfl. 600.541,63.

In het kader van die afspraken en nadat beslag gelegd was ten laste van [F.] is door Stad Rotterdam het gehele bedrag in 1999 in gedeeltes ontvangen.

2.6

Stad Rotterdam heeft op of omstreeks 24 juni 1999 aan de haar bekende verzekerden, voor wie [F.] als tussenpersoon optrad, een brief gezonden, die voor zover thans van belang als volgt luidt:

“In overleg met uw assurantiebemiddelaar dhr. E.E.[F.] is besloten om de premiebetaling op uw levensverzekering voortaan rechtstreeks via ons hoofdkantoor te laten lopen.

…”

2.7

[F.] is op 6 juni 2000 door de rechtbank te Amsterdam failliet verklaard; dit faillissement is op 26 februari 2004 opgeheven bij gebrek aan baten.

2.8

[F.] is in 2001 door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens oplichting, gepleegd in de periode 1993-2000; de veroordeling ziet mede op oplichting van eisers. Eisers zijn niet ontvankelijk verklaard in de door hen in het strafgeding ingestelde vordering als benadeelde partij.

2.9

Dhr. en mw. De [N.] hadden via [F.] een levensverzekering bij Stad Rotterdam gesloten.

Dhr. en mw. De [N.] hebben in 1995 een bedrag van fl. 90.000,= bij wijze van depot ter beschikking gesteld aan [F.], met het doel om daaruit jaarlijks stortingen te doen op deze levensverzekering. [F.] heeft dat enige tijd gedaan en is daar op enig moment mee gestopt.

2.10

Van der [M.] had in 1989 via [F.] een levensverzekering afgesloten bij Stad Rotterdam met een jaarpremie van hfl.2.400,=. Van der [M.] betaalde deze premie in maandelijkse termijnen aan [F.], die de premie per jaar betaalde aan Stad Rotterdam.

De premie over het verzekeringsjaar 1999/2000 is echter door [F.] niet meer voldaan.

3. De vordering

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Stad Rotterdam te veroordelen tot betaling aan De [N.] van €.589.914,28 (=fl 943.000,-), aan De [N.] en [K.] van fl.100.000,= en aan Van der [M.] van f.300.000,= (met dien verstande dat f.90.000,= niet behoeft te worden vergoed als Stad Rotterdam uitkeert) steeds met rente, en voorts te verklaren voor recht dat de door De [N.] afgesloten polis als rechtsgeldig afgestort dient te worden beschouwd en De [N.] per einddatum fl.450.000,- van Stad Rotterdam dient te ontvangen, een en ander met veroordeling van Stad Rotterdam in de kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben eisers aan de vordering (kort samengevat en voor zover van belang) de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Eisers hebben in de veronderstelling geleefd, dat zij via [F.] bij Stad Rotterdam hadden belegd in het (in werkelijkheid niet bestaande) De Waerdye Beleggingsfonds op een zogenaamde de Waardye-rekening, en dat de onder 2.2 resp. 2.3 genoemde bedragen door [F.] werden aangewend voor stortingen daarin.

Zij zijn in die veronderstelling gebracht en gebleven niet alleen door mededelingen van [F.], maar ook doordat zij van hem originele bewijsstukken ontvingen, gedrukt op van Stad Rotterdam afkomstig De Waardye-papier.

3.2

Nadat [F.] in april 2000 was verdwenen hebben zij moeten ondervinden dat er in feite tussen hen en Stad Rotterdam geen overeenkomsten met betrekking tot een beleggings- of spaarrekening waren gesloten en is Stad Rotterdam niet bereid gebleken hen op enigerlei wijze tegemoet te komen.

Dit levert een onrechtmatige daad van Stad Rotterdam jegens eisers op, om de volgende redenen:

a.

[F.] verkeerde vanaf begin 1998 kennelijk in financiële moeilijkheden, hetgeen voor Stad Rotterdam duidelijk was uit de omstandigheid dat zijn rekening-courant een zeer aanzienlijk tekort vertoonde; daarom is ook de in 2.4 hiervoor genoemde brief geschreven. Stad Rotterdam wist in elk geval sedert begin 1999 dat [F.] in problemen verkeerde en malversaties pleegde. Zij heeft daarin aanleiding gezien haar dochtermaatschappij “De Europeesche” voor hem te waarschuwen. Bovendien heeft zij [F.] gelast achterstanden aan te zuiveren.

Stad Rotterdam heeft eisers echter op geen enkele wijze gewaarschuwd, hoewel zij daartoe gelet op wat inmiddels bekend was alle reden toe had en daartoe als verzekeringsmaatschappij/bancaire instelling op basis van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt gehouden was. Zelfs na de bekentenis van fraude door [F.] op 2 juni 1999 heeft Stad Rotterdam volstrekt onvoldoende maatregelen genomen; zij is zaken blijven doen met [F.].

Een brief als onder 2.6 geciteerd hebben eisers nooit ontvangen, nog daargelaten dat die niet voldoende duidelijk zou zijn geweest.

Ook heeft Stad Rotterdam onzorgvuldig en onbetamelijk gehandeld door [F.] in die situatie niet (beter) te begeleiden.

b.

Stad Rotterdam heeft origineel De Waerdye-papier meegegeven aan [F.], althans toegelaten, dat [F.] kon beschikken over origineel De Waerdye-papier, hetgeen voor het vertrouwen dat eisers hadden in het bestaan van de verzekering van wezenlijk belang is geweest. Het was namelijk algemeen en ook aan eisers bekend dat Stad Rotterdam in die periode commerciële verzekerings/beleggings/spaarproducten op de markt had, waarbij “De Waerdye” in de naam voorkwam.

Het verstrekken van dat originele papier, althans niet voorkomen dat [F.] over dat originele papier kon beschikken was onzorgvuldig jegens eisers.

c.

De stortingen van hfl. 943.000 van De [N.] en van hfl. 300.000,= van Van der [M.] zijn, naar blijkt uit de mutaties op de rekening van [F.], in ieder geval voor een bedrag groot hfl. 400.000,= ( hfl. 300.000,- in juli 19999, hfl. 100.000,= op 10 augustus 1999) door [F.] gebruikt om te voldoen aan de afbetalingsregeling die hij met Stad Rotterdam had gesloten, genoemd onder 2.5.

Het was voor Stad Rotterdam, gegeven de fraude die [F.] bekend had en de financiële moeilijkheden waarin hij verkeerde, evident dat hij de gelden om zijn schuld aan Stad Rotterdam af te betalen door fraude zou verkrijgen, zodat anderen, in dit geval eisers, daarvan de dupe zouden worden. In die omstandigheden had Stad Rotterdam die afbetalingsregeling (die [F.] verplichtte tot het terugbetalen van grote bedragen in weinig tijd) niet mogen sluiten, zeker niet nu zij ook nog, door middel van onder meer het leggen van beslag, grote druk op [F.] uitoefende.

Bovendien is het onrechtmatig om, nu achteraf blijkt dat de stortingen van eisers zijn gebruikt om Stad Rotterdam te voldoen, die gelden niet terug te betalen aan eisers.

Het niet teruggeven van die gelden moet in elk geval worden beschouwd als ongerechtvaardigde verrijking; op deze wijze heeft Stad Rotterdam immers bereikt dat zij van de crediteuren van [F.] als enige en met voorrang haar vordering betaald heeft gekregen.

3.3

Naast de De Waerdye-polis hadden eisers ook werkelijke levensverzekeringen bij Stad Rotterdam. Voor wat betreft de premiedepotstorting ad hfl. 90.000,=, door dhr. en mw. De [N.] (zie 2.9) die bedoeld was voor die levensverzekering is achteraf gebleken, dat [F.] die niet heeft doorgestort aan Stad Rotterdam. Stad Rotterdam heeft onzorgvuldig gehandeld door niet na te gaan, of het hier een al dan niet afgestorte levensverzekering betrof. De uitkering aan het einde van de looptijd zou hfl. 450.000,= bedragen, zodat dat de schade is, nu Stad Rotterdam de verzekering heeft geroyeerd toen verdere premiebetalingen achterwege gebleven.

Ten aanzien van andere verzekerden is Stad Rotterdam bereid gebleken de stortingen, die zij hadden gedaan ten gunste van [F.] en die [F.] niet had doorbetaald aan Stad Rotterdam, toch aan te merken als stortingen op de polis. Het is niet redelijk dat Stad Rotterdam dat ten aanzien van eisers niet bereid is te doen.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van eisers in de kosten van het geding.

Stad Rotterdam heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Het optreden van Stad Rotterdam is, zowel wat het gestelde handelen als het gestelde nalaten betreft, niet onrechtmatig geweest.

a.

De enkele omstandigheid dat [F.] in 1998 een debetstand van aanzienlijke omvang had behoefde voor Stad Rotterdam geen reden te zijn om bijzondere maatregelen te treffen; de brief die is gezonden is een standaardbrief, die debetstand is aangezuiverd, [F.] had voor het ontstaan daarvan een verklaring en voor vermoedens van fraude was toen geen enkele aanleiding.

De latere aanwijzingen van fraude die er in juni 1999 waren betroffen een andersoortige vorm (de spookpolissen) dan die, waarvan eisers de dupe zijn geworden; door die spookpolissen werden slechts verzekeraars en niet verzekeringnemers gedupeerd. Waarschuwen was daarom ook toen niet nodig, wel is per 10 juni 1999 voor alle polissen in de portefeuille van [F.] overgegaan op maatschappij-incasso. Pas toen later ook de De Waerdye-fraude aan het licht kwam was daarvoor aanleiding geweest, maar dat is pas in februari 2000, in elk geval ruim na augustus 1999 gebeurd. Als Stad Rotterdam toen gewaarschuwd had, had dat eisers niet kunnen baten, nu hun stortingen toen al gedaan waren.

Voor zover er gewaarschuwd moest worden is de brief van 24 juni 1999, geciteerd onder 2.6, die ook aan eisers is gestuurd, in de toen actuele situatie een voldoende waarschuwing. Dat die brief wellicht eisers niet bereikt heeft kan Stad Rotterdam niet verweten worden.

Bij dit alles is van belang dat [F.] een onafhankelijke assurantietussenpersoon was en dat het portefeuillerecht in de weg stond aan een intensievere (gedwongen) begeleiding, controle van de boekhouding en/of het op andere wijze rechtstreeks benaderen van verzekeringnemers.

b.

Stad Rotterdam heeft [F.] geen origineel De Waerdye-papier verstrekt. Het is onduidelijk hoe [F.] daarover de beschikking heeft gekregen, niet uit te sluiten valt dat het is gestolen of later, in opdracht van [F.], gedrukt. Overigens is gebleken dat [F.] ook kleurkopieën heeft gebruikt, terwijl het postbusnummer al jaren niet meer gebruik is bij Stad Rotterdam.

c.

Stad Rotterdam was gerechtigd om van [F.] te verlangen dat hij zijn schuld aan haar zou terugbetalen en zij was niet gehouden te controleren op welke wijze hij de daartoe benodigde gelden zou verkrijgen. Desniettemin heeft Stad Rotterdam daarnaar wel geïnformeerd en de schriftelijke toezegging gekregen van de vader van [F.] respectievelijk een goede vriend van hem, een zekere Rabbie, dat zij die gelden bij wijze van lening aan [F.] aan Stad Rotterdam zouden betalen. Het staat ook in het geheel niet vast dat [F.] in feite ten dele heeft betaald met van De [N.] en Van der [M.] verkregen gelden. Ingevolge de onder 2.5 bedoelde overeenkomst zijn door Stad Rotterdam bedragen ontvangen van hfl. 50.000,= op 23 juni 1999, hfl. 300.000,= op 5 juli 1999 en hfl.250.000,= op 15 juli 1999, dus in elk geval voor de storting van De [N.] in augustus.

Dusdoende heeft Stad Rotterdam niet onrechtmatig gehandeld.

Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake, nu het ging om de betaling van een legitieme en opeisbare vordering.

4.2

Voor wat betreft de premiedepotstorting valt niet in te zien wat Stad Rotterdam verweten kan worden. Stad Rotterdam biedt aan verzekeringnemers desgewenst de mogelijkheid om bij haar een premiedepot te storten, onafhankelijke tussenpersonen zoals [F.] zijn daartoe niet bevoegd.

Dat bij deze verzekering sprake zou zijn van een premiedepot was voor Stad Rotterdam ook op geen enkele wijze kenbaar.

Dat dhr. en mw. De [N.] kennelijk op basis van hun persoonlijke band met [F.] bereid waren om (niet rechtstreeks bij Stad Rotterdam of bij een bank maar) bij [F.] een premiedepot te storten moet voor hun eigen rekening en risico blijven. De coulance die Stad Rotterdam inderdaad naar andere gedupeerden heeft betoond betrof een wezenlijk andere situatie, te weten deze, dat de betrokkene kon aantonen dat hij de verschuldigde premie aan [F.] had overgemaakt, die vervolgens had nagelaten die naar Stad Rotterdam door te boeken. Die premies heeft Stad Rotterdam in haar boeken als ontvangen genoteerd. Aldus heeft zij ook enige stortingen van Van der [M.] behandeld.

Het depot van dhr. en mw. De [N.] had echter geen betrekking op verschuldigde premies, maar op premies die vele jaren in de toekomst verschuldigd zouden worden.

Overigens is de polis niet geroyeerd maar premievrij gemaakt en wordt betwist dat sprake zou zijn van een einduitkering van hfl.450.000,=.

4.3

Het causale verband tussen eventuele onzorgvuldigheden van Stad Rotterdam en de gestelde schade ontbreekt.

In de eerste plaats is het moment waarop Stad Rotterdam mogelijk had moeten waarschuwen gelegen na het moment van de stortingen.

In de tweede plaats was de verhouding tussen eisers en [F.] zodanig, dat waarschuwingen er eisers niet van zouden hebben weerhouden hun geld aan [F.] toe te vertrouwen.

4.4

Subsidiair:

Eisers hebben eigen schuld aan hun schade. Er waren zowel voor als tijdens de looptijd diverse aanwijzingen die eisers hadden moeten doen twijfelen aan de echtheid van de De Waerdye-rekening (zeer hoge rente, ontbreken van een offerte van Stad Rotterdam, rentebetalingen vanaf de eigen girorekening van [F.], ontbreken van afschrijvingen) en controle was zeer eenvoudig geweest door contact met Stad Rotterdam op te nemen, maar dat hebben eisers nagelaten. Tenslotte was het op zich reeds onwaarschijnlijk dat Stad Rotterdam als verzekeraar een zuiver spaarproduct zou aanbieden.

4.5

De hoogte van de schade wordt betwist: in oktober 1999 is aan dhr. en mw. De [N.] hfl.100.000,- terugbetaald, dat moet verrekend worden; ook de rente-betalingen die in elk geval enige maanden zijn betaald, zowel voor wat betreft dhr. en mw. De [N.] als voor wat betreft Van der [M.], moeten worden verrekend.

4.6

De wettelijke rente wordt vanaf een te vroeg moment gevorderd.

5. De beoordeling

5.1

Zoals Stad Rotterdam terecht heeft gesteld zal, nu eisers hun vordering op onrechtmatige daad baseren, voldaan moeten zijn aan alle eisen die art. 6:162 BW stelt.

Voor wat betreft het gedeelte van de vordering van dhr. en mw.De [N.] dat ziet op de depotstorting van hfl. 90.000,= betekent dat, dat dit deel reeds moet stranden op het causaliteitsvereiste. Deze storting is immers geschied in 1995, ver voor het moment dat Stad Rotterdam, volgens de stellingen van eisers zelf, enige reden tot argwaan had. In die situatie valt niet in te zien -en is ook niet gesteld, laat staan onderbouwd- in welk opzicht enig handelen of nalaten van Stad Rotterdam in 1999 zou kunnen hebben bijdragen aan de schade die dhr. en mw. De [N.] lijden doordat [F.] uit dat depot na verloop van tijd geen stortingen op de levensverzekering meer heeft gedaan.

Het verdere debat tussen partijen over deze storting kan dan ook als irrelevant onbesproken blijven, met uitzondering van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat dhr. en mw.De [N.] echter ook niet kan baten. Zelfs als het zo zou zijn dat Stad Rotterdam in beginsel gehouden zou zijn om dhr. en mw. De [N.] tegemoet te komen omdat zij anderen in andere gevallen ook tegemoet is gekomen (hetgeen niet snel kan worden aangenomen) dan zou die verplichting op zijn hoogst kunnen zien op vergelijkbare gevallen. Nu Stad Rotterdam, onweersproken, heeft gesteld dat er in die andere gevallen sprake was van een essentieel andere situatie, namelijk deze, dat de verzekeringnemer een verschuldigde premie had betaald aan [F.] als assurantietussenpersoon zonder dat [F.] had doorbetaald aan Stad Rotterdam, kunnen dhr. en mw. De [N.] zich daarop niet met vrucht beroepen.

5.2

Voor zover eisers hun vordering baseren op de gedachte, dat Stad Rotterdam door het sluiten van de onder 2.5 genoemde overeenkomst en het aanvaarden van de betalingen daaronder onrechtmatig zou hebben gehandeld kan deze niet worden toegewezen, zelfs niet als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat die betalingen in feite deels zijn verricht met gelden die [F.] onder valse voorwendselen verkregen had van eisers.

Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

5.2.1

Het staat een schuldeiser in beginsel vrij om met een schuldenaar afspraken te maken over aflossing van zijn opeisbare schuld, ook als het daarbij gaat om een groot bedrag dat in een korte tijd moet worden terugbetaald, mits daarbij de grenzen van hetgeen naar ongeschreven recht maatschappelijk betaamt niet overschreden worden.

In dit geval moet daarbij, naar eisers terecht hebben aangevoerd, betrokken worden dat Stad Rotterdam als verzekeraar maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt, met name tegenover haar verzekerden. Ook als daarmee rekening wordt gehouden kon echter op dat moment, gegeven de situatie, van Stad Rotterdam niet meer worden gevraagd dan zij heeft gedaan, te weten navraag doen naar de herkomst van de aflossingsbedragen.

Toen Stad Rotterdam van, op het oog, derden van wie de bemoeienis plausibel was (de vader en een vriend van [F.]) brieven ontving met het aanbod het geld ter beschikking te stellen en vervolgens het geld ook daadwerkelijk werd betaald was er voor Stad Rotterdam geen reden om aan de authenticiteit daarvan te twijfelen. Voor onderzoek naar de vraag, of die brieven wellicht vervalst waren (hetgeen overigens ook thans, anders dan eisers menen, niet vast staat) en [F.] anderen oplichtte om die gelden te verwerven was op dat moment in redelijkheid geen aanleiding. In juni/juli 1999 waren er immers voor zover thans bekend voor Stad Rotterdam geen aanwijzingen dat [F.] zich, naast de spookpolissen, ook inliet met een fraude ten laste van verzekeringnemers en al helemaal niet dat hij daaruit aanzienlijke bedragen als thans aan de orde zou kunnen verkrijgen. Eisers hebben op dat punt onvoldoende aangevoerd waaruit het tegendeel zou kunnen worden afgeleid.

5.2.2

Van ongerechtvaardigde verrijking kan geen sprake zijn, omdat de betalingen die Stad Rotterdam ontving gebaseerd waren op de onder 2.5 genoemde overeenkomst; vast staat, dat het hier een werkelijke en opeisbare schuld betrof.

Opgemerkt wordt daarbij, dat als eisers bedoeld zouden hebben Stad Rotterdam paulianeus handelen te verwijten zij dit onvoldoende hebben onderbouwd.

5.2.3

Aan het vorenstaande doet niet af dat Stad Rotterdam als gevolg van hetgeen zij inmiddels van [F.] had vernomen wel extra alert diende te zijn, niet alleen ter bewaking van haar eigen belangen maar ook ter bewaking van die van haar verzekeringnemers. Daaruit vloeit voort, dat er in die situatie wel een verzwaarde zorgplicht op Stad Rotterdam rustte; daarop zal hierna worden teruggekomen.

5.3

Hoewel dus het enkele in ontvangst nemen van de bedragen uit hoofde van de overeenkomst met [F.] geen onrechtmatig gedrag van Stad Rotterdam oplevert, bracht de eerder bedoelde verantwoordelijkheid van Stad Rotterdam als verzekeraar, in combinatie met de omstandigheid dat zij [F.] als tussenpersoon in zekere zin toegang had gegeven tot verzekeringnemers van Stad Rotterdam, wel mee, dat op Stad Rotterdam verplichtingen jegens die verzekeringnemers kwamen te rusten. In dat kader is meegewogen dat [F.] als tussenpersoon vergrote mogelijkheden tot fraude jegens verzekeringnemers van Stad Rotterdam had, omdat hij, naar op basis van het onvoldoende betwiste materiaal van eisers moet worden aangenomen, op enig moment kon beschikken over origineel De Waerdye papier. Ook als het Stad Rotterdam niet te verwijten valt dat hij daarover kon beschikken -en daarvan moet, gelet op het gebrek aan concrete feiten en stellingen, worden uitgegaan- was het verwerven van het bezit van dat papier voor [F.] hoogstwaarschijnlijk niet mogelijk geweest als hij niet, als tussenpersoon, toegang tot de kantoren van Stad Rotterdam had gehad. Hoewel Stad Rotterdam, nadat begin juni 1999 was gebleken dat [F.] fraudeerde met spookpolissen, zoals hiervoor al werd overwogen niet concreet hoefde te verwachten dat [F.] ook andere fraudes zoals de De Waerdye-fraude zou plegen, diende zij wel in het algemeen rekening te houden met de mogelijkheid dat [F.] niet zorgvuldig zou omgaan met geld van verzekeringnemers. Van [F.] wist zij immers enerzijds dat hij financieel krap zat en anderzijds dat hij er eerder niet voor was teruggeschrokken onoirbare oplossingen voor zijn financiële problemen te zoeken.

Dat Stad Rotterdam van mening was, dat er reden was voor bezorgdheid op het punt van de doorbetaling van de premies blijkt ook wel uit de omstandigheid, dat zij is overgegaan op maatschappij-incasso.

Dit alles in aanmerking genomen was Stad Rotterdam daarom tegenover haar verzekeringnemers verplicht om hen te waarschuwen in die zin, dat zij, als zij er zeker van wilden zijn dat de premiebetalingen bedoeld voor Stad Rotterdam, ook daadwerkelijk het beoogde doel zouden bereiken, rechtstreeks aan Stad Rotterdam moesten betalen of, anders geformuleerd, dat zij als zij aan [F.] betaalden risico liepen.

5.3.1

Aan die verplichting staat het portefeuillerecht niet in de weg. De Wabb noch enige andere wettelijke regeling of ongeschreven verplichting verbiedt een verzekeraar als Stad Rotterdam om, als de omstandigheden daartoe nopen, rechtstreeks contact met verzekerden/verzekeringnemers op te nemen. Integendeel, uit de jurisprudentie van de Raad van Toezicht blijkt, dat in de branche uitdrukkelijk van verzekeraars wordt gevergd dat zij belangrijke mededelingen in voorkomend geval rechtstreeks aan verzekerden/verzekeringnemers doen.

Dat Stad Rotterdam zelf ook niet uitgaat van een dergelijk absoluut portefeuillerecht blijkt overigens uit het verzenden aan haar verzekerden/verzekeringnemers van de brief, genoemd onder 2.6.

Aan het voorgaande doet evenmin af, dat Stad Rotterdam inderdaad niet gehouden was [F.] vanaf 1998 intensief te begeleiden en te controleren en dat zij daartoe ook de bevoegdheid miste.

5.3.2

Stad Rotterdam stelt dat eisers de onder 2.6 bedoelde brief hebben ontvangen, doch dat betwisten eisers.

In het geval van De [N.] kan dat geschilpunt als irrelevant terzijde blijven, op grond van het volgende.

De inhoud van de brief is te neutraal om, ook als die De [N.] zou hebben bereikt, beschouwd te kunnen worden als het voldoen aan de hiervoor bedoelde verplichting; met name komt daaruit niet naar voren dat De [N.] risico liep als in het slot van 5.3 bedoeld.

Nu er kennelijk tussen begin juni 1999 en de overboeking van het geld in augustus 1999 geen andere, duidelijker brief aan De [N.] is verstuurd, moet het er dus voor worden gehouden dat Stad Rotterdam niet aan haar verplichtingen jegens De [N.] heeft voldaan.

Stad Rotterdam heeft bij wijze van verweer (zowel in het kader van de causaliteit als bij wijze van onderbouwing van de eigen schuld) aangevoerd dat zelfs als De [N.] meer expliciet gewaarschuwd was, dat hem er niet van weerhouden had om bedoelde bedragen te storten, gelet op het vertrouwen dat hij en zijn vrouw blijkbaar om privé-redenen in [F.] hadden. Als dat juist zou zijn, zou dat in de weg staan aan toewijzing van de vordering, omdat dan het causaal verband tussen de normschending en de schade ontbreekt.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van De [N.] zal Stad Rotterdam desgewenst tot bewijslevering op dit punt worden toegelaten.

Als Stad Rotterdam in dat bewijs niet slaagt, moet worden aangenomen dat een deugdelijke waarschuwing van Stad Rotterdam ertoe geleid zou hebben dat De [N.] de storting van augustus 1999 rechtstreeks aan Stad Rotterdam zou hebben gedaan, in welk geval de De Waerdye-fraude zou zijn uitgekomen en hij deze schade niet zou hebben geleden.

Het eigen schuld-verweer zou in dat geval op diezelfde grond verworpen moeten worden. Nu De [N.] in deze procedure geen vergoeding vordert van de eerdere stortingen op de De Waerdye-rekening doet niet ter zake of hij wellicht in een eerder stadium argwaan had moeten krijgen of niet.

Dan is de vordering van De [N.] dus in beginsel toewijsbaar tot een bedrag van hfl. 943.000,= verminderd met de daarop in mindering te brengen stortingen. In dat verband is genoemd een bedrag van hfl. 100.000,- in of rond oktober 1999 en een bedrag van hfl. 4.000,- op een niet nader gespecificeerd moment. Partijen worden uitgenodigd bij conclusie na enquete nader op dit punt in te gaan. De [N.] zal daarbij moeten toelichten waarom, onder welke titel en in welke omstandigheden die terugbetaling werd gedaan; voor wat betreft de rentebetaling, als hoedanig genoemde hfl. 4.000,= kennelijk is beschouwd, zal eveneens duidelijkheid moeten worden verschaft over de omstandigheden en de vraag, waarom dit blijkbaar een eenmalige betaling is geweest.

Daarbij kan dan ook behandeld worden vanaf welk moment in voorkomend geval de wettelijke rente verschuldigd zou zijn.

5.3.3

Voor wat betreft Van der [M.] stelt Stad Rotterdam dat zij Van der [M.] niet had kunnen bereiken met wat voor brief dan ook, omdat Van der [M.] haar adreswijziging niet (tijdig) aan Stad Rotterdam had doorgegeven.

Als dat juist is, kan Stad Rotterdam daarvan geen verwijt gemaakt worden. Immers, van Stad Rotterdam kon, gelet op haar relatie met en haar verantwoordelijkheid jegens haar verzekeringnemers, verwacht worden dat zij hen waarschuwde, maar zij behoefde er in beginsel geen rekening mee te houden dat zij niet over de juiste adressen beschikte; in het algemeen zijn verzekeringnemers immers verplicht om adreswijzigingen eigener beweging door te geven aan de verzekeraar en mogen zij niet volstaan met melding aan de tussenpersoon, in casu [F.].

Van der [M.] zal echter worden toegelaten tot het bewijs dat zij ofwel tijdig Stad Rotterdam van haar adreswijziging op de hoogte heeft gesteld, ofwel dat zij die wijziging tijdig aan [F.] heeft doorgegeven en dat en waarom zij er van uit mocht gaan dat zij daarmee kon volstaan.

Als zij in dat bewijs niet slaagt moet worden aangenomen dat ook een deugdelijke brief van Stad Rotterdam haar niet had kunnen bereiken, zodat het causaal verband tussen het onrechtmatig nalaten van Stad Rotterdam en de schade ontbreekt en de vordering van Van der [M.] dus niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Als zij in dat bewijs wel slaagt is haar vordering, op basis van eenzelfde redenering als in de voorlaatste overweging van 5.3.2 weergegeven, toewijsbaar tot een bedrag van hfl. 300.000,=.

Er is geen aanleiding voor een bewijsopdracht van Stad Rotterdam vergelijkbaar met die in 5.3.2, omdat Stad Rotterdam ten aanzien van het vertrouwen van Van der [M.] in [F.] onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat dat uitzonderlijk groot zou zijn geweest. Dat betekent, dat er dus voor wat Van der [M.] betreft zonder meer vanuit gegaan moet worden dat een deugdelijke waarschuwing het effect gehad zou hebben dat zij de litigieuze storting achterwege zou hebben gelaten.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

voor wat betreft de vordering van De [N.]

draagt Stad Rotterdam op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zelfs als De [N.] meer expliciet gewaarschuwd was, dat hem er niet van weerhouden had om bedoeld bedrag van hfl. 943.000,- op de rekening van [F.] te storten;

voor wat betreft de vordering van Van der [M.]

draagt Van der [M.] op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zij ofwel tijdig Stad Rotterdam van haar adreswijziging op de hoogte heeft gesteld, ofwel dat zij die wijziging tijdig aan [F.] heeft doorgegeven en in dat laatste geval, dat en waarom zij er van uit mocht gaan dat zij daarmee kon volstaan;

bepaalt dat indien Stad Rotterdam respectievelijk Van der [M.] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de procureur van Stad Rotterdam respectievelijk Van der [M.] binnen twee weken na vonnisdatum opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden september tot en met december 2006 en dat de procureur van dhr. en mw. De [N.], Van der [M.] respectievelijk Stad Rotterdam binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mrs Hofmeijer-Rutten, Vroom en Wansink.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

106/554/