Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6241

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
245500 / HA ZA 05-2532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring. Hoewel, gerekend vanaf het moment waarop eiseres met de vordering bekend is geworden nog geen vijf jaren verstreken zijn, is de vordering verjaard nu voor het aanvangstijdstip van de verjaring tevens beslissend is het tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond waardoor de (gestelde) schade is veroorzaakt. In dit geval is dat 1 april 1984, te weten de dag nadat het aanbod van de gemeente tot conversie van de erfpachtvoorwaarden is vervallen. Eiseres is in oktober 2004 met de schade bekend geworden en de inleidende dagvaarding is op 1 augustus 2005 uitgebracht. Aldus zijn meer dan twintig jaren verstreken tussen de dag nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond en de datum waarop de vordering is ingesteld. De vordering is derhalve verjaard. Beslissing: niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 245500 / HA ZA 05-2532

Uitspraak: 5 juli 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.P.M. Borsboom,

advocaat mr. P. Groeneveld,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. J. Slager.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "Gemeente".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 1 augustus 2005;

- de door [eiseres] overgelegde akte houdende overlegging producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 2 november 2005, waarbij een comparitie

van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 16 januari 2006;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door mr. Groeneveld zijdens

[eiseres] overgelegde spreekaantekeningen.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 27 maart 1980 heeft [eiseres] met haar toenmalige echtgenoot, [X] (hierna: [X]), met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd, een woning gekocht gelegen aan de [straat, huisnummer en gemeente] (hierna: de woning).

2.2 Op 1 oktober 1980 is het vonnis, waarbij de echtscheiding tussen [eiseres] en [X] is uitgesproken, ingeschreven in het register van de Burgerlijke Stand van de gemeente Den Haag.

2.3 Op 3 oktober 1980 is tussen de Gemeente en [X] een erfpachtovereenkomst gesloten voor de grond waarop de woning zich bevindt, kadastraal bekend […] (hierna: het perceel), met daarop van toepassing de erfpachtvoorwaarden van 7 juni 1979.

2.4 Op 22 maart 1983 heeft de gemeente Poortugaal tijdens de openbare vergadering van de raad ingestemd met het voorstel van burgemeester en wethouders (nr. 1983 - 59) inzake conversie van de erfpachtvoorwaarden. Besloten is dat alle zittende erfpachters eenmalig de mogelijkheid zal worden geboden de bestaande erfpachtvoorwaarden om te zetten naar de nieuwe “algemene erfpachtvoorwaarden 1983”.

2.5 [X] is bij brief d.d. 13 september 1983 van de gemeente Poortugaal bericht inzake de conversie. De gemeente Poortugaal heeft daarbij opgemerkt dat de conversie uiterlijk 31 maart 1984 dient te geschieden. [X] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt.

2.6 Op 10 september 1984 verkreeg [eiseres] van [X], via een onderhandse aankoop, het erfpachtrecht met daarop van toepassing de algemene erfpacht-voorwaarden van 7 juni 1979.

2.7 Als gevolg van een gemeentelijke herindeling in 1985 is het perceel door de gemeente Poortugaal in eigendom overgedragen aan de gemeente Rotterdam.

3. De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) voor recht te verklaren dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, meer in het bijzonder door de erfpachtvoorwaarden van de gemeente Poortugaal d.d. 22 maart 1983 niet aan [eiseres] aan te bieden en te weigeren om de erfpacht vanaf 1 september 1984 tot heden en de aankoop van het perceel conform genoemde erfpachtvoorwaarden af te handelen;

b) de Gemeente te veroordelen tot betaling van de daaruit voortvloeiende schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de incassokosten over dit bedrag berekend volgens Voorwerk II en vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 april 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

c) de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De Gemeente heeft onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur jegens [eiseres] gehandeld door met [eiseres] in de periode 1983 en 1984 te onderhandelen over haar aankoop van het betreffende erfpachtrecht, maar bewust te verzuimen [eiseres] op de hoogte te brengen van de mogelijkheid gebruik te maken van de voor haar financieel gunstigere erfpachtvoorwaarden van 22 maart 1983. [eiseres] mocht er op vertrouwen dat de Gemeente zorgvuldig met haar belangen zou omgaan en haar niet onkundig zou laten van het conversieaanbod, temeer nu zij feitelijk vanaf 1980 de erfpacht aan de Gemeente heeft betaald. [Eiseres] is door de Gemeente niet op dezelfde wijze behandeld als de andere bestaande erfpachters.

3.2 [Eiseres] lijdt schade omdat zij een erfpachtovereenkomst heeft gesloten met de Gemeente met daarop van toepassing de erfpachtvoorwaarden van 7 juni 1979, die ongunstiger zijn dan de erfpachtvoorwaarden uit 1983. Zij heeft daardoor vanaf 1984 tot heden een bedrag van € 32.461,60 teveel aan erfpacht betaald. Bovendien wordt de grond haar daardoor thans door de Gemeente voor een te hoge koopprijs aangeboden, waardoor zij verder schade lijdt. Omdat [eiseres] de omvang van de schade nog nader wil bepalen, vordert zij vergoeding van schade nader op te maken bij staat.

3.3 [Eiseres] vordert de wettelijke rente vanaf de sommatie d.d. 19 april 2005, althans de dag der dagvaarding.

3.4 [Eiseres] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten die zij heeft gemaakt, te berekenen conform rapport Voorwerk II.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

De Gemeente heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Op grond van artikel 3:310, lid 1, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de vordering van [eiseres] verjaard nu er tussen de uiterste datum van het aanbod, 31 maart 1984, en het kennisnemen van de schade door [eiseres] op 3 oktober 2004, meer dan 20 jaren zijn verstreken. Verjaring heeft een objectief en een definitief karakter. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 november 1995, NJ 1998, 380; er is in casu geen sprake van een uitzonderlijk geval waardoor een beroep op de derogerende werking van de maatstaven van de redelijkheid en de billijkheid buiten toepassing blijft.

4.2 De Gemeente heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres]. De Gemeente heeft conform het raadsbesluit slechts de lopende erfpachtcontracten met de zittende erfpachthouders tot uitgangspunt genomen. [Eiseres] was geen erfpachter en is aldus niet door de Gemeente aangeschreven inzake het aanbod van conversie. De Gemeente betwist voorts dat [eiseres] vanaf 1980 feitelijk de erfpacht aan de Gemeente heeft betaald. [Eiseres] heeft het erfpachtrecht verkregen op 10 september 1984, derhalve ruim na het verstrijken van de uiterste datum van 31 maart 1984 waarop het aanbod van de conversie geldig was.

4.3 [Eiseres] heeft geen schade geleden. Voor zover zij wel schade heeft geleden, is deze schade aanmerkelijk minder dan de schade die [eiseres] vordert nu zij in haar berekening van die schade geen rekening heeft gehouden met de rente-ontwikkeling en de wijze waarop de afkoopsom gefinancierd zou worden. Bovendien heeft [eiseres] bij haar berekening geen rekening gehouden met de fiscale voordelen die zij ieder jaar heeft gehad van de aftrek van de periodieke canonbetalingen.

5. De beoordeling

5.1 Allereerst ligt ter beoordeling aan de rechtbank voor de vraag of de vordering van [eiseres] is verjaard. De rechtbank oordeelt dienaangaande als volgt.

5.2 Op grond van artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Deze termijn begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, zélfs als de benadeelde met het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is, zoals de Hoge Raad meerdere malen heeft beslist, onder meer in haar uitspraak d.d. 3 november 1995 (NJ 1998, 380). [Eiseres] stelt zich terecht op het standpunt dat, gerekend vanaf het moment waarop zij met de vordering bekend is geworden, te weten 20 oktober 2004, geen sprake is van verjaring, aangezien vanaf die datum nog geen vijf jaren verstreken zijn. Echter, voor het aanvangstijdstip van de verjaring is tevens beslissend het tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond waardoor de (gestelde) schade is veroorzaakt. In dit geval is dat 1 april 1984, te weten de dag nadat het aanbod van de gemeente Poortugaal tot conversie van de erfpachtvoorwaarden is vervallen. [Eiseres] is in oktober 2004 met de schade bekend geworden en de inleidende dagvaarding is op 1 augustus 2005 uitgebracht, aldus zijn meer dan twintig jaren verstreken tussen de dag nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond en de datum waarop de vordering is ingesteld. De vordering is derhalve verjaard.

5.4 Gelet op de belangen welke deze verjaringsregel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, dient deze regel in beginsel strikt te worden toegepast. Slechts in bijzondere gevallen en onder bijzondere omstandigheden is een uitzondering op deze regel mogelijk op grond van artikel 6:2 lid 2 BW (redelijkheid en billijkheid). De rechtbank is echter van oordeel dat de door [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat in dit geval sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval dat de toepassing van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vordering. Aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil komt de rechtbank derhalve niet toe.

5.6 [eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente bepaald op € 244,-- aan vast recht en op € 904,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

585/1580