Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY4887

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
25-07-2006
Zaaknummer
682101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werknemer -eiser- is destijds bij de rechtsvoorgangster van gedaagde -de werkgever- in diens getreden, waarbij hij aanvankelijk een dienstverband had van één jaar. Het jaarcontract is omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Zijn toenmalige werkgever is failliet verklaard, waarbij de curator de arbeidsovereenkomst met eiser heeft opgezegd. Eiser is vervolgens bij een rechtsopvolger in dienst getreden voor bepaalde tijd. Dit contract is niet verlengd. Nadien is de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter ontbonden, voorzover deze nog bestond.

Eiser vordert met een beroep op artikel 7:667 lid 4 en 7:668a BW wedertewerkstelling en doorbetaling van loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS VAN DE RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 15 november 2005,

gekozen domicilie: Westersingel 106 te Rotterdam,

gemachtigde: mr A. Bosveld te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap

LK Bakkerij B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr R.J.R.M. de Bok te Rotterdam.

Partijen worden hierna "[eiser]" en "LK Bakkerij" genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding met bijlagen gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, LK Bakkerij te veroordelen:

1. [eiser] te werk te stellen in zijn functie van hoofd financiële administratie op straffe van een dwangsom zoals in de dagvaarding omschreven;

2. aan [eiser] te betalen € 4.095,30 bruto per periode van 4 weken terzake van loon inclusief vakantiegeld, te rekenen vanaf 2 oktober 2005, te vermeerderen de wettelijke verhoging, een en ander zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;

3. aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over de vordering sub 2, te rekenen vanaf de eerste dag van de volgende maand;

4. aan [eiser] te betalen € 1.000,-- netto buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van LK Bakkerij in de kosten van de procedure.

1.2. LK Bakkerij heeft schriftelijk geantwoord en daarbij verweer gevoerd

1.3. Bij vonnis is een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaats gehad. Van hetgeen is verhandeld zijn aantekeningen gemaakt. Die bevinden zich bij de stukken.

1.4. [eiser] heeft gerepliceerd en LK Bakkerij heeft gedupliceerd. Vervolgens is een datum voor de uitspraak van dit vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

2.1. [eiser], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 januari 2002, in dienst geweest bij Winkelbakkerij L. Klootwijk B.V., aanvankelijk voor de bepaalde tijd van één jaar (1) en met ingang van 1 januari 2003 voor onbepaalde tijd (2). Winkelbakkerij L. Klootwijk B.V. is in staat van faillissement verklaard, waarna de curator per brief van 26 maart 2004 op de voet van het bepaalde in artikel 40 Faillissementswet

[eiser] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Met ingang van 28 maart 2004 is [eiser] bij LK Bakkerij in dienst gekomen, volgens de tekst van de door partijen ondertekende akte voor bepaalde tijd tot en met 2 oktober 2004 (3). Volgens een tweede door partijen ondertekende akte is de arbeidsovereenkomst met ingang van 3 oktober 2004 verlengd tot en met 1 oktober 2005 (4).

2.2. [eiser] vervulde (in elk geval bij LK Bakkerij) de functie van hoofd financiële administratie. Zijn laatst ontvangen salaris bedroeg € 3.791,94 bruto per vier weken ex-clusief 8% vakantietoeslag. De arbeid werd gewoonlijk verricht te Rotterdam.

2.3. Bij brief van 27 september 2005 heeft LK Bakkerij aan [eiser] medegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2005 zou eindigen en hem geen nieuwe arbeidsovereenkomst zou worden aangeboden.

2.4. Bij beschikking van 23 maart 2006 heeft de kantonrechter te Rotterdam de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk, zo deze nog bestond, met ingang van 31 maart 2006 ontbonden.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. LK Bakkerij stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2005 van rechtswege is geëindigd, hetgeen door [eiser] wordt bestreden.

3.2. [eiser] beroept zich op artikel 7:667 lid 4 BW. Volgens die bepaling zijn de daar gegeven regels echter (onder meer) niet van toepassing indien de arbeidsovereen-komst voor onbepaalde tijd rechtsgeldig is opgezegd. In dit geval staat vast dat de over-eenkomst door de curator is opgezegd. Gesteld noch gebleken is dat die opzegging niet rechtsgeldig was. De vordering van [eiser] kan daarom niet op artikel 7:667 lid 4 BW worden gegrond.

3.3. [eiser] beroept zich verder op artikel 7:668a BW. Hij wijst erop dat in zijn geval meer dan drie arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd (7:668a lid 1 on-der b BW). LK Bakkerij bestrijdt dit betoog. Volgens LK Bakkerij mist artikel 7:668a BW hier toepassing omdat het daarin gaat om elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, terwijl in dit geval één arbeidsovereenkomst in de reeks omschreven in lid 1 van dit artikel voor onbepaalde tijd is aangegaan.

3.4. Aan LK Bakkerij moet worden toegegeven dat in de tekst van 7:668a lid 2 BW niet wordt gerept van overeenkomsten voor onbepaalde tijd. De argeloze lezer kan uit lid 2 niet méér opmaken dan dat daar lid 1 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard in geval verschillende werkgevers elkaar hebben opgevolgd. Met andere woorden: in de tekst van lid 2 wordt aan de categorie overeenkomsten genoemd in lid 1 (voor bepaalde tijd) geen nieuwe categorie overeenkomsten (voor onbepaalde tijd) toegevoegd.

3.5. [eiser] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op de parle-mentaire geschiedenis van de Wet flexibiliteit en zekerheid en heeft in dat verband op-gemerkt dat tijdens de parlementaire behandeling in lid 2 na het woord “arbeidsover-eenkomsten” de woorden ”voor bepaalde tijd” uit het ontwerp geschrapt zijn.

3.6. Aan de geschiedenis van de Wet flexibiliteit en zekerheid (25263) wordt het volgende ontleend:

Bij nota naar aanleiding van het verslag II (6, blz. 11) schreef de Minister aan de Tweede Kamer:

“De leden van de PvdA-fractie vroegen in te gaan op de kritiek van de FNV met betrekking tot de in Artikel 668a lid 2 uitgewerkte draaideurconstructie. De leden van de GPV-fractie vroegen of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die voorafgaat aan een of meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mee-telt in de keten van 3 opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en de leden van de RPF-fractie vroegen waarom artikel 668a lid 2 alleen van toepassing is op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het is de bedoeling, zoals ook op blz. 9 van de memorie van toelichting is opgemerkt, dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaal-de tijd, wordt meegeteld in de keten van lid 1. De formulering van lid 2 van artikel 668a is in dit opzicht niet duidelijk. In verband daarmee wordt bij nota van wijziging voorgesteld in dit lid de zinsnede «aangegaan voor bepaalde tijd» te schrap-pen.”

Bij Nadere memorie van Antwoord I (132d, blz. 10) schreef de Minister aan de Eerste Kamer:

“Artikel 668a lid 2 geldt zowel voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als voor arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Om die reden zijn bij de eerste nota van wijziging (TK 1996/97, 25263, nr. 7) de woorden «aangegaan voor bepaalde tijd» geschrapt. Wanneer derhalve een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd en wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij een andere werkgever die moet worden beschouwd als een opvolger van de eerste werkgever, wordt die eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gerekend tot de keten, bedoeld in artikel 668a lid 1.”

en verder:

“Voor de goede orde zij opgemerkt, dat artikel 668a lid 1 niet van toepassing is op de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen dezelfde partijen. Dit betekent dus dat in dat geval een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet wordt meegeteld voor de berekening van de keten in artikel 668a lid 1, noch voor de berekening van de opzegtermijn.”

3.7. Uit deze citaten blijkt onmiskenbaar wat de Minister met het schrappen van de woorden ”voor bepaalde tijd” in artikel 668a lid 2 BW heeft willen bereiken: dat in geval overeenkomsten met verschillende werkgevers elkaar zijn opgevolgd, in afwijking van lid 1, ook een overeenkomst voor onbepaalde tijd meetelt in de reeks die tot de in lid 1 omschreven conversie leidt.

3.8. Men kan hier opmerken dat door deze ingreep van de Minister het door hem gewil-de resultaat taalkundig niet wordt bereikt: ook na weglating van de woorden ”voor bepaalde tijd” komt de bedoeling uit de tekst van lid 2 niet naar voren (zie hierboven 3.4). Hiertegen kan echter worden ingebracht dat de zienswijze van de Minister op dit taalkundige punt in geen van beide kamers op verzet is gestuit, zodat mag worden aange-nomen dat de wijze waarop de Minister lid 2 uitlegt bij de parlementaire behandeling is aanvaard en zo geldend recht is geworden.

3.9. In de uitleg van de Minister biedt artikel 7:668a lid 2 BW voor werknemers die ach-tereenvolgens met meer dan één werkgever gecontracteerd hebben een extra mogelijkheid en wel in twee opzichten: anders dan in lid 1 van dit artikel, telt in lid 2 ook een overeenkomst voor onbepaalde tijd mee en, anders dan in artikel 7:667 lid 4 BW, wordt hier geen uitzondering gemaakt in geval die overeenkomst door rechtsgeldige opzegging of ontbinding is geëindigd.

3.10. Deze uitkomst is enigszins verrassend en roept zeker vragen op. Men kan zich bij-voorbeeld afvragen waarom de hier aangeduide extra mogelijkheid wordt geboden naast artikel 7:667 lid 4 en 5 BW (zoals die bepalingen later, bij Reparatiewet, zijn gaan luiden) of waarom dit voordeel niet ook ten deel valt aan werknemers die slechts één werkgever gekend hebben. Vragen als deze geven echter geen reden de wet anders uit te leggen dan hierboven is gebeurd. Als gevolg daarvan wordt de arbeidsovereenkomst die [eiser] met Winkelbakkerij L. Klootwijk B.V. voor onbepaalde tijd is aangegaan, de tweede in de reeks (hierboven 2.1), bij de toepassing van artikel 7:668a meegeteld.

3.11. LK Bakkerij heeft verder betoogd dat artikel 7:668a lid 2 BW toepassing mist omdat [eiser] bij Winkelbakkerij L. Klootwijk B.V. in de functie van hoofdadministrateur werkzaam was en bij LK Bakkerij als hoofd financiële administratie, een functie met andere taken. Dit wordt door [eiser] gemotiveerd betwist: Zijn lezing is dat hij zonder onderbreking op dezelfde werkplek dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten. LK Bakkerij is hierop niet ingegaan en heeft aldus haar standpunt onvoldoende toe-gelicht. Daarom wordt haar verweer op dit punt gepasseerd en wordt ervan uitgegaan dat ten aanzien van de verrichte arbeid LK Bakkerij redelijkerwijs geacht moet worden de opvolger van Winkelbakkerij L. Klootwijk B.V. te zijn.

3.12. De conclusie uit het bovenstaande moet luiden dat de overeenkomst tussen partij-en met ingang van 3 oktober 2004 als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt zodat deze ook na 1 oktober 2005 heeft voortgeduurd.

3.13. Op grond daarvan eist [eiser] in de eerste plaats dat hij wordt te werk ge-steld in zijn functie. Deze eis kan niet meer worden toegewezen omdat de arbeidsover-eenkomst tussen partijen inmiddels, met ingang van 31 maart 2006, (voorwaardelijk) is ontbonden. De eis tot loonbetaling wordt tot die dag toegewezen. Ook de bijvorderingen tot vergoeding van wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incas-sokosten worden toegewezen. Ten aanzien daarvan heeft LK Bakkerij geen verweer gevoerd. Omdat LK Bakkerij in het ongelijk is gesteld, moet deze verder in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

de kantonrechter,

veroordeelt LK Bakkerij aan [eiser] te betalen:

1. € 4.095,30 bruto per periode van 4 weken terzake van loon inclusief vakantiegeld, te rekenen vanaf 2 oktober 2005 tot 31 maart 2006, te vermeerderen de wettelijke verhoging;

2. de wettelijke rente over de sub 1 toegewezen vordering, te rekenen vanaf de eerste dag van de volgende maand;

3. € 1.000,-- netto aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt LK Bakkerij in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 174,93 aan verschotten en € 450,-- aan salaris voor zijn gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr J.V.M. Los, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.