Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX8962

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
06/2039
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2006 heeft verweerder verzoekster een boete opgelegd van € 32.000 wegens overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: WAV) en een boete van € 4.500 wegens overtreding van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WAV. Van onverwijlde spoed is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken, terwijl het bestreden besluit niet reeds zonder verder onderzoek als onhoudbaar gekwalificeerd moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VWET 06/2039-PEE

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[X] B.V., gevestigd te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 5 april 2006 heeft verweerder verzoekster een boete opgelegd van € 32.000,-- wegens overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: WAV) en een boete van € 4.500,-- wegens overtreding van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WAV.

Tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit) heeft verzoekster bij brief van 10 mei 2006 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekster bij brief van eveneens 10 mei 2006 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in gezelschap van mr. drs. H.J. Kronenburg, werkzaam als algemeen manager bij verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Contant.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Verzoekster exploiteert een schoonmaakbedrijf, dat personeel beschikbaar stelt aan hotels.

Tijdens een inspectie op 28 juni 2005 in Hotel-Café-Restaurant De Gouden Leeuw, Veurseweg 180 te Voorschoten (hierna: De Gouden Leeuw), is een drietal vreemdelingen aangetroffen, die aan het werk waren zonder dat verzoekster beschikte over de vereiste tewerkstellingsvergunning. Op genoemde datum is tevens een onderzoek ingesteld in de administratie van De Gouden Leeuw, waarbij geen identiteitsdocumenten van de drie vreemdelingen zijn aangetroffen. Uit een administratief onderzoek op het kantoor van verzoekster is voorts op 7 juli 2005 gebleken dat een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit werkzaamheden voor verzoekster had verricht, zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Van voormelde onderzoeken is op ambtseed en ambtsbelofte op 18 augustus 2005 een boeterapport opgemaakt, dat aan verzoekster is toegezonden. Bij brief van 18 november 2005 heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen op het voornemen vanwege de geconstateerde beboetbare feiten haar boetes op te leggen van in totaal € 36.500,--.

Verzoekster heeft bij brief van 1 december 2005 haar zienswijze naar voren gebracht. Op 17 februari 2006 heeft verweerder een aanvullend boeterapport opgesteld. Verweerder heeft vervolgens het besluit van 5 april 2006 genomen, waartegen verzoekster bezwaar heeft gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster een boete ter hoogte van € 32.000,-- opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de WAV. Daarbij heeft verweerder overwogen dat verzoekster op de locatie Veurseweg 180 te Voorschoten drie arbeidskrachten arbeid liet verrichten. Deze arbeidskrachten hadden onderscheidenlijk de Sierraleoonse, Burundische en Kameroense nationaliteit. Tevens heeft verweerder overwogen dat uit een administratieve controle op het hoofdkantoor is gebleken dat verzoekster eveneens één arbeidskracht met de Marokkaanse nationaliteit arbeid liet verrichten. De arbeidskrachten waren niet in het bezit van een verblijfsvergunning op grond waarvan het vrij verrichten van arbeid was toegestaan. Verzoekster had geen tewerkstellingsvergunningen voor de betrokken arbeidskrachten. Verzoekster wordt verweten dat zij de identiteitsdocumenten in onvoldoende mate heeft gecontroleerd, met name op de locatie waar de vreemdelingen werkend zijn aangetroffen. Bij de aanvang van de werkzaamheden had zij zich een goed gedocumenteerd oordeel moeten vormen over de identiteit van de vreemdelingen. Het laten controleren van de identiteitspapieren door de Koninklijke Marechaussee is onvoldoende aangezien hiermee niet wordt uitgesloten dat look-a-likes feitelijk de werkzaamheden verrichten.

Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit een boete ter hoogte van € 4.500,-- opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WAV, omdat verzoekster als formele werkgever van de drie op de locatie Veurseweg 180 te Voorschoten werkzame vreemdelingen niet bij aanvang van de arbeid er onverwijld voor heeft zorggedragen dat een kopie van het identiteitsbewijs aan de werkgever bij wie feitelijk de arbeid werd verricht (De Gouden Leeuw) werd verstrekt.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening gesteld dat de boete, evenals de verplichting deze op korte termijn te betalen, een wezenlijk gevaar vormt voor de continuïteit van de onderneming. De onderneming zal bij voldoening van de boete in een financiële noodsituatie komen te verkeren. Bovendien zal de boeteoplegging in rechte geen stand houden.

Daartoe heeft verzoekster - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij geen voordeel heeft behaald nog beoogd heeft dit te behalen en in de veronderstelling verkeerde legale personen in dienst te hebben genomen, die het was toegestaan in Nederland te werken en waarvoor belastingen en premies zijn afgedragen. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat nieuw personeel uitgebreid wordt gescreend op het hoofdkantoor, waarna ook op de werkplek nog wordt gecontroleerd. Daarbij wordt het zogenoemde Handboek grensdocumenten gebruikt. Verzoekster heeft erop gewezen dat zij aangifte heeft gedaan over een mogelijk netwerk dat zich bezighield met tewerkstelling van illegalen en mensenhandel. Bovendien heeft verzoekster haar controles in 2005 verder aangescherpt. Ook heeft zij erop gewezen dat zij een groot wisselend personeelsbestand heeft, wat de controle bemoeilijkt. De werkend aangetroffen vrouwen waren volgens verzoekster look-a-likes, waardoor het voor haar niet mogelijk was vast te stellen dat sprake was van een persoonsverwisseling, hetgeen aanleiding behoort te zijn de boete te matigen.

Met betrekking tot de werkneemster met de Marokkaanse nationaliteit heeft verzoekster aangevoerd dat door verweerder en andere instanties tegenstrijdige informatie is gegeven of voor deze in Nederland geboren en goed Nederlands sprekende studente een tewerkstellingsvergunning nodig was. Bovendien heeft een van de inspecteurs toegezegd dat voor deze overtreding geen boete zou worden opgelegd.

Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat op of omstreeks 28 juni 2005 geen administratief onderzoek heeft plaatsgevonden bij De Gouden Leeuw.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Een voorlopige voorziening kan getroffen worden indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. Het is aan de verzoeker van de voorziening het spoedeisend belang aannemelijk te maken. Een financieel belang vormt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal echter wel in beeld kunnen komen indien het financiële belang, gelet op bijvoorbeeld het totaal van de handelsactiviteiten en/of de vermogenspositie van de verzoeker, zodanig zwaarwegend is, dat de continuïteit van de onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk.

Met betrekking tot het door verzoekster gestelde spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter dat dit in hoofdzaak een financieel karakter draagt. Dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang als bedoeld, is niet aannemelijk geworden. Uit de door verzoekster overgelegde conceptjaarstukken en de brief van de accountant blijkt onvoldoende dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door betaling van de opgelegde boete. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder meer gelet op de hoogte van de omzet in de onderneming van verzoekster. Voorts wijst de voorzieningenrechter op hetgeen van de zijde van verweerder is gesteld ten aanzien van de betalingsregeling, waardoor nog minder snel sprake zal zijn van een bedreiging van de continuïteit van de onderneming. Verweerder is bereid om meer dan drie termijnen te gunnen in het geval dat verzoekster de noodzaak daartoe kan aantonen. Tot slot is de overgelegde accountantsverklaring onvoldoende om aan te nemen dat het voor verzoekster onmogelijk is een kredietfaciliteit te treffen.

De voorzieningenrechter is voorts niet gebleken dat het bestreden besluit reeds nu zonder verder onderzoek als onhoudbaar gekwalificeerd moet worden. Derhalve is er thans geen grond om aan te nemen dat het bestreden besluit in de bezwaarprocedure niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding om het ontbreken van een spoedeisend belang vanwege de onmiskenbare onrechtmatigheid van het bestreden besluit te passeren.

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C.J. Peeck, voorzieningenrechter.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. E. Kleingeld-Top, griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: