Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6256

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
06/2569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. De in de beginseltoestemming opgenomen voorwaarde dat het leeftijdsverschil niet meer dan 40 jaar mag bedragen kan niet in stand blijven omdat zich bijzondere omstandigheden voordoen die zijn gelegen in de lange duur van de procedure, waarbij geldt dat het voor verzoeker in casu onmogelijk zal zijn om onder die voorwaarde een kind te kunnen adopteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VWET 06/2569-NIFT

WET 06/2570-NIFT (hoofdzaak)

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker)

en

De Minister van Justitie, Directeur Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 10 januari 2002 heeft verzoeker in het kader van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: Wobka) bij verweerder een aanvraag gedaan ter verkrijging van toestemming tot opneming ter adoptie van een buitenlands kind.

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft verweerder beginseltoestemming verleend onder onder meer de voorwaarde dat het leeftijdsverschil tussen het kind en de adoptiefouder niet meer dan 40 jaren mag bedragen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 16 november 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 mei 2006 is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Bij brief van 16 juni 2006 heeft verzoeker tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. In dezelfde brief heeft verzoeker verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2006. Aanwezig waren verzoeker en M. de Rijke. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.H. Gelauff.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Wettelijk kader

Artikel 5, zesde en zevende lid, van de Wobka luidt als volgt.

‘6. Onze Minister beslist afwijzend op een verzoek tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een beginseltoestemming indien te verwachten is dat op het tijdstip waarop een buitenlands kind zou kunnen worden opgenomen, het verschil in leeftijd tussen een der aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind meer dan veertig jaren bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden inwilliging van het verzoek naar zijn oordeel wenselijk maken.

7. Onze Minister kan met het oog op het vereiste dat het leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouders en buitenlands kind de veertig jaren niet te boven gaat, een voorwaarde stellen met betrekking tot de leeftijd van het buitenlandse kind.’

Artikel 3, tweede lid, van de Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000 (hierna: de Richtlijnen) luidt als volgt.

‘Het leeftijdsverschil van ten hoogste veertig jaren tussen een van de aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind mag met meer dan twee jaren worden overschreden bij opneming van een buitenlands kind, in ieder geval indien:

a. er sprake is van een buitenlands kind in de leeftijd vanaf twee jaar, dat kan worden opgenomen door aspirant-adoptiefouders van wie een of beiden ouder zijn dan tweeënveertig jaar;

b. het betreft een jongere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;

c. het betreft de gezamenlijke opneming van twee of meer buitenlandse kinderen uit een familie tussen wie onderling een groot leeftijdsverschil bestaat en de overschrijding een of meer kinderen betreft;

d. er sprake is van een moeilijk plaatsbaar buitenlands kind vanwege een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde lichamelijke handicap, een manifeste gedragsstoornis, een meer dan normale achterstand in lichamelijke en/of geestelijke ontwikkeling, of een direkte noodzaak tot medische behandeling, die niet of bezwaarlijk in het land van herkomst kan plaats vinden.’

In het bestreden besluit is vermeld dat op grond van artikel 5, zesde en zevende lid, van de Wobka het leeftijdsverschil tussen de aspirant-adoptiefouder en het buitenlandse kind op het tijdstip waarop een buitenlands kind wordt opgenomen niet meer mag zijn dan 40 jaar tenzij bijzondere omstandigheden dit toelaten. Deze bijzondere omstandigheden welke niet-limitatief zijn vermeld in artikel 3, tweede lid, van de Richtlijnen kunnen volgens verweerder, gelet op de opzet en strekking van de Richtlijnen, slechts zijn gelegen in het belang van het kind en niet ook in het belang van verzoeker. Nu er (nog) geen sprake is van een kind, is er derhalve geen sprake van bijzondere omstandigheden, aldus verweerder. Ook de lange periode welke is gelegen tussen de aanvraag en de beginseltoestemming onder voorwaarden, betreft niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het leeftijdsverschil van 40 jaar mag worden overschreden nu er geen sprake is van een belang gelegen aan de zijde van het kind.

Verzoeker voert aan dat de beginseltoestemming onder voornoemde voorwaarde is afgegeven op 21 oktober 2005 terwijl hij op 18 februari 2006 40 jaar is geworden. Verzoeker had toestemming nodig van verweerder voor vertaling van de relevante stukken ten behoeve van de Amerikaanse adoptiebemiddeling. Omdat op toestemming van verweerder voor de vertaling van de stukken alsmede op de vertaling zelf moest worden gewacht, zijn bepaalde benodigde stukken eerst begin april 2006 door het Nederlandse bemiddelingsbureau aan het Amerikaanse bemiddelingsbureau Adoption ARC verzonden. De zogenaamde matching van een buitenlands - in dit geval een Amerikaans - kind en de adoptiefouder duurt vervolgens over het algemeen 18 maanden. Gezien het voorgaande komt het afgeven van de beginseltoestemming onder de genoemde voorwaarde op hetzelfde neer als een afwijzing ervan. Verzoeker is van mening dat indien het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming zorgvuldig was uitgevoerd, hij de beginseltoestemming uiterlijk begin 2004 zou hebben verkregen, in ieder geval ruim voor zijn veertigste verjaardag. Verzoeker voert onder meer aan dat de lange periode tussen zijn aanvraag en de datum van de beginseltoestemming onder voorwaarden, derhalve niet voor zijn risico en rekening mag komen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Zoals uit de relevante stukken uit het dossier blijkt, heeft verzoeker steeds aangegeven dat hij in verband met zijn situatie - alleenstaand, homoseksueel met een voltijdbaan - een gezond kind wenst te adopteren. Deze wens is niet slechts ingegeven door de eigen omstandigheden van verzoeker die het min of meer noodzakelijk maken dat het kind niet gehandicapt is, doch ook door de belangen van het kind. Het kind zou anders teveel worden geconfronteerd met anderszijn, te weten de wetenschap dat het kind is geadopteerd, de eventuele handicap van het kind alsmede de alleenstaande vader die bovendien homoseksueel is. Voorts heeft verzoeker ook steeds aangegeven aangewezen te zijn op adoptie van een kind uit Amerika waarbij het dan gaat om een pasgeborene. Het voorgaande blijkt onder meer uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 29 maart 2004 en het schriftelijk commentaar van verzoeker daarop alsmede uit het aanvullend onderzoek van orthopedagoog/gz-psycholoog dr. A.J.G. Vinke (hierna: Vinke) van 16 augustus 2005. Door verweerder is - ook ter zitting - niet weersproken dat de mogelijkheden tot adoptie van verzoeker in zijn specifieke geval zijn beperkt tot Amerika. Evenmin heeft verweerder weersproken dat adoptiekinderen uit Amerika in verreweg de meeste gevallen pasgeborenen zijn. Het argument van verweerder dat de beginseltoestemming tevens geldt ten aanzien van oudere kinderen alsmede pasgeborenen met een handicap kan, gezien het voorgaande, niet leiden tot het oordeel dat de beginseltoestemming zoals die op 21 oktober 2005 is afgegeven en op 1 mei 2006 is gehandhaafd voor verzoeker een reële mogelijkheid tot adoptie inhoudt.

In de ontvangstbevestiging van de aanvraag van verzoeker van 10 januari 2002 is vermeld dat aan de eventuele afgifte van een beginseltoestemming een gezinsonderzoek uitgevoerd door de Raad voor de Kinderbescherming voorafgaat en dat verzoeker rekening dient te houden met een wachttijd tot dit gezinsonderzoek van twee jaar. In voornoemde brief is eveneens vermeld dat verzoeker gedurende de wachttijd voorlichtingsbijeenkomsten dient bij te wonen van de afdeling voorlichting en informatie van de stichting Adoptievoorzieningen (hierna: VIA) en dat voorlichting en gezinsonderzoek zoveel mogelijk op elkaar zullen aansluiten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de voorlichting over het algemeen drie maanden duurt waarna het gezinsonderzoek plaatsvindt. Dit gezinsonderzoek alsmede het daarop gebaseerde advies aan verweerder duurt volgens de gemachtigde van verweerder ongeveer drie tot zes maanden. Nu verzoeker een mogelijkheid is geboden om versneld in een ander arrondissement dan waar hij woonachtig is, deel te nemen aan de voorlichtingsbijeenkomsten in de periode van eind april 2003 tot en met half juli 2003, mocht hij ervan uitgaan dat het gezinsonderzoek begin 2004 zou zijn afgerond. In dit geval dateert het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 29 maart 2004. Indien het advies van de Raad voor de Kinderbescherming positief had geluid, had in april 2004 of zoveel eerder een beginseltoestemming aan verzoeker kunnen zijn verleend waardoor er sprake was van een periode van in ieder geval 22 maanden - tot aan de veertigste verjaardag van verzoeker in februari 2006 - waarin de matching tussen hem en een pasgeborene uit Amerika had kunnen plaatsvinden.

In het onderhavige geval heeft de Raad voor de Kinderbescherming naar aanleiding van het onderzoek een negatief advies uitgebracht omdat - kort weergegeven - een paar nader genoemde mogelijkheden van verzoeker onvoldoende werden geacht om garant te kunnen staan voor een goede ontwikkeling van een (mogelijk) getraumatiseerd adoptiekind. Daarnaast waren de ervaringen van verzoeker met kinderen onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij voldoende is voorbereid op de zorg voor een kind, aldus de Raad voor de Kinderbescherming.

Naar aanleiding van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming alsmede naar aanleiding van het commentaar van verzoeker daarop heeft verweerder bij brief van 8 december 2004 gericht aan de Raad voor de Kinderbescherming laten weten dat het verzoek om toestemming voor adoptie van verzoeker gezien zijn leeftijd dient te worden beoordeeld volgens het ‘ja-tenzij’ principe. Voorts is in voornoemde brief medegedeeld dat verweerder het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, volgens dat principe oordelend, niet voldoende onderbouwd acht en dat een aantal vragen onbeantwoord is gebleven, waarna een vijftal vragen is geformuleerd die alsnog beantwoording behoeven. Reeds op grond van deze brief kan het standpunt van verweerder dat het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming niet als onzorgvuldig kan worden bestempeld doordat er slechts een andere weging van de feiten heeft plaatsgevonden dan bij het onderzoek van Vinke geen stand houden. Immers, indien slechts sprake was van een andere weging van de feiten, had het rapport als voldoende onderbouwd moeten zijn beoordeeld door verweerder, hetgeen hier juist niet het geval is. Tevens is het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, zoals ook de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend, onvolledig.

Vervolgens heeft er eerst op 16 augustus 2005 een aanvullend onderzoek plaatsgevonden. In het feit dat Vinke in tegenstelling tot de Raad voor de Kinderbescherming slechts twee risicofactoren benoemt en haar advies positief luidt, welk advies verweerder heeft gevolgd, ziet de voorzieningenrechter haar oordeel omtrent het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming ondersteund.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de lange duur van de onderzoeksperiode niet aan verzoeker is te wijten. Verzoeker heeft er immers van zijn kant alles aan gedaan de periode tussen zijn aanvraag en de beginseltoestemming te bespoedigen door in een ander arrondissement dan waarin hij woonachtig was voorlichting te volgen, alsmede door Vinke, van wie hem bekend was dat zij in het algemeen zeer kritisch staat ten opzichte van éénpersoonsadopties, te accepteren als deskundige.

Het argument van verweerder dat de duur van de procedure niet als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Richtlijnen kan worden aangemerkt en daarom niet kan worden afgeweken van de leeftijdseis van 40 jaar, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Dit artikellid bevat immers geen limitatieve opsomming van bijzondere omstandigheden.

Met betrekking tot het argument van verweerder dat desondanks een bijzondere omstandigheid slechts kan zijn gelegen in het belang van het kind, wijst de voorzieningenrechter op de Memorie van Antwoord, Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 046, nr. 6. Aangezien artikel 5, zesde lid, van de Wobka sinds de invoering van de Wobka niet is gewijzigd, acht de voorzieningenrechter hetgeen in de eerder genoemde Memorie van Antwoord hieromtrent is opgenomen nog immer actueel. Op de vraag van de leden van de C.D.A.-fractie of het onderzoek niet aan een termijn ware te binden in verband met de mogelijkheid dat door vertraging buiten de schuld van de aspirant-pleegouders een verzoek zou moeten worden afgewezen, antwoordde de toenmalige minister in de Memorie van Antwoord het volgende ‘Ik acht het stellen van een termijn niet noodzakelijk. Onvoorziene omstandigheden die niet aan verzoekers kunnen worden toegeschreven, kunnen redelijkerwijze niet tot afwijzing leiden. Mocht een verzoek in een dergelijk geval niettemin worden afgewezen, dan kan om herziening van de beslissing worden gevraagd.’ Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vier maanden voorafgaand aan verzoekers veertigste verjaardag toewijzen van de beginseltoestemming onder de voorwaarde van het leeftijdsvereiste, gelijk valt te stellen aan een afwijzing van de beginseltoestemming daar verzoeker - zoals hiervoor geschetst - geen reële mogelijkheid tot adoptie wordt geboden. Het standpunt van verweerder zoals ter zitting naar voren gebracht, te weten dat de lange duur van het onderzoek geen onvoorziene omstandigheid is zoals bedoeld in de Memorie van Antwoord kan de voorzieningenrechter niet volgen. Nu de vraag van de C.D.A.-leden juist doelt op de duur van de onderzoeksprocedure, kunnen de woorden ‘onvoorziene omstandigheden’ in het antwoord van de minister niet anders worden uitgelegd dan dat die zien op de duur van de onderzoeksprocedure.

Gelet op al het voorgaande acht de voorzieningenrechter het bestreden besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd betreffende de bevoegdheid om in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van de Wobka af te wijken van het leeftijdsverschil van 40 jaar. Het komt de voorzieningenrechter in dit geval als redelijk voor dat de periode vanaf 29 maart 2004 tot 18 februari 2006, doch in ieder geval van 29 maart 2004 tot 21 oktober 2005 niet aan verzoeker wordt tegengeworpen.

Verweerder had in dit geval, wat er verder zij van het argument van verweerder dat de kwetsbare positie van kinderen die uit het buitenland worden geadopteerd ertoe heeft geleid dat een maximaal leeftijdsverschil is opgenomen in de Wobka, onder afweging van alle belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebruik dienen te maken van zijn bevoegdheid af te wijken van het maximale leeftijdsverschil nu niet aannemelijk is dat het belang van het te adopteren kind zich verzet tegen adoptie door verzoeker met een overschrijding van het genoemde leeftijdsverschil met 19 dan wel 22 maanden. Daarbij laat de voorzieningenrechter meewegen dat Amerika de leeftijdsvoorwaarde niet stelt en er thans een wetsvoorstel in de maak is dat het maximale leeftijdsverschil beoogt te verhogen tot 44 jaar.

Nu het beroep reeds om deze reden gegrond zal worden verklaard, komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan een beoordeling van de overige grieven van verzoeker.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op de leeftijd van verzoeker alsmede de duur die is gemoeid met de matching en de werkelijke opname van het adoptiefkind, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen in het kader van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb welke inhoudt dat verzoeker dient te worden geacht in het bezit te zijn van een beginseltoestemming als ware de voorwaarde omtrent het maximale leeftijdsverschil op 42 jaar gesteld.

Nu reeds een voorlopige voorziening is getroffen in het kader van voornoemd artikel, bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening in het kader van artikel 8:86 van de Awb zodat het verzoek hiertoe op die grond dient te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op het feit dat verzoeker ter zitting zijn verzoek om proceskostenveroordeling in bezwaar heeft ingetrokken, geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

treft een voorlopige voorziening inhoudende dat verzoeker dient te worden geacht in het bezit te zijn van een beginseltoestemming als ware de voorwaarde omtrent het maximale leeftijdsverschil op 42 jaar gesteld,

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van artikel 8:81 van de Awb van verzoeker af,

bepaalt dat de Staat aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 141,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. van der Zalm als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval verzoeker wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak, voorzover betrekking hebbende op de hoofdzaak, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.