Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6358

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
16-08-2006
Zaaknummer
225093 / HA ZA 04-2724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop horecagelegenheid. Koper wil daar een café in beginnen. Volgens de gemeente staat de op het pand rustende vergunning slechts uitoefening van een cafetaria toe. Koper stelt te hebben gedwaald ten aanzien van de bestemming van het café en stelt verkoper onder andere aansprakelijk voor de kosten van de inmiddels verrichte verbouwing. Verkoper zegt dat koper wist dat er alleen een cafetaria in de horecagelegenheid mocht worden uitgeoefend.

Beroep op dwaling wordt afgewezen. Ook indien vast zou komen te staan dat koper heeft gedwaald omtrent de mogelijkheid het pand als café te exploiteren geldt dat deze dwaling voor rekening van koper behoort te blijven. Vast staat immers dat verkoper mededeling heeft gedaan omtrent het serveren van voedsel naast de verkoop van drank. Deze mededeling had voor koper aanleiding moeten zijn om zelf nader onderzoek te doen naar de eisen die de gemeente aan het exploiteren van het café stelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 225093 / HA ZA 04-2724

Uitspraak: 5 juli 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. V.M. Weski,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. W.C.D.E. Wolfhagen te Breda.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 21 september 2004 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 29 december 2004, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 4 mei 2005;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door mr. drs. J.F. Dettingmeijer namens [gedaagde] overgelegde brief d.d. 19 april 2005, met bijlagen;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door mr. Weski overgelegde brief d.d. 26 april 2005, met bijlagen.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper hebben in de periode eind

2003 - begin 2004 een koopovereenkomst gesloten terzake exploitatie van een horecagelegenheid aan de Brede Havenstraat 6 te Vlaardingen (hierna: de horecagelegenheid).

2.2 Omdat [eiser] nog niet beschikte over zijn diploma Sociale Hygiëne, en [gedaagde] wel, zijn partijen ten behoeve van de exploitatie van de horecagelegenheid een vennootschap onder firma aangegaan, genaamd Café restaurant Fever VOF (hierna: de VOF).

De huurovereenkomst van het pand waarin de horecagelegenheid is gevestigd,

is op 30 maart 2004 overgeschreven op naam van de VOF.

2.3 Bij brief d.d. 26 april 2004 heeft de Dienst Stadswerk, afdeling Ruimtelijke Ordening en Milieu van de gemeente Vlaardingen aan [eiser] en [gedaagde] het volgende - voorzover van belang - bericht:

“(…)

Op 1 maart 2004 heeft [gedaagde]] gesproken met de dames Van [Z.] en [L.] van mijn afdeling. Tijdens dit gesprek heeft de [gedaagde] verklaard het bedrijf aan de Brede Havenstraat 6, alhier, op korte termijn te willen heropenen. Tevens heeft de heer [gedaagde] verklaard dat het concept van het bedrijf, een cafetaria, niet zou worden gewijzigd.

(…)

Zoals reeds mondeling is meegedeeld heeft het pand, op grond van het vigerende bestemmingsplan Stadshart, de bestemming "cafetaria". Dit houdt in een bedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van kleine eetwaren, niet zijnde maaltijden.

De Drank- en Horecavergunning welke in het verleden op het pand rustte, heeft dan ook alleen betrekking op het verstrekken van alcoholhoudende dranken als ondersteuning van de kleine eetwaren. Op grond van het bestemmingsplan is de vestiging van een cafébedrijf in dit pand niet toegestaan.”

3. Het geschil

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis:

I de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden althans te vernietigen, met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van de koopsom ad

€ 35.000,--;

II [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 27.610,--, vermeerderd met de wettelijke rente;

III [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De koopovereenkomst dient op grond van dwaling c.q. bedrog alsmede wegens een gebrek aan wilsovereenstemming te worden vernietigd.

3.2 [gedaagde] heeft [eiser] opzettelijk onjuiste informatie verstrekt.

Voorafgaand aan de koopovereenkomst heeft [eiser] tegen [gedaagde] gezegd dat hij in de horecagelegenheid een café wilde exploiteren. [gedaagde] heeft daarop [eiser] medegedeeld dat exploitatie van een cafébedrijf in de horecagelegenheid door de gemeente zou worden toegestaan. Op grond van die informatie heeft [eiser] de koopovereenkomst gesloten. Achteraf is gebleken dat het door de gemeente niet is toegestaan een cafébedrijf in de horecagelegenheid te vestigen. [gedaagde] wist dit reeds enkele maanden voor de met [eiser] gesloten koopovereenkomst, aangezien [gedaagde] eerder bij de gemeente was geweest met een potentiële koper. De gemeente heeft [gedaagde] toen medegedeeld dat de exploitatie van een cafébedrijf in de horecagelegenheid niet is toegestaan. [gedaagde] heeft dit, terwijl hij wist wat de wensen van [eiser] waren, opzettelijk voor [eiser] verzwegen.

3.3 Als [eiser] van tevoren had geweten dat het exploiteren van een cafébedrijf niet was toegestaan, had hij de koopovereenkomst niet gesloten.

3.4 [gedaagde] dient de koopsom ad € 35.000,-- alsmede de door [eiser] geleden schade aan [eiser] te betalen. De laatstgenoemde schade bestaat uit:

- vernieuwen electra € 8.300,--

- verbouwing interieur € 7.500,--

- aanbrengen stalen binten € 750,--

- aanleggen vloer € 4.200,--

- aanbrengen gipsplaten € 350,--

- afvoerpijp € 50,--

- arbeidsloon tbv. verbouwing € 3.100,--

- 3 maanden salaris € 3.360,--

3.5 Subsidiair is [gedaagde] op grond van een jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daad gehouden de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft tegen de vordering van [eiser] verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

[eiser] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht en bewijsaandragingsplicht.

4.2

[gedaagde] betwist dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt. [gedaagde] heeft [eiser] immer voorgehouden dat in de horecagelegenheid op grond van de bestaande vergunning slechts het verstrekken van etenswaren is toegestaan en dat uitsluitend ter ondersteuning daarvan het verstrekken van drank is toegestaan. Dit blijkt onder andere uit het feit dat dit voor alle horecagelegenheden in de Brede Havenstraat in Vlaardingen geldt alsmede uit het register van de Kamer van Koophandel waarin staat opgenomen dat de bedrijfsomschrijving van de VOF een café-restaurant is en geen cafébedrijf.

4.3

[gedaagde] wist niet dat [eiser] een cafébedrijf in de horecagelegenheid wilde vestigen. De horecagelegenheid was een cafetaria met als kenmerk het verstrekken van kleine eetwaren en drank, ook wel gecategoriseerd als “café-restaurant”. [eiser] heeft het richting [gedaagde] steeds doen voorkomen alsof hij een café-restaurant wilde beginnen en het verstrekken van etenswaren wilde voortzetten.

4.4

Een beroep op vernietiging van de koopovereenkomst wegens bedrog en/of dwaling dan wel wegens het ontbreken van wilsovereenstemming kan gezien het bovenstaande niet slagen.

4.5

Mocht geoordeeld worden dat er wel sprake is van dwaling aan de zijde van [eiser], dan dient dit op grond van artikel 6:228 lid 2 BW voor zijn rekening te blijven. [eiser] had zelf onderzoek dienen te verrichten naar de gebruiksmogelijkheden van de horecagelegenheid.

4.6

De door [eiser] gevorderde schade wordt betwist, nu er geen causaal verband is tussen de gevorderde schade en de, volgens [eiser], foutieve informatie die [gedaagde] aan [eiser] heeft verstrekt. Daarnaast wordt de hoogte van de gevorderde schade betwist. Bovendien heeft [eiser] voor de ingrijpende verbouwing geen toestemming van de eigenaar/verhuurder gevraagd noch bij de gemeente een vergunning aangevraagd. Tot slot heeft [eiser] niet voldaan aan de schadebeperkingsplicht.

4.7

[gedaagde] betwist dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en is ook op die grond geen schadevergoeding aan [eiser] verschuldigd.

5. De beoordeling

5.1

[eiser] beroept zich op dwaling als bedoeld in artikel 6:228, lid 1, aanhef en onder a BW. Voor een geslaagd beroep op vernietiging van de overeenkomst op grond van deze dwalingsvorm dient vast te staan dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten.

5.2

Bij dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat hij - voorafgaand aan de koopovereenkomst - aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat hij een café wilde gaan exploiteren en dat [gedaagde] hem toen heeft gezegd dat dit door de gemeente zou worden toegestaan en voorts dat hij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten. Dit terwijl [gedaagde] toen al wist dat de gemeente de benodigde vergunning niet zou verlenen omdat [gedaagde] enkele maanden voordat de aanvraag door [eiser] werd ingediend al bij de gemeente was geweest met een andere kandidaat-koper die in de zaak een café wilde vestigen waarbij zijdens de gemeente is meegedeeld dat dit niet kon.

Bij de comparitie van partijen heeft [eiser] - zo begrijpt de rechtbank - zijn stelling nader feitelijk onderbouwd. [eiser] wilde een zaak waar men iets kleins kon eten, en daarna nog iets kon drinken en dansen. [gedaagde] heeft hem gezegd dat er naast drank ook eten verkocht moest worden.

5.3

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] daar tegenover gesteld dat hij [eiser] steeds heeft voorgehouden dat in de zaak alleen het verstrekken van etenswaren was toegestaan, en ter ondersteuning daarvan, het verstrekken van drank. [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] de overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij had geweten dat in het pand niet een zuiver cafébedrijf geëxploiteerd mocht worden. Richting [gedaagde] heeft [eiser] het namelijk doen voorkomen alsof hij een café-restaurant wilde beginnen. Op grond daarvan had [gedaagde] mogen aannemen dat de overeenkomst ook zonder een eventuele mededeling van zijn kant, dat een café mocht worden uitgeoefend - wat door [gedaagde] wordt betwist - zou zijn gesloten.

Als er al zou zijn gedwaald dient dit voor rekening van [eiser] te blijven.

5.4

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ook indien vast zou komen te staan dat [eiser] heeft gedwaald omtrent de mogelijkheid het pand als café te exploiteren geldt dat deze dwaling gelet op de omstandigheden van het geval voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

Immers, blijkens het verhandelde ter comparitie staat tussen partijen vast dat [gedaagde] in elk geval aan [eiser] heeft meegedeeld dat in de horecagelegenheid naast drank ook voedsel geserveerd moest worden. Deze ongespecificeerde mededeling, die niet los kan worden gezien van de gestelde mededeling waarop [eiser] zich beroept, roept vragen op en had voor [eiser] aanleiding moeten zijn zelf nader onderzoek te doen naar de eisen die de gemeente aan het exploiteren van een café stelde. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zelf enig onderzoek naar die vereisten heeft gedaan of dat dit onderzoek bezwaarlijk voor hem zou zijn geweest. Hierop strandt het beroep van [eiser] op vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling.

5.5

[eiser] beroept zich tevens op bedrog. Bedrog is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door een opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling of door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mee te delen.

Om met het laatste te beginnen: Door aan te geven dat er niet alleen drank geserveerd mocht worden, maar er (in welke vorm dan ook) eten bij moest, heeft [gedaagde] - weliswaar in andere woorden - aan [eiser] meegedeeld dat een cafébedrijf sec, alleen dan wel in hoofdzaak gericht op de verkoop van drank, niet was toegestaan. Gelet daarop zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om aan te kunnen nemen dat sprake is van verzwijging van enig feit dat [gedaagde] aan [eiser] verplicht was mee te delen.

Ten aanzien van de gestelde onjuiste mededeling geldt ook hier dat naar het oordeel van de rechtbank de mededeling van [gedaagde] dat de exploitatie van een cafébedrijf in de horecagelegenheid door de gemeente zou worden toegestaan, niet los gezien kan worden van de tevens gedane mededeling van [gedaagde] dat er tevens voedsel geserveerd moest worden. Dit resulteert in een weinig specifieke mededeling van de zijde van [gedaagde]. [eiser] heeft onvoldoende concreet gesteld in welk opzicht de aldus gekleurde mededeling van [gedaagde] onjuist was, hem heeft bewogen tot het aangaan van de overeenkomst en bedrog oplevert.

Ook het beroep op bedrog slaagt derhalve niet.

5.6

Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot vernietiging en tot terugbetaling en schadevergoeding dient te worden afgewezen. Een gebrek aan wilsovereenstemming bij het totstandkomen van de overeenkomst is geen grond voor vernietiging zodat de stellingen daarover worden gepasseerd.

5.7

[eiser] heeft zijn subsidiaire stelling dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Voorzover hij deze vordering heeft willen baseren op de gestelde onjuiste mededeling/verzwijging van [gedaagde] aangaande exploitatiemogelijkheden van het horecabedrijf, geldt dat uit het hiervoor daarover overwogene voortvloeit dat zijn stellingen op dat punt onvoldoende zijn om aan te kunnen nemen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Nu deze subsidiaire grondslag voor de gevorderde schadevergoeding niet slaagt, strandt de vordering tot schadevergoeding op die grond ook.

5.8

De vordering tot ontbinding van de overeenkomst is niet onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.

5.9

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 1.375,-- aan vast recht en op € 1.158,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1444/777