Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
18-08-2006
Zaaknummer
688755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werkgever vordert van een ex-werknemer een schadevergoeding. De werkgever had een overeenkomst met een energiebedrijf gesloten, die inhield dat de werkgever met het oog op door het energiebedrijf verstrekte opdracht zekere werknemers beschikbaar zou hebben in 2005. De werkgever heeft met het oog daarop de gedaagde in deze procedure een verklaring laten tekenen waarin hij aangaf beschikbaar te zijn. De betreffende werknemer heeft in 2004 ontslag genomen, omdat hij elders meer kon verdienen. De werkgever heeft daardoor schade geleden met het oog op de met het het energiebedrijf gesloten overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 12 juli 2006

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton:

V O N N I S in de zaak van:

de besloten vennootschap Maatschappij De Maas B.V.

statutair gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 6 december 2005,

gemachtigde: mr. Y. Lagendijk,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. I. Ouwehand (FNV).

1. Het verloop van het geding

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 6 december 2005 met producties;

- de conclusie van antwoord van 22 januari 2006 met producties;

- de conclusie van repliek van 19 april 2006 met producties;

- de conclusie van dupliek van 14 juni 2006.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten:

2.1. Behalve met het bouwen van schepen houdt eiseres zich bezig met het verrichten van onderhoud bij energiecentrales.

2.2. Gedaagde is op 1 mei 2004 als monteur bij eiseres in dienst getreden voor bepaalde tijd van drie maanden. Op 1 juli 2004 is de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (brutosalaris € 2.271,- per maand; geen concurrentiebeding).

2.3. Twee andere werknemers van eiseres, een manager en een werkvoorbereider, hebben op 15 oktober 2004 ontslag genomen om samen een eigen onderneming op te zetten, die soortgelijke diensten zou aanbieden als eiseres. Eén van de opdrachtgevers van eiseres, Nuon Power Generation B.V. (hierna: Nuon) verlangde vervolgens de garantie van eiseres dat de aan haar gegeven opdrachten binnen de gestelde tijd zouden worden uitgevoerd en dat in verband daarmee de medewerkers van eiseres schriftelijk zouden verklaren dat zij tot 31 december 2005 beschikbaar zouden blijven voor het verrichten van werkzaamheden in opdracht van Nuon op nog nader te bepalen locaties.

2.4. Met het oog op dit verlangen van Nuon heeft een delegatie van de directie van eiseres (bestaande uit de directeur productie, het hoofd reparatie en onderhoud, alsmede de personeelsmanager) op 12 november 2004 aan de desbetreffende werknemers, onder wie gedaagde, een verklaring ter tekening voorgelegd die, wat gedaagde betreft, als volgt luidt:

“Geachte [gedaagde],

Naar aanleiding van het gesprek d.d. 12 november 2004 tussen U, de heer Venneman (directeur productie), de heer Goudswaard (hoofd reparatie en onderhoud) en ondergetekende. Bevestig ik als volgt.

Op verzoek van één onze opdrachtgevers, Nuon Power Generations B.V., verklaren maatschappij De Maas en ondergetekende(n) beschikbaar te hebben danwel te zijn voor het verrichten van werkzaamheden in opdracht van opdrachtgever op nog nader te bepalen locaties, vast te stellen door opdrachtgevers, gedurende het jaar 2005.

Desbetreffende opdrachtgever zal worden geïnformeerd middels een kopie van dit schrijven.

Ervan uitgaande U volledig en correct geïnformeerd te hebben, verblijf ik,

met vriendelijke groet,

Benjamin Grefkens,

Hoofd personeel en Organisatie.”

2.5. Deze verklaring is door gedaagde getekend.

2.6. Op 28 november 2004 heeft gedaagde de arbeidsovereenkomst met in achtneming van de contractuele opzegtermijn van één maand per 31 december 2004, opgezegd, omdat hij elders meer kon verdienen, in welke opzegging hij, ook na bezwaar van eiseres heeft volhard. Hij is bij het nieuwe bedrijf van de onder 2.2. genoemde ex-werknemers van eiseres gaan werken.

2.7. Eiseres heeft Nuon geïnformeerd over het vertrek van gedaagde. Nuon gaf vervolgens op 6 december 2004 te kennen dat de toegezegde opdracht voor 2005 wegens het onverwachte vertrek van gedaagde voor een deel kwam te vervallen.

2.8. Bij brief van 9 december 2005 aan gedaagde heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat gedaagde de arbeidsovereenkomst “eenzijdig en voortijdig beëindigt zonder dat wij hier toestemming voor hebben gegeven" en dat hij om die reden jegens eiseres schadeplichtig is geworden. De schadevergoeding dient te worden gesteld op de “looptijd van de afspraak die geschonden is, te weten 12 maanden hetgeen overeenkomt met een gefixeerd bedrag aan schadevergoeding van 12 bruto maandsalarissen”, onverminderd het recht van eiseres op volledige schadevergoeding.

2.9. Bij brief van 18 december 2004 schreef gedaagde aan eiseres als volgt:

“Geachte heer Grefkens,

In antwoord op Uw brief van 9 december 2004 deel ik U mede dat ik Uw brief van

12 november 2004 onder druk heb getekend. Ik moest aan het eind van de dag op kantoor komen en diende ik een brief te ondertekenen. Ik was totaal overrompeld en ik heb niet of nauwelijks van de inhoud kennis genomen. Het was ook de eerste keer dat ik zulk een brief diende te tekenen. Naar ik begreep hebt U deze brief slechts voorgelegd aan een aantal werknemers, waaronder ik. Ik heb natuurlijk de vrijheid om mijn werkzaamheden met De Maas op te zeggen. Ik heb altijd aangegeven dat ik het niet naar mijn zin heb bij De Maas. Als ik daadwerkelijk had geweten dat de bedoeling van deze brief was dat ik mijn dienstverband met De Maas niet kan beëindigen, dan had ik deze natuurlijk nooit getekend. Ik vind dat U niet op deze wijze met werknemers dient om te gaan. In ieder geval staat vast dat ik mijn arbeidsovereenkomst met De Maas heb opgezegd tegen 1 januari 2005.

Hoogachtend,

[gedaagde].”

2.10. Bij brief van 17 januari 2005 sommeerde eiseres gedaagde binnen 7 dagen tot betaling van “de schadevergoeding” ad 27.252,- over te gaan. Aan die sommatie heeft gedaagde niet voldaan.

3. Het geschil

3.1. Tegen de achtergrond van deze feiten vordert eiseres schadevergoeding van gedaagde, te weten primair van € 83.847,84 en subsidiair van € 27.520,--. Die bedragen wil eiseres vermeerderd zien met de wettelijke rente vanaf 31 december 2004, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts vordert eiseres vergoeding van € 1.835,99 resp. €. 1.118,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte verlangt eiseres vergoeding van schade aan goodwill en imago, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede de veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2. Eiseres baseert haar vordering van € 83.847,84, zo begrijpt de kantonrechter, primair op artikel 7: 686 BW in verband met art. 6:74 BW, stellende dat gedaagde jegens haar te kort is geschoten door de afspraak in de overeenkomst van 12 november 2004, om nog een bepaalde periode voor eiseres te blijven werken, te schenden en daarom aansprakelijk is voor de volledige door eiseres geleden schade. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1999, NJ 1999/548.

Subsidiair legt eiseres aan dit deel van de vordering ten grondslag dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door gedaagde onregelmatig is, omdat deze heeft plaatsgevonden tegen een tijdstip waarop dit volgens de overeenkomst van 12 november 2004 niet geoorloofd was. Gedaagde is daarom schadeplichtig, aldus eiseres.

3.3. De subsidiaire vordering van € 27.520,- is naar de kantonrechter begrijpt, uitsluitend gebaseerd op de stelling dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door gedaagde onregelmatig is geschied en betreft de gefixeerde schadevergoeding.

3.4. Nog meer subsidiair stelt eiseres dat gedaagde door zijn plotselinge opzegging in strijd heeft gehandeld met zijn verplichtingen ex artikel 7: 611 BW. Hij was als goed werknemer gehouden, gezien zijn toezeggingen, om voor eiseres het Nuon Project in 2005 te voltooien.

3.5. De schade van eiseres bedraagt volgens haar de misgelopen omzet over 2005 minus

het bruto jaarloon van gedaagde, derhalve €. 113.280,-- (totale misgelopen omzet) minus €. 29.432,16 (bruto jaarsalaris van gedaagde inclusief vakantiegeld), totaal €. 83.847,84. De subsidiair genoemde schade ex artikel 7: 677 BW is gelijk aan 12 bruto maandsalarissen, wat neerkomt op €. 27.520,--.

Voorts vordert eiseres schadevergoeding wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3.6. Gedaagde heeft op diverse gronden verweer gevoerd. Op dit verweer wordt waar nodig nog teruggekomen.

4. De beoordeling van het geschil:

Verjaring

4.1. Gedaagde heeft primair een beroep gedaan op verjaring voor zover de vordering een hoger bedrag betreft dan € 27.520,-, omdat hij voor dat meerdere niet eerder aansprakelijk is gesteld dan bij dagvaarding. “Bij dergelijke vorderingen (geldt) in het arbeidsrecht een verjaringstermijn van 6 maanden”, aldus gedaagde en die termijn was ten tijde van de dagvaarding verstreken. Dit verweer gaat niet op. Voor zover de vordering meer bedraagt dan € 27.520,- is zij gebaseerd op tekortkoming als bedoeld in art. art. 7:686 BW jo 6:74 BW. De verjaringstermijn van art 7:683 BW, waar gedaagde kennelijk het oog op heeft, geldt niet voor vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding wegens wanprestatie.

De vordering wegens wanprestatie

4.2. Volgens eiseres heeft de verklaring van 12 november 2004 de strekking van een overeenkomst, die gedaagde verbiedt gedurende het jaar 2005 ontslag te nemen, ook indien hij elders kan werken tegen een hoger loon. Dat standpunt wordt door de kantonrechter niet gevolgd. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.3. De door gedaagde getekende verklaring van 12 november 2004 is niet meer dan een kennisgeving dat hij beschikbaar is “voor het verrichten van werkzaamheden in opdracht van opdrachtgever op nog nader te bepalen locaties, vast te stellen door opdrachtgevers, gedurende het jaar 2005”. De verklaring behelst, anders dan eiseres meent, niet de toezegging dat gedaagde niet eerder ontslag zal nemen, ook niet indien hij een hoger loon gaat verdienen, laat staan dat hij schadeplichtig is indien hij dat wel doet. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n toezegging had dat ondubbelzinnig onder woorden moeten zijn gebracht, temeer nu de verklaring geheel onverplicht door gedaagde werd getekend en er geen loonsverhoging of ander voordeel tegenover stond. De verklaring is bovendien niet door gedaagde maar door de directie van eiseres opgesteld. Het komt voor haar risico dat die niet verwoordde wat volgens haar de bedoeling is geweest. Daar komt bij dat gedaagde -een monteur met een salaris dat doet vermoeden dat hij in het algemeen geen strategische beslissingen met het oog op de continuïteit van het bedrijf hoeft te nemen- onvoorbereid bij de directie werd geroepen en toen de verklaring ter tekening voorgelegd kreeg.

4.4. Eiseres heeft wel gesteld dat gedaagde in het gesprek op 12 november 2004, met de directeur productie, het hoofd reparatie en de personeelsmanager, is voorgehouden dat hij, wanneer hij zou tekenen, gedurende het hele jaar 2005 niet tussentijds zou kunnen vertrekken, en dat gedaagde begrip toonde voor het verzoek van Nuon en van zijn werkgever en dat hij daarom heeft getekend. Nog daargelaten dat gedaagde dit heeft betwist, doet het niet af aan wat onder 4.3 werd overwogen. Het bewijsaanbod van eiseres op dit punt zal daarom worden gepasseerd.

4.5. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat gedaagde door de opzegging per 1 januari 2005 toerekenbaar te kort is geschoten. De verwijzing door eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1999 (NJ 1999/548) gaat niet op. Dat arrest betrof een casus die niet te vergelijken is met de onderhavige. De vordering wegens wanprestatie is daarom niet toewijsbaar.

De vordering ter zake van onregelmatig ontslag

4.6. Tussen partijen gold een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd eindigen door opzegging. De door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn bedraagt ingevolge art. 7:672 lid 3 BW één maand. Van die termijn kan schriftelijk worden afgeweken (lid 6), maar dat is hier niet gebeurd. De verklaring d.d. 12 november 2004 heeft niet de strekking van een verlenging van een opzegtermijn. Maar zou dat anders zijn dan geldt dat een langere opzegtermijn voor de werknemer dan zes maanden nietig is.

4.7. Partijen hadden de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kunnen omzetten in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De intentieverklaring van 12 november 2004 heeft die strekking echter evenmin.

4.8. Gedaagde heeft de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn opgezegd. Het ontslag is derhalve niet onregelmatig en gedaagde is uit dien hoofde niet schadeplichtig, zodat de vordering ex art. 7:677 lid 2 BW niet toewijsbaar is.

Goed werknemerschap

4.9. Met haar meer subsidiaire beroep op art. 7:611 BW bedoelt eiseres, naar de kantonrechter aanneemt, dat gedaagde, ook indien hij niet wegens wanprestatie of wegens onregelmatig ontslag schadeplichtig is, door per 31 december 2004 ontslag te nemen, jegens eiseres zo onbehoorlijk heeft gehandeld dat hij wegens handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die een werknemer jegens de werkgever in acht heeft te nemen, jegens haar schadeplichtig is. Door eiseres is echter onvoldoende gesteld om haar in dat standpunt te kunnen volgen.

Conclusie

4.10. De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen. Eiseres dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter,

wijst de vordering af;

verwijst eiseres in de proceskosten aan de zijde van de wederpartij, tot op heden begroot op € 1.450,- aan salaris voor de gemachtigde.

Aldus gewezen door de kantonrechter mr. P.H. Veling en uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.