Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY6083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
10-08-2006
Zaaknummer
03/2138
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Telecommunicatie, aanbieder openbare telecommunicatiedienst registratieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: TELEC 03/2138 STRN

Uitspraak

in het geding tussen

Low Cost Linking Inc., kantoorhoudende te Geldrop, gevestigd te Washington DC USA, eiseres,

gemachtigde mr. C.J. Driesse, advocaat te Geldrop,

en

het College van de Onafhankelijke Post- en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 december 2002 heeft verweerder aan eiseres vanwege de overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Besluit erkenningseisen instelling en aansluitingsplicht platformaanbieders (Stb. 1999, 372, hierna: het Besluit) en artikel 2.1 van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) een last onder dwangsom opgelegd van € 1.000,00 per dag of een gedeelte daarvan waarop niet of niet volledig aan de last is voldaan, met een maximum van € 20.000,00.

Tegen dit besluit eiseres bij brief van 13 januari 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 juni 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 15 juli 2003 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 13 juli 2004 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2005. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en K. Slagter, directeur van de Nederlandse branche. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H. la Roi, juridisch toezichtmedewerker bij verweerder.

2. Overwegingen

Verweerder heeft eiseres in 2002 verzocht zich aan te sluiten bij de Stichting Informatiedienstencode (Stic) en zich bij hem te laten registeren als aanbiedster van een openbare telecommunicatiedienst omdat eiseres als aanbiedster van een openbare telecommunicatiedienst die zich jegens een houder van een informatienummer ertoe verbindt om dienstverlening via dat informatienummer toegankelijk te maken (platformaanbieder als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit) daartoe op grond van artikel 10, eerste lid, van het Besluit en artikel 2.1 van de Tw verplicht is.

Eiseres heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek. In verband hiermee heeft verweerder bij het - bij het bestreden besluit gehandhaafde - besluit van 18 december 2002 aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Besluit en artikel 2.1 van de Tw. Verweerder heeft eiseres daarbij gelast (1) een volledige en juiste aanvraag tot aansluiting bij de Stic in te dienen en de voor daadwerkelijke aansluiting benodigde handelingen te verrichten en (2) een volledige en juiste aanvraag tot registratie bij verweerder in te dienen.

Eiseres bestrijdt dat zij als platformaanbiedster en aanbiedster van een openbare telecommunicatiedienst is aan te merken. Verder heeft zij in haar beroep aangevoerd dat verweerder het hoor- en wederhoorbeginsel heeft geschonden.

Ten aanzien van de door eiseres gestelde schending van het hoor- en wederhoorbeginsel overweegt de rechtbank, met overneming van wat verweerder hierover heeft gesteld in het verweerschrift, dat dit beginsel niet geschonden is. Verweerder heeft aan eiseres voldoende gelegenheid geboden om de gronden van haar bezwaar aan te vullen. Bovendien heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld haar bezwaar mondeling toe te lichten, maar heeft eiseres van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Ten aanzien van de kwalificatie van eiseres als aanbiedster van een openbare telecommunicatiedienst overweegt de rechtbank dat dit begrip aan de hand van de in artikel 1.1, aanhef en onder c, d, e, f en g, van de Tw (zoals deze artikelonderdelen luidden ten tijde van het primaire en bestreden besluit) gegeven definities moet worden ingevuld. Deze definities zijn:

c. telecommunicatie: iedere overdracht, uitzending of ontvangst van signalen van welke aard ook door middel van kabels, radiogolven, optische middelen of andere elektromagnetische middelen;

d. telecommunicatienetwerk: de overdrachtsapparatuur en, waar van toepassing, de routeringsappara-tuur en andere technische middelen die de overdracht mogelijk maken van signalen tussen netwerk-aansluitpunten via kabels, radiogolven, optische middelen of andere elektromagnetische middelen;

e. telecommunicatiedienst: dienst die geheel of gedeeltelijk bestaat in de overdracht of routering van signalen over een telecommunicatienetwerk;

f. openbare telecommunicatiedienst: telecommunicatiedienst die beschikbaar is voor het publiek;

g. openbaar telecommunicatienetwerk: een telecommunicatienetwerk dat onder meer voor de verrich-ting van openbare telecommunicatiediensten wordt gebruikt of een telecommunicatienetwerk waarmee aan het publiek de mogelijkheid tot overdracht van signalen tussen netwerkaansluitpunten ter beschikking gesteld wordt.

Een aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst is aldus een aanbieder van een openbare dienst die geheel of gedeeltelijk bestaat in de overdracht of routering van signalen over een telecommunicatienetwerk. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Tw (zoals dit artikellid luidde ten tijde van het primaire en bestreden besluit) geldt voor aanbieders van een openbare telecommunicatiedienst een registratieplicht bij verweerder.

Eiseres heeft aangegeven dat zij als doorgeefluik functioneert in het belverkeer tussen een beller van een servicenummer en de exploitant van het gekozen servicenummer. Zij heeft de weg die het signaal aflegt als volgt omschreven: “Een consument (de beller) belt naar een servicenummer. ... Dit telefoontje wordt opgevangen in de KPN billingcentrale. Afhankelijk van het gekozen nummer wordt dan doorgeschakeld naar de betreffende operator, die de functie heeft en de positie vervult van platformaanbieder. In de praktijk wordt deze instantie carrier genoemd. Via de carrier wordt de gevraagde telefoonverbinding weer doorgeschakeld. Voor de onderhavige procedure is natuurlijk alleen van belang wanneer dit telefoontje door de betreffende carrier wordt doorgeschakeld naar de centrale van LCL. Als in het concrete geval dit telefoontje in de centrale van LCL wordt opgevangen zijn er een aantal mogelijkheden. LCL heeft telefoonapplicaties ontwikkeld (voor …. toets 1, voor …. toets 2 enz.). LCL schakelt dan op haar beurt weer door en uiteindelijk komt dan de verbinding tot stand tussen de beller en het gekozen servicenummer.” Eiseres heeft hiertoe overeenkomsten gesloten met exploitanten van servicenummers en met een aantal carriers.

De rechtbank heeft geen aanleiding deze omschrijving voor onjuist te houden. Verweerder heeft deze ook niet bestreden. Eiseres functioneert als een schakel tussen de carriers en de exploitanten van servicenummers. Daarbij voegt zij een telefoonapplicatie toe die het signaal naar het gekozen servicenummer leidt. Daarmee is zij te kwalificeren als een aanbiedster van een dienst die geheel of gedeeltelijk bestaat in de overdracht of routering van signalen over een telecommunicatienetwerk. Deze diensten zijn voor iedereen toegankelijk zodat ook aan het criterium van openbaarheid is voldaan.

Gelet hierop is eiseres op grond van artikel 2.1 van de Tw gehouden zich bij verweerder te laten registreren. Door dit niet te doen heeft eiseres in strijd met dit artikel gehandeld. Op grond van artikel 15.1 en artikel 15.2 van de Tw is verweerder daarom bevoegd tegenover eiseres bestuursdwang toe te passen. Ingevolge artikel 5:21 en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht mag verweerder in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen die er toe moet strekken de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding of een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit houdt in dat verweerder binnen het kader van de bij de wet getroffen regeling een bepaalde beleidsvrijheid ter zake is gelaten. De rechtbank dient deze vrijheid te respecteren, tenzij verweerder bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid de grenzen, getrokken door algemeen verbindende voorschriften, algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur overschrijdt. Een en ander brengt mee dat de gebruikmaking van verweerders bevoegdheid door de rechtbank met inachtneming van het zojuist gegeven kader terughoudend beoordeeld dient te worden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de onder 2 gegeven last deze terughoudende toetsing niet doorstaat. Het beroep van eiseres is in zoverre ongegrond.

Ten aanzien van de onder 1 gegeven last overweegt de rechtbank dat deze er niet (meer) toe kan leiden dat de betreffende overtreding ongedaan gemaakt wordt. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de Stic sedert 1 januari 2005 geen activiteiten meer ontplooit en dat daarvoor in de plaats de OCI is gekomen. Nu de onder 1 gegeven last slechts ziet op de verplichting zich bij de Stic aan te sluiten kan eiseres niet meer aan deze last voldoen en kan zij daarvoor geen dwangsom meer verbeuren. Aangezien dat ook nog niet is gebeurd heeft eiseres haar (proces)belang verloren bij een beoordeling van haar beroep voor zover het dit onderdeel van de gegeven last betreft. Haar beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep voor zover het betreft de onder 1 gegeven last niet-ontvankelijk,

verklaart het beroep voor zover het betreft de onder 2 gegeven last ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien als voorzitter en mr. J.W. van den Hurk en B.A. Jong als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. van Zantvoort als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.