Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6207

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
14-08-2006
Zaaknummer
234058 / HA ZA 05-678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Gemeente verplaatst met bestuursdwang woonwagenkamp en spreekt verzekeraar aan voor de ontstane schade. rechtsverwerking?Kan schadeoorzaak a contrario worden vastgesteld? is er een verzekerd voorval?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 234058 / HA ZA 05-678

Uitspraak: 28 juni 2006

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

De rechtspersoon naar publiek recht de GEMEENTE DEN HAAG,

zetelende te Den Haag,

eiseres,

procureur mr. B.J.R. van Tongeren,

advocaat mr. A.J.J.G. Schijns te Den Haag,

- tegen -

1.De naamloze vennootschap HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2.De naamloze vennootschap NIEUWE HOLLANDSE LLOYD SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Woerden,

3. De naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagden,

procureur en advocaat mr. W.M. van Rossenberg.

Partijen worden hierna aangeduid als "de Gemeente" respectievelijk "verzekeraars" (gedaagden tezamen) dan wel als gedaagde sub 1, 2 en 3.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 17 februari 2005 en de door de Gemeente overgeleg-

de producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- conclusie van dupliek, met een productie;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

De Gemeente heeft in december 2002 30 woonwagens onder bestuursdwang ca. 500 meter doen verplaatsen van een terrein aan de Leyweg te Den Haag naar een terrein aan de Jan Hanlostraat te Den Haag.

De wagens zijn daartoe met diepladers van Klomp Transport B.V. vervoerd.

2.2

De Gemeente heeft dit transport door tussenkomst van haar verzekeringstussenpersoon W.P.van der Held BV verzekerd bij verzekeraars tegen een premie van €122.500,=; gedaagde sub 1 is op de polis betrokken voor 50%, de beide andere gedaagden voor 25% elk.

2.3

De dekkingsbevestiging ter zake van deze verzekeringsovereenkomst vermeldt als verzekerde som een bedrag van €2.000.000,= als premier risque van een volle waarde van €4.000.000,= op de wagens zelf, alsmede €1.500.000,= als premier risque op de inboedels van deze wagens.

Als verzekerde zaken zijn vermeld een 30-tal woonwagens en inboedels.

Als gedekt gevaar is vermeld “Alle van buiten komende onheilen tijdens het transport van de verzekerde zaken”.

2.4

Anders dan in de dekkingsbevestiging was bedongen zijn de inboedels in de woonwagens gebleven tijdens het transport en aldus samen met de wagens getransporteerd. Na het transport hebben de bewoners van diverse wagens de Gemeente aansprakelijk gesteld voor schade aan de inboedel van de wagens. De Gemeente heeft die schade aan de betreffende bewoners vergoed en verzekeraars hebben die -na aftrek van het eigen risico- in of omstreeks de periode mei-oktober 2003 aan de Gemeente vergoed. Het gaat daarbij om een bedrag van (in totaal) enige tienduizenden Euro’s.

3. De vordering

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde sub 1 respectievelijk 2 respectievelijk 3 te veroordelen tot betaling aan de Gemeente van 50% respectievelijk 25% respectievelijk 25% van een bedrag van €520.764,= en van een bedrag groot € 5.160,- aan buitengerechtelijke kosten, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de Gemeente aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

De schade aan de woonwagens waarvan thans vergoeding wordt gevraagd is tijdens het transport ontstaan; er moet worden geconcludeerd dat de schade het gevolg is van een van buiten komend onheil tijdens het transport, omdat niet gebleken is van een schade-oorzaak die niet als zodanig is te beschouwen. Vergoeding van schade waarvan, bij het (nadere) onderzoek door de expert, is gebleken dat deze niet tijdens het transport is ontstaan of aan een specifieke, voorzienbare oorzaak (eigen gebrek) of fout is te wijten, bijvoorbeeld demontagefouten of gebruik van verkeerd hout, wordt thans niet gevorderd.

De verzekering biedt dus dekking en verzekeraars dienen, elk naar rato van hun deelneming op de polis, uit te keren na aftrek van het eigen risico.

3.2

Conform de met verzekeraars gemaakte afspraak heeft de Gemeente de schade afgewikkeld met de bewoners; de schadevergoeding dient dus thans aan de Gemeente betaald te worden.

3.3

De buitengerechtelijke incassokosten worden begroot op twee punten van liquidatietarief VII en de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van betekening van de dagvaarding.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met een verklaring voor recht dat de litigieuze verzekeringsovereenkomst is vernietigd en met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van de Gemeente in de kosten van het geding.

Verzekeraars hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Er is sprake van verzwijging, omdat de Gemeente verzekeraars niet juist en volledig heeft ingelicht over de aard van de te verplaatsen wagens. In feite is een hele woonwijk verplaatst, dat heeft de Gemeente niet medegedeeld. Als verzekeraars daarvan op de hoogte waren geweest hadden zij de verzekering niet, althans niet op deze voorwaarden gesloten, zodat zij op de voet van art. 251K een beroep doen op vernietiging van de verzekeringsovereenkomst.

4.2

De Gemeente heeft zich niet gehouden aan de afspraken over het transport; er is geen begeleiding van de deurwaarder geweest en geen deugdelijke vooropname.

4.3

Betwist wordt dat de schade het gevolg is van een van buiten komend onheil tijdens het transport.

4.4

De omvang van de schade wordt betwist.

5. De beoordeling

5.1

Het beroep van verzekeraars op art. 251 K faalt.

De omschrijving “woonwagens” gaf voldoende inzicht in de aard van de ter verzekering aangeboden objecten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de juistheid van de door de Gemeente overgelegde gespreksaantekeningen (waarin bijvoorbeeld een verwijzing naar Petalo voorkomt) niet wordt betwist, terwijl voorts wordt erkend dat verzekeraars wisten dat het bij het transport van deze 30 wagens, alle van één gezamenlijke plaats naar een andere, niet ging om een camping. Daarnaast is rekening gehouden met het algemeen bekende feit, dat in 2002 (evenals nu) woonwagens vaak een tamelijk omvangrijk, luxueus en daarmee kostbaar karakter hadden; dat er in casu van dit type woonwagens sprake was blijkt, en was voor verzekeraars kenbaar, uit de hoge verzekerde waarde van de woonwagens, die na nader overleg ter zake nog was verhoogd.

5.2

Partijen twisten over de vraag, of er sprake is van een verzekerd evenement.

De meest vergaande stelling van de Gemeente is echter, dat de rechtbank aan beoordeling van dat geschilpunt niet toekomt, omdat verzekeraars hun recht hebben verwerkt om zich te beroepen op het ontbreken van een van buiten komend onheil, door de schade aan de inboedels wel uit te keren.

De Gemeente heeft daartoe gewezen op de omstandigheid, dat de schade aan de inboedels is ontstaan tijdens hetzelfde transport als de schade aan de woonwagens, dat daarom aangenomen moet worden dat de schades aan beide zaken dezelfde oorzaken hebben, dat beide zaken op dezelfde polis en op dezelfde condities waren verzekerd en dat dus verzekeraars door de inboedelschade te vergoeden (impliciet) hebben erkend dat er wel degelijk sprake is geweest van een van buiten komend onheil, zodat zij daarop nu niet kunnen terugkomen.

Deze stellingen zijn echter onvoldoende om de conclusie die de Gemeente daarop baseert te kunnen dragen.

Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking zou in dit geval nodig zijn dat blijkt van bijzondere omstandigheden, als gevolg waarvan ofwel bij de Gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat verzekeraars het betreffende verweer niet meer zullen voeren, ofwel de positie van de Gemeente onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard doordat verzekeraars thans dat verweer wel voeren.

5.2.1

Voor wat betreft het eerste element, het gewekte vertrouwen, kan rechtsverwerking in verzekeringszaken in het algemeen niet snel worden gebaseerd op de afhandeling van een andere claim. Het staat verzekeraars immers vrij om hun beslissing tot uitkering (en daarmee het al dan niet voeren van verweren) afhankelijk te maken van de aard en omvang van de claim, en het is algemeen bekend dat zij daarvan in voorkomend geval ook gebruik maken, bijvoorbeeld bij de zogenaamde coulance-uitkeringen.

De door verzekeraars in dit geval gevolgde, maatschappelijk gesproken wenselijk te achten, gedragslijn is geweest om de inboedelschade (die in verhouding tot de betaalde premie en de schade aan de wagens beperkt van omvang was) alvast af te wikkelen, dus te vergoeden, voordat duidelijkheid was verkregen over de schade aan de wagens. Op de enkele grond van deze gedragslijn kan niet worden gezegd, dat verzekeraars het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt bij de Gemeente dat zij in rechte bij de claim met betrekking tot de schade aan de wagens niet zouden betwisten dat sprake is geweest van een van buiten komend onheil. De op zich vaststaande omstandigheid dat er wel enig overleg over de inboedelclaim is geweest en dat toen al bekend was dat er wagens beschadigd waren is daarbij niet relevant. Zelfs als juist zou zijn dat verzekeraars al bij de afwikkeling van de inboedelclaim wisten dat de inboedels in de wagens waren gebleven (hetgeen de Gemeente stelt) wordt dit oordeel niet anders: ook dan behoefde immers niet noodzakelijkerwijs sprake te zijn van een en hetzelfde onzeker voorval, laat staan dat dat voor verzekeraars evident moest zijn. Feiten of omstandigheden waaruit iets anders zou voortvloeien zijn gesteld noch gebleken. Deze gang van zaken kan dus bij de Gemeente redelijkerwijs niet de indruk hebben gewekt dat verzekeraars de huidige verweren ten aanzien van de latere claim ter zake van de schade aan de wagens niet zouden voeren, nog daargelaten de hiervoor genoemde vrijheid ten aanzien van beslissingen tot uitkering.

5.2.2

De Gemeente heeft voorts gesteld dat haar (bewijs)positie zou zijn verzwaard (het tweede element), doch zij heeft die stelling niet deugdelijk met concrete feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Uit de stukken zoals die in het geding zijn gebracht kan in elk geval worden opgemaakt dat verzekeraars dit verweer al in een vroeg stadium buiten rechte hebben gevoerd, zodat de Gemeente naar het zich laat aanzien nog tijdig in de gelegenheid was om onderzoek te (laten) doen naar de oorzaak van de schade. Correspondentie of ander materiaal, waaruit iets anders zou kunnen worden afgeleid, is door de Gemeente niet overgelegd en omtrent specifieke omstandigheden die tot andere conclusies zouden moeten leiden is niets gesteld of gebleken. Als er al sprake is van enig nadeel dan moet dat worden beschouwd als een gevolg van de eigen (passieve) opstelling van de Gemeente; dat is dus voor haar eigen risico.

Dat betekent dat het verzekeraars vrij staat om te bepleiten, dat er geen verzekerd voorval en daarmee geen dekking is, zodat de rechtbank dat aspect zal bespreken.

5.3.1

Bij een verzekering als de onderhavige dient de verzekerde (tussen partijen is in confesso dat de Gemeente voor deze procedure als zodanig heeft te gelden) bij betwisting te bewijzen (of minstgenomen behoorlijk aannemelijk te maken), dat zich een verzekerd evenement heeft voorgedaan. Dat is ook in overeenstemming met het beginsel van art. 150Rv; er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die zouden nopen tot een afwijking van dat beginsel, zodat de bewijslast bij de Gemeente berust.

5.3.2

Op zichzelf is juist, zoals de Gemeente stelt, dat het daarbij in dit geval gaat om de vraag of zich tijdens het transport een van buiten komend onheil heeft voorgedaan, dat de schade heeft veroorzaakt. Inderdaad kan het begrip “van buiten komend onheil” gesteld worden tegenover de begrippen eigen gebrek en eigen schuld. Ook juist is, dat het van buiten komend onheil tevens een onzeker voorval zal moeten zijn.

Niet juist is echter de conclusie die de Gemeente in deze zaak uit deze uitgangspunten trekt, te weten dat, nu haar niet is kunnen blijken dat de schade waarvan zij thans vergoeding vordert, is veroorzaakt door een eigen gebrek van de woonwagens of eigen schuld van de betrokkenen of een ander, deze dus moet zijn veroorzaakt door een van buiten komend onheil.

In het algemeen gesproken zal het onder 5.3.1 bedoelde bewijs meebrengen, dat in elk geval enig inzicht wordt gegeven in de wijze waarop de schade is ontstaan. Daarvan is in dit geval geen sprake, de Gemeente stelt zelf dat die wijze onbekend is. Zij oppert als enige mogelijkheid voor het verantwoordelijk mechanisme de uitwerking van trillingen of bewegingen tijdens transport. Nu zij voorts bij gelegenheid van het pleidooi heeft verklaard dat van incidenten of bijzonderheden tijdens het vervoer niets bekend is, terwijl zij zich reeds eerder uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat het transport zorgvuldig is geschied, gaat het daarbij dus blijkbaar om normale, aan het transport inherente, trillingen en/of bewegingen.

Schade als gevolg van die mogelijkheid is echter juist niet gedekt onder de polis, nu de transportverzekering vooronderstelt dat het transport van de betrokken zaken in principe mogelijk is zonder dat daardoor schade ontstaat. Anders uitgedrukt, als de woonwagens als gevolg van hun aard niet per dieplader vervoerd konden worden omdat de daaraan inherente trillingen/bewegingen dan hoe dan ook tot schade zouden leiden, is er geen sprake van een onzeker voorval. Daaraan doet dan niet af dat partijen zich dat tevoren wellicht onvoldoende hadden gerealiseerd; het gaat bij het oordeel dat geen sprake is van een onzeker voorval om de objectieve onvermijdelijkheid van de schade in de gegeven omstandigheden.

Uit het vorenstaande vloeit voort, dat ook de a contrario redenering van de Gemeente -omdat alle overige mogelijkheden (eigen gebrek, eigen schuld, fouten van derden, na het transport gelegen kwesties) zijn uitgesloten moet het hier gaan om schade als gevolg van een van buiten komend onheil tijdens het transport- niet opgaat, nu er immers minstens een oorzaak te noemen is die niet als zodanig te duiden is.

Daarmee is ook gegeven dat er geen ruimte is voor het oordeel, dat de Gemeente voorshands geslaagd is in het bewijs.

5.3.3

Nu de Gemeente voorts desgevraagd heeft laten weten dat zij geen mogelijkheden ziet om de oorzaak van de schade nader te preciseren, komt het de rechtbank zinloos voor om haar in de gelegenheid stellen tot nadere uitlatingen hieromtrent (en daarop aansluitend mogelijk bewijslevering). De rechtbank acht het voorts niet aangewezen om een deskundigenbericht te gelasten, zoals de Gemeente heeft aangeboden. De opvatting van de destijds ingeschakelde experts is immers reeds kenbaar uit de overgelegde rapporten en komt er, kort samengevat, op neer, dat de oorzaak van de schade niet vastgesteld is kunnen worden. Nu inmiddels de schade is hersteld valt in redelijkheid niet te verwachten dat een thans in te schakelen expert daarover meer zal kunnen zeggen.

Dat betekent, dat de vordering voor afwijzing gereed ligt en de overige geschilpunten bij gebrek aan relevantie geen bespreking meer behoeven.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van de Gemeente in al haar onderdelen;

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van verzekeraars bepaald op € 4.584,= aan vast recht, en op € 10.320,= aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Hofmeijer-Rutten, Cooijmans en Fiege.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

106/1694 / 204