Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AY4536

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
226465 / HA ZA 04-2962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

paulianeus handelen

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2006/255 met annotatie van B. Verkerk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 226465 / HA ZA 04-2962

Uitspraak: 19 juli 2006

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

Mr. Aloysius Antonius Maria DETERINK q.q.,

kantoorhoudende te Eindhoven, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SP AEROSPACE AND VEHICLE SYSTEMS B.V.,

gevestigd te Geldrop,

eiser,

procureur mr. G. van der Wilt,

advocaat mr. W.J.B Berendsen te Eindhoven,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WILTON-FIJENOORD HOLDING B.V.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

procureur mr. J.H.A.M. Scheiffers,

advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "de curator" respectievelijk "WFH".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 14 oktober 2004 en de door de curator overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- akte aan de zijde van de curator.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 21 december 2001 heeft de door SP Aerospace and Vehicle Systems B.V. (hierna: “SP”) en Krauss Maffai Wegmann GmbH & Co. KG (hierna: KMW) aangegane joint venture, genaamd Arge, opdracht gekregen om 612 Fennek-pantservoertuigen te ontwikkelen en produceren. Hierna zal ook worden gesproken van “Fennek-project”.

Krachtens een overeenkomst tussen Arge en haar vennoot SP diende SP bepaalde productiegroepen in de bouw voor haar rekening te nemen. Ter uitvoering van deze verplichting heeft SP heeft een onderaanneemovereenkomst gesloten met RDM Technology B.V. (hierna: “RDMT”), die enkele productgroepen zou uitvoeren.

2.2

Op 6 april 2004 is aan RDMT surseance van betaling verleend. Op 23 april 2004 is de surseance van betaling van RDMT omgezet in een faillissement.

2.3

Op 29 april 2004 hebben de curatoren van RDMT de voorraden betrekking hebbende op het Fennek-project, inclusief de IE-rechten, onderhandenwerk en het overige onderhandenwerk voor een bedrag van EUR 2.100.000 (exclusief BTW) verkocht aan SP.

2.4

Op of omstreeks 7 juni 2004 had SP een vordering uit hoofde van een leningovereenkomst van circa EUR 17.000.000 exclusief rente op RDM Holding N.V. (hierna: “RDMH”). Op 7 juni 2004 heeft RDMH aangegeven dat zij deze vordering, inclusief rente, op 8 juni 2004 zou voldoen. Dit is op 8 juni 2004 gebeurd door betaling van EUR 18.000.000 door Lamoenchi Beheer B.V. aan SP.

2.5

Op 9 juni 2004 zijn SP en WFH overeengekomen dat WFH als koper in de plaats treedt van SP in de overeenkomst van 29 april 2004.

2.6

Op 9 juni 2006 zijn WFH en de curatoren eveneens overeengekomen dat WFH als koper in de plaats treedt van SP in de overeenkomst van 29 april 2004.

2.7

Op 9 juni 2004 heeft WFH een deel van de door haar van de curatoren van RDMT gekochte activa, te weten de aan het Fennek-project gerelateerde voorraden en onderhanden werk, voor EUR 6.006.946,88 en EUR 3.564.516,80 exclusief btw (in totaal EUR 9.571.463,68 exclusief btw, te weten EUR 11.390.041,78 inclusief btw) overgedragen aan SP.

De onder 2.5 en 2.7 bedoelde overeenkomsten zullen hierna ook worden aangeduid als “de overeenkomsten van 9 juni 2004”.

2.8

Op 9 juni 2004 heeft SP EUR 11.000.000 betaald aan WFH.

2.9

Op 11 augustus 2004 is SP in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als curator.

3. Het geschil

3.1

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

? te verklaren voor recht dat de rechtshandelingen voortvloeiend uit de overeenkomsten van 9 juni 2004 zoals verricht door SP zijn vernietigd op grond van de artikelen 42 en 43 Fw, althans op grond van artikel 42 Fw;

? WFH te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van

EUR 11.000.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2004 dan wel 3 september 2004, dan wel 14 oktober 2004;

? WFH te veroordelen in de kosten van de procedure;

Subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat de rechtshandelingen niet rechtsgeldig door de curator zijn vernietigd:

? de rechtshandelingen voortvloeiend uit de overeenkomsten van 9 juni 2004 zoals verricht door SP te vernietigen op grond van de artikelen 42 en 43 Fw, althans op grond van artikel 42 Fw;

? WFH te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van

EUR 11.000.000, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 9 juni 2004, dan wel 14 oktober 2004;

? WFH te veroordelen in de kosten van de procedure;

Meer subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat er geen sprake is van paulianeus handelen door WFH:

? te verklaren voor recht dat WFH onrechtmatig heeft gehandeld jegens SP, de boedel van SP, dan wel de gezamenlijke schuldeisers van SP, en derhalve aansprakelijk is voor de door SP, de boedel van SP, dan wel de gezamenlijke schuldeisers van SP geleden schade ad EUR 7.471.146,68, dan wel zoveel minder of meer dat de rechtbank in goede justitie bepaalt;

? WFH te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de curator aan de vordering ten grondslag gelegd dat de constellatie van rechtshandelingen van SP met WFH op 9 juni 2004 ertoe heeft geleid dat SP en haar schuldeisers werden benadeeld, waarbij er sprake is geweest van onverplichte rechtshandelingen.

3.3

WFH heeft de stellingen van de curator gemotiveerd betwist.

4. De beoordeling

4.1

WFH heeft de vraag opgeworpen welke rechtshandelingen de curator beoogt aan te tasten en heeft gesteld dat het petitum en de buitengerechtelijke vernietiging door de curator slechts zien op de rechtshandelingen voortvloeiend uit de overeenkomsten van 9 juni 2004.

4.2

De buitengerechtelijke vernietiging van de curator van 3 september 2004 luidt - voor zover hier van belang -:

“Op grond van artikel 42 en 43 Fw vernietig ik - in mijn hoedanigheid van curator van SP - de rechtshandelingen voortvloeiende uit de overeenkomst waarin WFH aangewezen is als koper van de op 29 april 2004 gekochte activa van RDM Technology B.V. Voorzover alsdan nog noodzakelijk vernietig ik hierbij tevens de rechtshandelingen voortvloeiend uit de Overeenkomst van Verkoop d.d. 9 juni 2004 zoals gesloten door SP en WFH.

De vernietiging van vorenstaande overeenkomsten althans de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen heeft terugwerkende kracht, hetgeen inhoudt dat de overeenkomsten nimmer geacht worden te hebben bestaan. SP is eigenaar gebleven van de voorraden Fennek alsmede van het onderhanden werk. SP heeft recht op terugbetaling van het bedrag van E 11.000.000,00 dat zij onverplicht aan WFH heeft betaald.”

Uit de tweede geciteerde alinea blijkt dat het de kennelijke bedoeling van de curator is geweest om niet slechts de rechtshandelingen voortvloeiende uit de overeenkomsten van 9 juni 2004 te vernietigen, doch ook de overeenkomsten zelf. Deze overeenkomsten, niet slechts de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen, zijn dan ook voorwerp van deze procedure: partijen twisten over de vraag of, zoals de curator heeft gesteld ter onderbouwing van zijn in het petitum geformuleerde (primaire) vordering, de overeenkomsten van 9 juni 2004 en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen - al dan niet als deel van een samenstel van rechtshandelingen - paulianeus en dus vernietigbaar zijn.

4.3

De benadeling van de schuldeisers van SP door de overeenkomsten van 9 juni 2004 en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen volgt reeds uit het feit SP de activa die zij in eerste instantie voor EUR 2.100.000 (exclusief btw) van de curatoren heeft gekocht, na de in de plaatsstelling van WFH als koper in de onder 2.5 bedoelde overeenkomst, in tweede instantie met de onder 2.7 bedoelde overeenkomst van WFH heeft gekocht voor het vele malen hogere bedrag van EUR 9.571.463,68 exclusief btw. Of de ene of de andere prijs meer overeenkwam met de marktwaarde is niet van belang en kan in het midden blijven. Het betoog van WFH dat SP - kort gezegd - uiteindelijk voordeel genoot van de overeenkomsten, laat - wat daarvan ook moge zijn - onverlet dat SP uiteindelijk een vele malen hogere prijs heeft betaald dan zij in eerste instantie met de curatoren was overeengekomen.

4.4

Daar de overeenkomsten van 9 juni 2004 binnen een jaar voor faillietverklaring van SP zijn gesloten, terwijl SP zich niet reeds een jaar voor aanvang van deze termijn daartoe had verplicht en WFH ten tijde van het sluiten ervan enig aandeelhouder en bestuurder van SP was, is voldaan aan de in art 43 lid 1 aanhef en onder 5 sub a Fw bedoelde voorwaarde en wordt de in art 42 Fw bedoelde wetenschap van benadeling van schuldeisers, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan. WFH heeft betwist dat sprake is van wetenschap van benadeling. Haar daartoe aangevoerde argument dat er geen sprake is van benadeling van schuldeisers van SP, stuit af op het onder 4.3 overwogene. Haar andere argument ziet op (wetenschap omtrent) de waarde van de zogenaamde Veemvoorraad en faalt reeds daarom. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gesteld ter ontkrachting van het hiervoor bedoelde wettelijk vermoeden. De wetenschap van benadeling aan beide zijden wordt dan ook als vaststaand aangenomen.

4.5

In geschil is tot slot of SP de overeenkomsten van 9 juni 2004 onverplicht is aangegaan en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen onverplicht heeft verricht.

WFH heeft dit betwist, door aan te voeren dat SP onvoldoende liquide middelen had om de koopprijs van de overeenkomst van 29 april 2004 aan de curatoren te voldoen, waarop RDMH haar te hulp is geschoten met de onder 2.4 bedoelde voldoening van de vordering. Daarbij heeft RDMH volgens WFH voorwaarden gesteld, die voor zover van belang, inhielden dat WFH in plaats van SP als koper zou optreden bij de overeenkomst van 29 april 2004 en de gekochte goederen en vermogensrechten tegen een reële going concernwaarde zou doorverkopen aan SP en die dus verplichtten tot het sluiten van de overeenkomsten van 9 juni 2004 en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen.

4.6

Vaststaat dat de volgens WFH door RDMH gestelde voorwaarden voor terugbetaling van het door SP aan haar geleende bedrag geen deel uitmaken van de leningovereenkomst tussen SP en RDMH, waarin is bepaald dat de hoofdsom op 31 december 2004 dient te worden voldaan en dat vooruitbetaling van rente en aflossing steeds is toegelaten, zonder dat enige partij op grond daarvan aanspraak zal kunnen maken op compensatie.

Uit de stellingen van WFH volgt dat RDMH deze voorwaarden eerst bij voldoening van de vordering zou hebben gesteld. Als de voorwaarden zouden zijn gesteld en door SP zouden zijn geaccepteerd, zou dus sprake zijn van een nadere overeenkomst tussen SP en RDMH.

4.7

Niet in geschil is dat de overeenkomsten van 9 juni 2004 bij gebreke van de vermeende nadere overeenkomst hoe dan ook onverplicht zijn aangegaan.

4.8

Met zijn betwisting van het stellen van de voorwaarden door RDMH heeft de curator het bestaan van de vermeende nadere overeenkomst betwist. De curator heeft voorts gesteld dat de overeenkomsten van 9 juni 2004 deel uitmaken van een samenstel van rechtshandelingen die ertoe strekken gelden aan SP te onttrekken en de schuldeisers van SP te benadelen. De curator moet daarmee ook geacht worden het oog te hebben op de vermeende nadere overeenkomst, waarvan hij het bestaan heeft betwist.

4.9

Als de nadere overeenkomst zou zijn gesloten, zou deze als paulianeus kunnen worden aangemerkt en vernietigbaar zijn: SP was immers niet krachtens de wet of overeenkomst gehouden tot acceptatie van deze voorwaarden, die leidden tot benadeling van de schuldeisers (zie ro 4.3 die onverkort geldt voor de genoemde nadere overeenkomst) en er is sprake van wetenschap aan beide zijden: naar WFH heeft gesteld behoren SP en RDMH (en Lamoenchi Beheer B.V.) niet tot dezelfde groep, doch is er sprake van (juridische) banden tussen deze rechtspersonen, die alle banden hebben met [A], al dan niet in zijn hoedanigheid van bestuurder of (indirect) aandeelhouder, en er zijn bovendien verschillende rekening courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen. Hieruit volgt dat sprake is van een nauwe relatie tussen SP en RDMH, die het voorshands vermoeden rechtvaardigt van wetenschap van benadeling van de schuldeisers van SP door de gestelde voorwaarden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die dit vermoeden ontkrachten. Deze wetenschap kan derhalve worden aangenomen.

Ook als de nadere overeenkomst zou zijn gesloten - hetgeen in het midden kan blijven - zou dus er geen grond zijn om de overeenkomsten van 9 juni 2004 niet als onverplicht aan te merken.

4.10

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat er grond was voor de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomsten van 9 juni 2004 en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen. De primaire vordering wordt toegewezen, met veroordeling van WFH in de proceskosten.

Aan beoordeling van de overige geschilpunten wordt niet toegekomen.

5. De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat de rechtshandelingen voortvloeiend uit de overeenkomsten van 9 juni 2004 zoals verricht door SP zijn vernietigd;

veroordeelt WFH om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen het bedrag van EUR 11.000.000 (zegge: elf miljoen euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juni 2004 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt WFH in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator bepaald op EUR 4.441 aan vast recht, op EUR 207,15 aan overige verschotten en op EUR 9.633 aan salaris voor de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. De Loor-Alwin, Vroom en Frima.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1659/1548/1554