Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6262

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
187930 / HA ZA 02-2646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

soort zaak

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 187930 / HA ZA 02-2646

Uitspraak: 28 juni 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieube-heer),

zetelende te Den Haag,

eiser,

procureur mr. H.E. Schweers,

advocaat mr. A.J. van Poortvliet te Den Haag,

- tegen -

de besloten vennootschap

KUWAIT PETROLEUM NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. P.J. de Waal,

advocaat mr. J. van Baaren te Rotterdam.

Partijen blijven hierna aangeduid als "de Staat" respectievelijk "Kuwait Petrole-um".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank van 8 juni 2005 en de daaraan ten grond-slag liggende processtukken;

- proces-verbaal van het op 7 november 2005 gehouden getuigenverhoor;

- conclusie na enquête van Kuwait Petroleum, met een productie;

- antwoordconclusie na enquête, tevens houdende akte bewijslevering en overlegging producties van de Staat, met producties;

- antwoordakte van Kuwait Petroleum.

2. De verdere beoordeling

2.1

Bij voornoemd tussenvonnis is Kuwait Petroleum opgedragen te bewijzen dat de bodemverontreiniging van het perceel in relevante mate vóór 1975 is ontstaan.

2.2

Kuwait Petroleum heeft in enquête doen horen de heren [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. De Staat heeft afgezien van contra-enquête.

2.3

[getuige 1], in 1966 rayoninspecteur bij een rechtsvoorganger van Kuwait Petro-leum, heeft verklaard dat er in het verleden op het perceel sprake was van een in zijn ogen slordige bedrijfsvoering. [getuige 2], eind jaren 70 als rayoninspecteur bij een rechtsvoorganger van Kuwait Petroleum betrokken bij de locatie, heeft verklaard in het verlengde van zijn verklaring als weergegeven in voornoemd tus-senvonnis onder 3.7. [getuige 3] heeft niets over de bewijsopdracht kunnen ver-klaren.

2.4

Kuwait Petroleum is er niet in geslaagd in te bewijzen dat de bodemverontreini-ging van het perceel in relevante mate vóór 1975 is ontstaan.

2.5

Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat hij het onwaarschijnlijk acht dat de lekkage al lang zo erg was als op het moment dat de leidingen in 1979 in zijn op-dracht werden opgegraven. In zijn visie begint een lekkage als de onderhavige met een klein gaatje. Vervolgens zou het jaren kunnen duren voordat het echt erg wordt. [getuige 2] heeft aan product laten crediteren wat hij redelijk vond.

2.6

Kuwait Petroleum heeft in verband met de lekkage product gecrediteerd over 1978 en 1979. Vast staat dat in die jaren een aanzienlijke hoeveelheid benzine in de bodem is gestroomd. Hoewel denkbaar is dat er reeds voor 1975 lekkage is opgetreden en/of bij incidenten voor 1975 enige verontreiniging is ontstaan, is niet bewezen dat de bodemverontreiniging in relevante mate vóór 1975 is ont-staan.

2.7

De Staat kan - behoudens matiging door de rechter - de ten laste van de over-heid komende kosten van onderzoek en sanering van gevallen van ernstige ver-ontreiniging verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad de verontreini-ging of de aantasting van de bodem in het betrokken geval is veroorzaakt en die deswege jegens enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.

2.8

Bij tussenvonnis van 8 juni 2005 heeft de rechtbank beslist dat Kuwait Petroleum nalatigheid kan worden verweten omdat zij geen adequaat onderzoek heeft ver-richt en geen adequate maatregelen heeft genomen om het uitstromen van ben-zine uit de ondergrondse tanks in de bodem te voorkomen. Nu de geconstateer-de ernstige verontreiniging door de onrechtmatige daad van Kuwait Petroleum is veroorzaakt, is Kuwait Petroleum jegens de overheid aansprakelijk voor de gevol-gen daarvan.

2.9

De Staat stelt dat de ten laste van de overheid gekomen kosten van onderzoek en sanering € 1.339.858,00 hebben belopen.

2.10

Het standpunt van Kuwait Petroleum dat de in deze procedure door de Staat op-gevoerde saneringskosten in geen verhouding staan tot de gemiddelde sane-ringskosten waarmee Subat geconfronteerd wordt bij de uitvoering van bodem-saneringen is wellicht juist, maar niet relevant. Dit zou slechts relevant zijn in-dien Subat vergelijkbare bodemsaneringen uitvoert. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. Onderhavig geval betreft een ernstige verontreiniging waarbij vaststaat dat omstreeks 1978/1979 een grote hoeveelheid benzine in de bodem is gestroomd, waarna geen maatregelen zijn getroffen om verspreiding van de ver-ontreiniging te voorkomen zodat die verontreiniging zich over een groter gebied heeft kunnen verspreiden.

2.11

Kuwait Petroleum heeft aangeboden te bewijzen dat de door de Staat gevorderde kosten buitensporig hoog zijn en derhalve fors gematigd dienen te worden. Nu Kuwait Petroleum weliswaar stelt dat de kosten buitensporig hoog zijn, maar die stelling niet heeft onderbouwd, zal zij niet worden toegelaten tot bewijsvoering hieromtrent.

2.12

Het standpunt van Kuwait Petroleum dat de Staat dient te bewijzen dat destijds is gekozen voor de meest doelmatige saneringsvariant, acht de rechtbank onjuist. De Staat heeft de relevante rapportages overgelegd. Indien Kuwait Petroleum zou menen dat de Staat heeft gekozen voor een niet doelmatige saneringsvariant lag het in de rede dat zij zulks voldoende gemotiveerd zou stellen. Uit de overgeleg-de rapporten is de rechtbank niet gebleken dat de Staat voor een niet doelmatige saneringsvariant heeft gekozen.

2.13

Kuwait Petroleum heeft haar standpunt dat de kosten van de sanering beperkt hadden kunnen worden indien zou zijn gesaneerd met het oog op toekomstig gebruik van het perceel als motorbrandstoffenverkooppunt, niet voldoende on-derbouwd. Bovendien is niet in te zien op grond waarvan de overheid in dit ge-val gehouden zou zijn geweest te kiezen voor een saneringsvariant waarbij de door het onrechtmatig nalaten van Kuwait Petroleum veroorzaakte verontreini-ging minder grondig zou worden gesaneerd dan wenselijk en redelijkerwijs mo-gelijk was. Gesteld noch gebleken is dat het perceel in de toekomst slechts een bestemming als motorbrandstoffenverkooppunt zou krijgen. Een beperkte func-tionele saneringsvariant zoals door Kuwait Petroleum bedoeld, lag derhalve, zo al mogelijk, niet in de rede.

2.14

Bij tussenvonnis van 8 juni 2005 heeft de rechtbank onder 3.14 overwogen dat de Staat een onderdeel van zijn vordering dat hij had benoemd als "schadevergoe-ding" nader diende toe te lichten. Deze kostenpost betreft een bedrag van € 446.240,32 (ƒ 983.384,25), als volgt gespecificeerd:

Omschrijving Bedrag in NLG

Vergoeding aan [W.] 12.180,00

Vergoeding aan [van ‘t Z.] 157.875,00

Vergoeding aan [van ‘t Z.] 38.665,00

Vergoeding aan Slot 649.000,00

Diversen o.a. notariskosten 106.954,00

Uren 18.710,00

Totaal 983.384,25

2.15

Bij antwoordconclusie na enquête heeft de Staat deze kostenpost nader toege-licht.

2.16

De heer en mevrouw [W.] (hierna: "[W.]") waren ten tijde van de uitvoering van de sanering eigenaren en bewoners van de locatie [straat, huisnummer en ge-meente]. Onderdeel van de sanering vormde de ontgraving van de voortuin en de oprit naar de garage op die locatie. Gedurende de sanering was de garage niet bereikbaar. Voor herstel van de oprit en de tuin en voor de tijdelijke huur van een vervangende garage is op basis van een taxatierapport aan schadevergoeding een bedrag van ƒ 12.180,00 (€ 5.527,00) betaald.

2.17

De heer en mevrouw [van ‘t Z.] (hierna: "[van ‘t Z.]") waren ten tijde van de uit-voering van de sanering eigenaren en bewoners van de locatie [straat, huisnum-mer en gemeente]. In verband met de sanering was het technisch noodzakelijk dat de op deze locatie aanwezige woning werd afgebroken. Voor inrichtings- en verhuiskosten, het gemis van de groententuin, de tijdelijke huur van een garage en de te realiseren nieuwbouw is op basis van een taxatierapport aan schadever-goeding een bedrag van ƒ 196.540,00 (€ 89.185,96) betaald.

2.18

Slot Glanerbrug Beheer B.V. en Installatiebedrijf Slot Glanerbrug B.V. (hierna: "Slot") waren tot 22 november 1993 eigenaren van de locatie Van Haeringen-straat 6b te Dedemsvaart, zijnde het bronperceel. Op deze locatie oefende In-stallatiebedrijf Slot Glanerbrug B.V. haar bedrijf uit. Per 1 juni 1994 heeft Slot de locatie inclusief opstallen aan de provincie Overijssel ter beschikking gesteld ten behoeve van de grond- en grondwatersanering. Het bedrijf is verplaatst naar een andere locatie. Op basis van een taxatierapport is aan schadevergoeding een be-drag van ƒ 649.000,00 (€ 294.503,36) betaald.

2.19

De post "Diversen o.a. notariskosten" betreft taxatiekosten en notariskosten in verband met het doen vaststellen van de te betalen schadevergoedingen en het effectueren van eigendomsoverdrachten. De post "Uren" betreft door ambtena-ren van de provincie Overijssel aan de problematiek bestede tijd.

2.20

De rechtbank verwerpt het verweer van Kuwait Petroleum dat schadevergoedin-gen die worden betaald aan degenen die onderzoek en sanering op hun grond-gebied (dienen te) gedogen geen kosten van sanering kunnen vormen. De recht-bank is van oordeel dat de door de Staat betaalde schadevergoedingen, taxatie- en notariskosten en kosten van door ambtenaren van de provincie Overijssel be-stede tijd in beginsel zijn begrepen onder de in artikel 75 lid 1 Wet bodembe-scherming bedoelde kostenposten. Het betreft kosten die noodzakelijkerwijs dienden te worden gemaakt om sanering van de grond in overeenstemming met de destijds geldende wettelijke normen mogelijk te maken. Strekking noch in-houd van artikel 75 lid 1 Wet bodembescherming brengen mee dat het begrip kosten van sanering eng dient te worden uitgelegd.

2.21

Ter zake van de aan [W.] verrichtte betaling van € 5.527,00 voert Kuwait Petrole-um aan dat niet is gebleken van door de Minister van VROM verleende goedkeu-ring. De rechtbank acht niet relevant dat de Staat geen bewijs van instemming van de Minister van VROM heeft overgelegd. Gesteld noch gebleken is immers dat het bedrag ten onrechte is betaald. Kuwait Petroleum heeft ook niet gesteld dat er een reden voor de Minister van VROM bestond om toestemming aan de betaling te onthouden. De door de Staat overgelegde brief van 18 juni 1993 van de Minister van VROM vermeldt dat in kleine en evident probleemloze gevallen geen instemming vooraf behoeft te worden verleend bij het toekennen van scha-devergoeding. Het bedrag werd betaald teneinde de noodzakelijke sanering - in overeenstemming met de geldende regels - mogelijk te maken. De betaling vormt onderdeel van de kosten van sanering in de zin van artikel 75 lid 1 Wet bodembescherming.

2.22

Kuwait Petroleum voert aan dat aan [van ‘t Z.] een bedrag van in totaal € 89.185,96 is uitgekeerd, terwijl ingevolge de door de Staat overgelegde overeen-komst van 12 januari 1993 tussen [van ‘t Z.] en de provincie Overijssel een scha-devergoeding van € 86.962,44 is toegekend. In de visie van Kuwait Petroleum is een hoger bedrag uitgekeerd dan was afgesproken. De rechtbank acht die con-clusie onjuist. Uit de door de Staat overgelegde brief van 20 juni 1994 van de provincie Overijssel blijkt dat eerst een bedrag van ƒ 38.665,00 betaalbaar is ge-steld. Dat is inclusief ƒ 25,00 inschrijfkosten die niet in de taxatie waren begre-pen. Uit de door de Staat overgelegde brief van 27 juli 1994 van de provincie Overijssel blijkt dat vervolgens een bedrag van ƒ 157.875,00 betaalbaar is gesteld. Dat betreft de overeengekomen ƒ 153.000,00 ter zake van nieuwbouw, en een verhoging van dit bedrag met ƒ 4.875,00 als gevolg van de indexatie van de bouwkosten. Het totaalbedrag van ƒ 196.540,00 (€ 89.185,96) betreft derhalve de toegekende schadevergoeding.

2.23

Met betrekking tot de aan Slot toegekende vergoeding voert Kuwait Petroleum aan dat de kosten gepaard gaande met een bedrijfsverplaatsing en geplande nieuwbouw niet als saneringskosten kunnen worden aangemerkt. Nu Kuwait Petroleum niet heeft betwist dat het noodzakelijk was deze kosten te maken ten-einde de sanering mogelijk te maken, wordt dat verweer verworpen. De recht-bank verwijst in dit verband naar hetgeen zij onder 2.20 hiervoor heeft overwo-gen.

2.24

Van de notaris- en taxatiekosten heeft de Staat een specificatie overgelegd (pro-ductie 47 bij antwoordconclusie na enquête). Kuwait Petroleum voert terecht aan dat de Staat heeft nagelaten de onderliggende facturen over te leggen zodat Kuwait Petroleum niet in staat is om op basis van het kostenoverzicht na te gaan of de hierin genoemde bedragen daadwerkelijk zijn betaald. De grootste post op de specificatie betreft: "Hazendonk notariskosten" ten bedrage van € 27.904,90. De met die post corresponderende afrekening van 25 oktober 1993 van notaris Van Hazendonk heeft de Staat wel overgelegd (productie 50 bij antwoordconclu-sie na enquête). De afrekening betreft een totaalbedrag van ƒ 61.494,36 (€ 27.904,90). Daarvan is een gedeelte ten bedrage van ƒ 60.000,00 aangewend als koopsom voor de ondergrond van het perceel Van Haeringenstraat 6b te De-demsvaart. De rechtbank zal de Staat in de gelegenheid stellen de overige onder-liggende facturen bij akte in het geding te brengen en - voor zover nodig - toe te lichten. Kuwait Petroleum zal bij antwoordakte kunnen reageren.

2.25

Ten aanzien van de post "Uren" voert Kuwait Petroleum terecht aan dat deze post niet nader is onderbouwd. Niet blijkt hoeveel uren het betreft, waaraan en door wie die uren zijn besteed en welke tarieven zijn gehanteerd. Ook deze post zal de Staat bij voornoemde akte nader kunnen specificeren en toelichten, waar-na Kuwait Petroleum bij antwoordakte hierop zal kunnen reageren.

2.26

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 26 juli 2006 voor het nemen van een akte door - eerst - de Staat, waarbij de Staat stukken in het geding kan brengen en zich kan uitlaten als bedoeld onder 2.24 en 2.25 hiervoor.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1729; 798