Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX8973

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
WAO 05/3477 ZWI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, Schattingsbesluit 2004 waarbij de maatmanomvang is gemaximeerd tot 38 uur per week dienen als zijnde onverbindend buiten toepassing te worden gelaten, omdat deze in strijd zijn met artikel 18, eerste lid, WAO en de grenzen van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 18, achtste lid, WAO te buiten gaan. Met het Schattingsbesluit 2004 wordt afbreuk gedaan aan het verzekeringskarakter van artikel 18, eerste lid, WAO en is voorts in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WAO 05/3477 ZWI

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. B.F. Desloover,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, vestiging Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft verweerder de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (hierna: WAO) aan eiseres toegekende uitkering, welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%, met ingang van 1 april 2005 ingetrokken.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiseres bij brief van 7 februari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 juli 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 15 augustus 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 13 september 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Samsom.

2. Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO is degene die als recht-streeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccep-teerde, dus gangbare arbeid, waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het achtste lid van artikel 18 van de WAO is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 15% is gedaald.

Bij Koninklijk Besluit van 18 augustus 2004 (Stb. 2004/434) is het Schattingsbesluit arbeidsongeschikt-heidswetten, zoals dit was vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 8 juli 2000, Stb. 2000, 307 (hierna te noemen: het Schattingsbesluit 2000), gewijzigd. Dit besluit is per 1 oktober 2004 in werking getreden. Sedertdien luiden - voor zover hier van belang - de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna te noemen: het Schattingsbesluit 2004) als hierna is weergegeven.

In artikel 6, eerste lid, van het Schattingsbesluit 2004 is het maatmaninkomen WAO het inkomen per uur dat gezonde personen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin, van het Schattingsbesluit 2004 wordt bij de vaststelling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen, indien de urenomvang van de door de in artikel 6 bedoelde gezonde persoon uitgeoefende arbeid per week gemiddeld groter is dan de voor een voltijdse aanstelling gebruikelijke 38 uur, voor de vaststelling van de urenomvang van de in aanmerking te nemen arbeid evenwel de omvang van 38 uur per week in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 wordt bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, uitgegaan van de urenomvang van de door de in artikel 6 bedoelde gezonde persoon uitgeoefende arbeid doch niet meer dan gemiddeld 38 uur, tenzij betrokkene voor een geringer aantal uren belastbaar is, in welk geval van dit aantal wordt uitgegaan.

In het Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004 (hierna te noemen: het BUS 2004) heeft verweerder nadere uitwerking gegeven aan de hiervoor weergegeven regelgeving. In artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van het BUS 2004 is bepaald dat indien de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid kleiner is dan de urenomvang van de maatgevende arbeid, het mediane uurloon wordt vermenigvuldigd met een factor a/b (de zogeheten reductiefactor). De tweede volzin van artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van het BUS 2004 geeft aan dat daarbij a gelijk is aan de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid en b gelijk is aan de urenomvang van de maatgevende arbeid.

In het derde lid van artikel 3 van het BUS 2004 is bepaald dat bij toepassing van artikel 3, eerste lid, van het BUS 2004 de urenomvang van de maatgevende arbeid maximaal op 38 uur wordt gesteld.

2.2 Feiten

Eiseres heeft zich als uitkeringsgerechtigde ingevolge de Werkloosheidswet op 18 juli 2000 ziekgemeld in verband met diverse klachten. Met ingang van 16 juli 2001 heeft verweerders rechtsvoorganger de arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in toekenning van een uitkering in de arbeids-onge-schikt-heidsklasse 80% tot 100%.

De verzekeringsarts heeft - onder meer - geconstateerd dat de psychische klachten van eiseres zijn afgenomen. Aangegeven is dat zij nog steeds psychische klachten heeft, te weten afgenomen eetlust, doorslaapstoornissen, huilbuien, verbale agressie, depressiviteit en suïcidale gedachten. Het horen van stemmen is afgenomen naar 1 maal per week. Eiseres is vergeetachtig en durft niet goed alleen van huis te gaan. Overwogen is dat eiseres vaak hoofdpijn heeft, vaak duizelig is, waarbij zij soms valt, last heeft van hyperventilatie en lokaal pijn heeft in de rug. De verzekeringsarts heeft overwogen dat sprake is van een redelijke eindtoestand en dat binnen drie maanden geen aanzienlijke verandering in de belastbaarheid is te verwachten.

Ter voorbereiding van het primaire besluit van 1 februari 2005 heeft de verzekeringsarts op 10 november 2004 een Functionele-Mogelijkhedenlijst (hierna: de FML) opgesteld. Daarin zijn onder meer beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk functioneren, te weten concentreren van de aandacht, herinneren, afgeleid worden, veelvuldige deadlines en productiepieken en werk in verhoogd persoonlijk risico alsmede ten aanzien van sociaal functioneren, te weten omgaan met conflicten, rechtstreeks contact met kinderen, contact met patiënten en leidinggevende aspecten. In de FML zijn voorts beperkingen aangegeven ten aanzien van blootstelling aan huisstof, lawaai en trillingen alsmede ten aanzien van werken met toetsenbord en muis, frequent reiken, frequent buigen, duwen en trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren, lopen, trappenlopen, klimmen, zitten, staan, geknield of gehurkt actief zijn en gebogen of getordeerd actief zijn. In de FML is een urenbeperking gesteld van 40 uur per week met een marge van 4 uur in boven- en benedenwaartse richting.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen een aantal gangbare functies geduid. Het loon dat met de mediaanfunctie verdiend kan worden ligt 0% lager dan het zogeheten maatmaninkomen.

In een brief van 24 maart 2005 van een psycholoog van de BAVO-RNO-groep, instelling voor geestelijke gezondheidszorg te [woonplaats] (hierna: de psycholoog), is vermeld dat eiseres sinds 2000 onder behandeling is wegens atypische depressie, met mogelijke psychotische overschrijdingen. Zij lijdt aan wisselende stemmingen, overwegend depressief van aard. Eiseres heeft last van het horen van stemmen en zien van schaduwen, vergeetachtigheid, psychosomatische klachten als hoofdpijn en duizeligheid, prikkelbaarheid en in wisselende mate van ernst is sprake van verstoring van slaap- en eetpatroon. Aangegeven is dat eiseres de klachten als fors belemmerend ervaart en dat sprake is van een fragiel even-wicht tussen de draaglast en draagkracht van eiseres. Zij wordt met therapie en medicatie behandeld.

In zijn rapportage van 20 juni 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts de brief van 24 maart 2005 van de psycholoog in zijn beoordeling betrokken. Daarbij zijn volgens hem geen nieuwe omstandigheden bekend geworden op grond waarvan eiseres meer beperkt in haar functionele mogelijkheden zou moeten worden geacht. Overwogen is dat in de FML forse beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de psychische belastbaarheid van eiseres. Rekening is gehouden met de vergeetachtigheid, duizeligheid, verminderde psychische draagkracht, verhoogde prikkelbaarheid en tevens, in beperkte mate, met de hoofdpijnklachten en de nek- en rugklachten. Van pathologie op basis waarvan meer of zwaardere beperkingen aan de orde zouden zijn, is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen sprake. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en dat de beperkingen die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen voldoende zijn onderkend bij het opstellen van de FML. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het oordeel van de arbeidsdeskundige omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres onderschreven.

In de brief van 29 augustus 2005 van de psycholoog is aangegeven dat op dat moment sprake is van een forse toename van de klachten als gevolg van zwangerschap.

2.3 Standpunten van partijen

In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen die voortvloeien uit haar psychische problemen. Zij is met name vanwege haar psychische problemen niet in staat de voorgehouden functies te vervullen. Volgens eiseres is haar psychische draagkracht beperkt en is sprake van een fragiel evenwicht. Eiseres heeft de rechtbank verzocht een door een psychiater uit te voeren onderzoek te gelasten.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM omdat de toepassing van de fictieve-rekenmaatman een niet gerechtvaardigde eigendomsinbreuk is. De stelling dat de eigendomsinbreuk voortvloeit uit lagere regelgeving, betekent volgens eiseres juist dat de inbreuk des te minder toelaatbaar is. De onderhavige inbreuk is volgens eiseres vergelijkbaar met die in de zaak Asmundsson (USZ 2005/28) tegen de IJslandse regering. Daarvoor is de getalsverhouding tussen het aantal herbeoordeelden en het aantal personen waarvan de (gedeeltelijk) uitkering is ingetrokken niet van belang, omdat de laatste groep personen in IJsland per definitie veel kleiner is dan in Nederland. Om te beoordelen wat het effect van de maatmanmaximering is geweest moet volgens eiseres worden bezien hoeveel herbeoordeelden wel en hoeveel niet met een verlaging of intrekking van de uitkering zijn geconfronteerd. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of eiseres met een excessieve of disproportionele last is geconfronteerd.

Voorts heeft eiseres gesteld dat artikel 10, eerste lid, van het Schattingsbesluit 2004 buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 18, eerste lid, van de WAO en de afwijkingsbevoegdheid van artikel 18, achtste lid, van de WAO te buiten gaat. Uitgangspunt van de op grond van artikel 18, achtste lid, van de WAO vast te stellen algemene maatregel van bestuur dient te zijn de vaststelling van de verloren gegane verdiencapaciteit. Dit uitgangspunt is met het Schattingsbesluit 2004 verlaten doordat arbeidsuren die de 38 uur per week te boven gaan, niet langer verzekerd zijn. Voorts is naar het standpunt van eiseres het bestreden besluit in strijd met het equivalentiebeginsel, omdat de uitkeringsgrondslag beperkt is tot 38 uur per week , terwijl de premiegrondslag daartoe niet is beperkt.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de verzekeringsarts een medische urenbeperking heeft vastgesteld van 40 uur per week. Aangezien eiseres in de laatstelijk uitgeoefende functie 50 uur per week werkzaam was, heeft eiseres in ieder geval een gedeeltelijk verlies aan verdienvermogen. Aangegeven is dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat de urenomvang van de maatman 40,50 uur per week bedraagt.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht, omdat daarvan slechts sprake is als die inbreuk voortvloeit uit de wet. Het Schattingsbesluit 2004 vormt slechts een aanscherping van de arbeidsongeschiktheidscriteria. Naar de mening van verweerder is anders dan in de zaak Asmundsson in mindere mate sprake van opgewekt vertrouwen ten aanzien van het behouden van de uitkering.

Het Schattingsbesluit 2004 is naar het standpunt van verweerder in overeenstemming met artikel 18, eerste en achtste lid, van de WAO. In de wetsgeschiedenis leest verweerder geen beperking op de in het achtste lid van artikel 18 van de WAO gegeven afwijkingsbevoegdheid. Verweerder acht de in het Schattingsbesluit 2004 neergelegde methode van schatting meer juist dan die van het daarvoor geldende Schattingsbesluit. Van een onevenredigheid tussen uitkerings- en premiegrondslag is volgens verweerder geen sprake omdat beide aan de hand van het dagloon worden vastgesteld.

2.4 Beoordeling

2.4.1 De verzekeringsgeneeskundige grondslag

Beoordeeld dient eerst te worden of de beperkingen correct zijn vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is de hiervoor bedoelde gangbare arbeid te verrichten.

De verzekeringsarts heeft haar conclusies gebaseerd op de anamnese, een eigen onderzoek en de reeds beschikbare informatie van de behandelend sector. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en dat de beperkingen die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen voldoende zijn onderkend bij het opstellen van de Functionele-Mogelijkhedenlijst. De informatie van de psycholoog van de BAVO-RNO-groep heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn beoordeling betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De brief van 29 augustus 2005 van de psycholoog bevat geen informatie die betrekking heeft op de toestand van eiseres op de hier in geding zijnde datum van 1 april 2005. De rechtbank ziet geen aanleiding te gelasten dat onderzoek door een deskundige psychiater plaatsvindt.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres met ingang van 1 april 2005 in staat geacht moet worden gangbare arbeid te verrichten.

2.4.2 De verbindendheid van de litigieuze bepalingen van het Schattingsbesluit 2004

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden onder toepassing van de bepalingen van artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op minder dan 15% is bepaald. Bij vergelijking van het inkomen dat eiseres in gangbare arbeid zou kunnen verdienen met het maatmaninkomen heeft verweerder toepassing gegeven aan deze bepalingen van het Schattingsbesluit 2004. Eiseres heeft een aantal grieven aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat deze bepalingen van het Schattingsbesluit 2004 onverbindend moeten worden geacht, waardoor het bestreden besluit een juiste arbeidskundige grondslag ontbeert.

Vooropgesteld wordt dat eiseres er terecht op heeft gewezen dat in het bestreden besluit een onjuist maatmanomvang is vermeld van 40,50 uur per week. Uit de rapportage van 31 januari 2005 van de arbeidsdeskundige blijkt dat de juiste urenomvang van de maatman 50 uur per week is. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit sprake van een kennelijke verschrijving, zodat het bestreden besluit moet worden gelezen als betreffende een maatman van 50 uur per week.

De rechtbank overweegt dat de bepalingen van het Schattingsbesluit 2004 algemeen verbindende voorschriften zijn waaraan slechts verbindende kracht kan worden ontzegd indien de door de regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere - algemeen verbindende - regeling, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid toetsend geoordeeld moet worden dat de voorschriften een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kunnen doorstaan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO wordt de vaststelling of sprake is van arbeidsongeschiktheid beoordeeld aan de hand van een vergelijking van het zogeheten maatmanloon met hetgeen waartoe de verzekerde in staat is met arbeid te verdienen. In dit eerste lid zijn de verdiensten van de maatman omschreven als hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar de betrokkene arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Teneinde te bepalen hetgeen eiseres met arbeid kan verdienen, heeft verweerder theoretische functies geduid. Ter vergelijking van het maatmanloon met het loon van de geduide functies is het maatmanloon per maand omgerekend naar uurloon. In een geval als het onderhavige waarin de urenomvang van de maatmanfunctie groter is dan die van de geduide functies doet deze omrekening af aan de vergelijkbaarheid van de loonbedragen. Op grond van het Schattingsbesluit 2000 en de uitwerking ervan in het Besluit uurloonschatting 2000 vond daarom een correctie plaats door de toepassing van een reductiefactor op het loon van de voor de loonvergelijking gebezigde theoretische functie.

In het hiervoor weergegeven artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin, van het Schattingsbesluit 2004 is de urenomvang van de maatmanarbeid gemaximeerd op gemiddeld 38 per week. Bij berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen wordt ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 uitgegaan van de urenomvang van de maatman van ten hoogste gemiddeld 38 uur per week. Hierop geldt een uitzondering indien betrokkene voor een geringer aantal uren belastbaar is, in welk geval van dat urenaantal wordt uitgegaan.

In onderhavig geval geldt weliswaar een medische urenbeperking, maar deze houdt niet in dat eiseres voor een geringer aantal uren dan gemiddeld 38 uur per week belastbaar is, maar voor 40 uur per week. De in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 genoemde uitzondering is derhalve niet van toepassing.

De maximering van de urenomvang van de maatmanarbeid op 38 uur per week, brengt mee dat in gevallen waarin de omvang van die arbeid meer is dan 38 uur per week, en waarbij de geduide functies die urenomvang overstijgen, geen reductiefactor wordt toegepast. Door het wegvallen van deze correctie in het Schattingsbesluit 2004 vindt in de gevallen waarin de maatmanarbeid per week gemiddeld groter is dan 38 uur geen vergelijking plaats op basis van het volledige maatmanloon, maar slechts met een gedeelte van dat loon. Immers in de hiervoor bedoelde gevallen is geen arbeid in aanmerking genomen waarin in dezelfde omvang wordt gewerkt als in de maatmanarbeid. Daarmee is het maatmanloon als grondslag van de loonvergelijking en daarmee van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid verlaten. Derhalve zijn artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 in strijd met artikel 18, eerste lid, van de WAO.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 niettemin verbindend zijn, nu op grond van artikel 18, achtste lid, van de WAO zo nodig in afwijking van artikel 18, eerste lid, van de WAO nadere regels kunnen worden gesteld.

Een met artikel 18, achtste lid, WAO overeenkomende delegatiebepaling is opgenomen geweest in artikel 5, derde lid, van de - inmiddels ingetrokken - Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: de AAW). In de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de AAW (Bijlage TK 1974-1975, 13231, nr. 3 MvT, blz. 47) is vermeld dat de reden om deze bepaling in de AAW op te nemen was dat “het bepalen van de maatman van een zelfstandige moeilijker is dan die van een werknemer”.

In de wetsgeschiedenis komt tot uitdrukking dat de delegatiebepaling is gegeven teneinde het uitwerken en hanteren van methoden mogelijk te maken die de maatman en zijn verdiensten zo goed mogelijk benaderen. Het opnemen van de bevoegdheid zo nodig af te wijken is ingegeven door de wens van de wetgever tot “het openen van de mogelijkheid tot het ontwikkelen van praktisch hanteerbare methodieken en het daarbij zo nodig uitschakelen van het beletsel dat gelegen kan zijn in het vinden van een soortgelijke gezonde persoon (de ‘maatman’)” (Bijlage TK 1974-1975, 13231, nr. 3 MvT, blz. 48). De delegatiebevoegdheid van artikel 5, derde lid, van de AAW en artikel 18, achtste lid, van de WAO biedt de lagere regelgever “de ruimte om (...) tot een uitwerking te komen van methodieken die op een uitvoerbare wijze zo goed mogelijk tot het resultaat leiden dat met de definitie van arbeidsongeschiktheid wordt beoogd” (Bijlage TK 1974-1975, 13231, nr. 3 MvT, blz. 48). Hierbij is vermeld dat de bepaling behalve in artikel 5 van de AAW ook in artikel 18 van de WAO is opgenomen om “een gelijke invaliditeitsschatting in het kader van de AAW en de WAO te waarborgen”(Bijlage TK 1974-1975, 13231, nr. 3 MvT, blz. 48).

Voor het antwoord op de vraag wat met de definitie van arbeidsongeschiktheid in artikel 18, eerste lid, van de WAO is beoogd geeft de wetsgeschiedenis (Bijlage TK 1962-1963, 7171, nr. 3 MvT, blz. 15) het volgende aanknopingspunt: “In het kort samengevat komt de inhoud van artikel 18 hierop neer, dat arbeidsongeschikt is hij die door ziekte of gebreken niet in staat is met passende arbeid het loon van een gelijksoortige valide werknemer te verdienen. Dit begrip is derhalve aanmerkelijk ruimer dan dat hetwelk thans is neergelegd in artikel 72 van de Invaliditeitswet, op grond waarvan slechts een invaliditeitsrente kan worden verleend indien de betrokkene niet in staat is om een derde van het loon van een gelijksoortige valide te verdienen.”

Bij de totstandkoming van een latere wetswijziging is eveneens ingegaan op de betekenis van de definitiebepaling van artikel 5, derde lid, van de AAW en artikel 18, eerste lid, van de WAO waarbij is overwogen dat “de reële verdiencapaciteit het uitgangspunt blijft” (Bijlage TK 1985-1986, 19256, nr. 6 MvA, blz. 16).

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het uitgangspunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald wordt aan de hand van de reële verdiencapaciteit niet alleen mee dat de door het duiden van functies verkregen loonwaarde voldoende realiteitswaarde kent, welk vereiste ook in vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (waaronder de uitspraken van 9 december 2003, USZ 2004/33 en 11 oktober 2005, RSV 2006/1) ligt besloten, maar tevens dat het bij de loonvergelijking gebezigde maatmaninkomen zo goed mogelijk bij de werkelijkheid aansluit.

De rechtbank stelt op basis van de wetsgeschiedenis vast dat de bevoegdheid van artikel 18, achtste lid, van de WAO gegeven is om ten behoeve van de uitvoeringspraktijk enig beletsel uit te schakelen dat gelegen is in het vinden van “een soortgelijk gezonde persoon”. De rechtbank heeft geen aanknopingspunt kunnen vinden voor de conclusie dat het vinden van een meer adequate of meer hanteerbare methode voor het vaststellen van de maatman met de onderhavige maximering van de maatmanomvang zou zijn beoogd of gediend.

Gelet op strekking van artikel 18, eerste en achtste lid, van de WAO zoals die besloten ligt in de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en het verzekeringskarakter van die wet, reikt de bevoegdheid van een lagere regelgever tot afwijking van artikel 18, eerste lid, van de WAO niet zover dat het maatmanloon als grondslag van de loonvergelijking en daarmee van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid verlaten mag worden, doordat bij de loonvergelijking niet de feitelijke omvang van de maatmanarbeid in aanmerking wordt genomen.

Uit het voorgaande volgt dat de bepalingen van artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 waarbij de maatmanomvang is gemaximeerd tot 38 uur per week de grenzen van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 18, achtste lid, van de WAO te buiten gaan en in strijd zijn met artikel 18, eerste lid, van de WAO. De bepalingen dienen derhalve als zijnde onverbindend bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres buiten toepassing te worden gelaten.

De rechtbank ziet daarbij tevens nog aanleiding in te gaan op de vraag of de bepalingen van het Schattingsbesluit 2004 betreffende de maximering van de urenomvang van de maatman in het onderhavige geval in het licht van de algemene rechtsbeginselen stand kunnen houden, nu eiseres heeft gesteld dat sprake is van een medische urenbeperking als gevolg waarvan zij niet meer werkzaam kan zijn in de urenomvang van de maatman.

Eiseres was in de maatmanfunctie 50 uur per week werkzaam. De verzekeringsarts heeft op de FML aangegeven - hetgeen ter zitting van de zijde van verweerder is bevestigd - dat voor eiseres een medische urenbeperking geldt van 40 uur per week. De omvang van de voor de loonvergelijking gebezigde geduide functie bedraagt 38 uur per week.

Met een maatmanomvang van 50 uur per week en een medische urenbeperking van 40 uur per week wordt eiseres door de maximering van de maatmanomvang op 38 uur per week in het bijzonder getroffen, zonder dat daarvoor - in het Schattingsbesluit 2004, de toelichting daarop of in het bestreden besluit - een onderbouwing is gegeven waaruit enige rechtvaardiging kan blijken. Eiseres is door haar beperkingen, die op grond van een medische beoordeling zijn erkend, niet in staat om met gangbare arbeid een zelfde verdiencapaciteit te bewerkstelligen als met haar maatmanfunctie. Anders dan verzekerden voor wie geen medische urenbeperking geldt, kan eiseres niet in staat worden geacht, door meer of andere dan de door de arbeidsdeskundige geduide functies te aanvaarden, alsnog het gehele inkomensverlies ongedaan te maken. Dit is een gevolg dat de regelgever bij het vaststellen van het Schattingsbesluit 2004 niet heeft onderkend en waarmee afbreuk wordt gedaan aan de verzekeringsgedachte die aan artikel 18, eerste lid, van de WAO ten grondslag ligt.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 18, eerste lid, van de WAO en voorts in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

Gelet op het voorgaande blijft hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, onbesproken.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank be-paalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden en bepaalt dat, nu aan eiseres een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 19 23 25 892) worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten als voorzitter en mr. R.F. de Knoop en mr. A. Verweij als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Vos, griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.