Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX8762

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
722829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een werknemer is op staande voet ontslagen wegens het tijdens werktijd verhandelen van, volgens de werkgever gestolen, digitale camera's, met gebruikmaking van door de werkgever ter beschikking gestelde faciliteiten. De werknemer vordert in kort geding o.a. nietigverklaring van het ontslag op staande voet en doorbetaling van loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van

[eiser],

wonende te Papendrecht,

eiser bij exploot van dagvaarding van 12 mei 2006,

gemachtigde: mr. D. Spek te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

Fortis Verzekeringen Nederland N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

onder meer kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. I.O.D.V. Wetzels te Utrecht,

Partijen worden hierna aangeduid met “[eiser]” respectievelijk “Fortis”.

1. Het verloop van de procedure

[eiser] heeft overeenkomstig de dagvaarding, onder overlegging van stukken, doorbetaling van loon (en overige emolumenten) vanaf 24 maart 2006 gevorderd, met nevenvorderingen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006, tezamen met de mondelinge behandeling van het door Fortis ingediende verzoekschrift strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de Voorzieningenrechter op 16 mei 2006 een brief met één aanvullende productie ontvangen van de gemachtigde van [eiser], en voorts op 17 mei 2006 een faxbericht met aanvullende producties van de gemachtigde van Fortis.

Ter mondelinge behandeling zijn aan de zijde van [eiser] verschenen [eiser] in persoon, vergezeld door zijn beide ouders, en bijgestaan door de gemachtigde mr. D. Spek. Aan de zijde van Fortis zijn verschenen de heer [naam 1] (adjunct-directeur Bancair), mevrouw [naam 2] (voormalig leidinggevende van [eiser]), mevrouw [naam 3] (personeelsadviseur), en mevrouw [naam 4] (personeelsadviseur), bijgestaan door de gemachtigde mr. I.O.D.V. Wetzels.

Door beide gemachtigden zijn pleitaantekeningen overgelegd, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, is door de griffier aantekening gehouden. Die aantekeningen maken eveneens deel uit van het procesdossier.

2. De vaststaande feiten

2.1 [eiser], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 juli 2001 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Fortis, laatstelijk in de functie van Medewerker Administratief en Financieel Beheer, tegen een salaris ad € 1.809,81 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag en dertiende maand.

2.2 Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen zijn de bepalingen zoals opgenomen in de Personeelsgids van Fortis van toepassing. Daarnaast gelden gedragsregels, welke zijn opgenomen in de Integriteitscode van Fortis.

2.3 [eiser] is op 24 maart 2006 op staande voet ontslagen. Bij brief van 27 maart 2006 heeft Fortis [eiser] het ontslag schriftelijk bevestigd, waarvan de inhoud -voor zover thans van belang- als volgt luidt:

“(…) Met deze brief bevestigen wij u het ontslag op staande voet, u op 24 maart 2006 namens de directie van Fortis Verzekeringen Nederland N.V. aangezegd door de heer [naam 1], Adjunct Directeur Bancair in aanwezigheid van mevrouw drs. [naam 3], senior P&O adviseur. Het ontslag is u aangezegd wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW.

De dringende reden is de volgende.

Op 24 maart 2006 heeft u op ons hoofdkantoor te Utrecht een onderhoud gehad met de heren [naam 5] en [n[naam 6]. De aanleiding voor het onderhoud was een melding die ons bereikte en waaruit bleek dat u van diefstal afkomstige camera’s tijdens werktijd te koop aanbood en ook daadwerkelijk heeft verkocht aan in ieder geval collega’s. De resultaten van het onderhoud zijn vastgelegd in een op schrift gestelde verklaring die u na lezing en akkoordbevinding heeft ondertekend. In uw verklaring heeft u aangegeven dat u wist en weet dat de camera’s van diefstal afkomstig waren en zijn, althans u had het vermoeden dat de camera’s van diefstal afkomstig waren. U heeft verder verklaard dat u zelf ook begreep dat het niet in de haak was om camera’s op het werk te verkopen die van diefstal afkomstig waren. Desondanks heeft u zich er niet van laten weerhouden deze gestolen camera’s te koop aan te bieden. Uw verklaring voegen wij als bijlage bij deze brief.

Uw handelen is voor ons beslist ontoelaatbaar en ook overigens in strijd met de Integriteitscode die voor alle medewerkers van Fortis Verzekeringen Nederland geldt. Voor ons bedrijf, dat actief is op het gebied van financiële dienstverlening, is een onberispelijke reputatie van levensbelang. Wij kunnen daarom niet accepteren dat onze medewerkers, nota bene in werktijd en met gebruikmaking van middelen en faciliteiten die door de werkgever ter beschikking zijn gesteld zoals e-mail en telefoon, strafbare gedragingen plegen zoals handelen in gestolen spullen. Door uw handelwijze heeft u het vertrouwen dat de basis vormt voor uw functioneren in zo ernstig mate geschaad, dat van ons in redelijkheid niet kan worden verlangd het dienstverband met u te continueren. (…)”

2.4 Bij brief van 30 maart 2006 heeft [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden.

3. De vordering van [eiser]

3.1 [eiser] heeft gevorderd bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet d.d. 24 maart 2006 nietig is, primair wegens het ontbreken van een dringende reden, subsidiair wegens gebreke van een onverwijlde opzegging;

II. Fortis te veroordelen om [eiser] toe te laten tot de eigen functie en de daarbij behorende werkzaamheden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, indien Fortis vanaf de tweede dag na betekening van het onderhavige vonnis weigerachtig blijft om [eiser] tot zijn eigen functie en werkzaamheden toe te laten;

III. Fortis te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het loon ad € 1.809,81 bruto per maand vanaf 24 maart 2006 en alle overige emolumenten, waarop [eiser] ingevolge het dienstverband recht heeft tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomstig rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf datum ingebrekestelling, zijnde 18 april 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de gecumuleerde bedragen van het loon en de wettelijke verhoging vanaf 18 april 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

IV. Fortis te veroordelen om de opname (van de persoonsgegevens van [eiser]) in het Incidentenregister van het Verbond van Verzekeraars per omgaande doch uiterlijk binnen twee dagen na betekening van het onderhavige vonnis te (laten) verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen;

V. Fortis te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 [eiser] heeft -zakelijk en verkort weergegeven- aan diens vorderingen het navolgende ten grondslag gelegd.

[eiser] bestrijdt de door Fortis aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden, te weten dat hij zou hebben gehandeld in gestolen camera’s. [eiser] ontkent en betwist ten stelligste de camera’s te hebben gestolen en/of wetenschap te hebben dat de camera’s gestolen zouden zijn. Bij gebrek aan wetenschap bestrijdt [eiser] voorts dat de camera’s van diefstal afkomstig zouden zijn, De camera’s zijn uit China afkomstig en zijn via het internet te verkrijgen. In dit kader verwijst [eiser] naar de door hem overgelegde productie 12. Het verkopen van camera’s uit China is geen strafbare gedraging. Voorts heeft Fortis nagelaten aan te tonen dat deze camera’s van diefstal afkomstig zouden zijn, hetgeen uit niets blijkt. Het ligt op de weg van Fortis dit te bewijzen, te meer nu Fortis [eiser] zeer stellig beschuldigt van strafbare gedragingen c.q. handel in gestolen goederen, en dit bovendien ook in het Incidentenregister van het Verbond van Verzekeraars heeft laten opnemen.

Voorts is de door [eiser] op 24 maart 2006 ondertekende verklaring, die door de heren [naam 5] en [naam 6] namens Fortis is opgesteld, op onzuivere wijze tot stand gekomen. Volledig overrompeld door de handelwijze van Fortis heeft [eiser] na een ruim drie uur durend intimiderend verhoor deze verklaring ondertekend, terwijl hij op dat moment niet in staat was zijn wil te bepalen. De door genoemde personen opgestelde verklaring zit ook vol met innerlijke tegenstrijdigheden.

[eiser] wist en weet niet dat de camera’s van diefstal afkomstig zijn. Uit de door Fortis in de procedure gebrachte verklaringen blijkt evenmin dat de camera’s zijn gestolen.

[eiser] erkent begin februari 2006 een viertal digitale camera’s aan collega’s te hebben geleverd. Hij heeft daarvan ook geen enkel geheim gemaakt, en deze camera’s nota bene aan zijn leidinggevende laten zien. Dit laatste zou hij uiteraard nooit hebben gedaan indien hij zou weten dat het gestolen camera’s zou betreffen.

[eiser] betwist het door Fortis geschapen beeld dat [eiser] met allerlei handeltjes bezig zou zijn, en nauwelijks nog tijd zou hebben om zijn werkzaamheden te verrichten. Dit beeld valt overigens ook niet te rijmen met de bonus die [eiser] ontving voor zijn inzet in het beoordelingsjaar 2005.

Voorts voldoet het gegeven ontslag op staande voet niet aan de daaraan te stellen formele eisen, nu uit de door Fortis als productie 10 in het geding gebrachte verklaring blijkt dat de leiding van Fortis reeds begin februari 2006 in de kennis was gesteld van de beweerdelijke handel in gestolen goederen, terwijl het ontslag eerst eind maart 2006 is aangezegd. Derhalve is het dringende karakter c.q. de onverwijldheid komen te ontbreken.

[eiser] stelt zich op het standpunt er onvoldoende grond is voor het gegeven ontslag op staande voet. Het handelen van Fortis is onzorgvuldig en disproportioneel geweest. [eiser] wordt ten onrechte beschuldigd van handel in gestolen goederen, terwijl van een goed werkgever verwacht mag worden dat zij bij dergelijke zware beschuldigingen zorgvuldig te werk gaat. Daarbij acht [eiser] mede van belang dat uit de door Fortis in het geding gebrachte verklaringen blijkt dat tussen collega’s regelmatig zaken worden verkocht, en er voorts binnen Fortis ook een soort marktplaats op intranet bestaat waarbij medewerkers hun spullen te koop aanbieden en allerlei zaken worden verhandeld.

4. Het verweer

Fortis heeft de vorderingen bestreden en daartoe -zakelijk en verkort weergegeven- het navolgende aangevoerd.

Fortis stelt zich op het standpunt dat vast is komen te staan dat [eiser] heeft gehandeld in gestolen goederen, althans dat [eiser] kon vermoeden dat de betrokken goederen van diefstal afkomstig waren. Daarbij heeft [eiser] gehandeld onder gebruikmaking van de bedrijfsmiddelen van Fortis en deze goederen verkocht aan collega’s en mogelijk ook aan externen. Dusdoende heeft [eiser] zich als een slecht werknemer gedragen en heeft Fortis [eiser] op juiste gronden ontslagen.

De anonieme tip die aanleiding is geweest voor het door Fortis uitgevoerde onderzoek, is afkomstig van een tussenpersoon die zijn beklag deed over het feit dat [eiser] tijdens werktijd gestolen goederen aan werknemers van diens bedrijf te koop aanbood. Deze tussenpersoon vond dit ontoelaatbaar. Hierop heeft Fortis een onderzoek ingesteld, waarbij diverse personen zijn verhoord. Uit die verhoren is Fortis gebleken dat de tip klopte, in die zin dat [eiser] daadwerkelijk tijdens werktijd digitale camera's aan derden verkocht. Uit de verhoren blijkt voorts van een heimelijk karakter bij die verkoop, en ook dat de door [eiser] te koop aangeboden camera’s een veel lagere prijs hadden dan de winkelwaarde. Fortis acht dan ook volstrekt ongeloofwaardig dat de betreffende digitale camera’s niet gestolen zouden zijn danwel geen bedenkelijke herkomst zouden hebben. Tijdens het verhoor van [eiser] op 24 maart 2006 heeft hij ook meerdere malen openlijk en in alle eerlijkheid bekend dat de camera’s gestolen waren dan wel dat hij een vermoeden had dat deze van diefstal afkomstig waren.

Fortis betwist voorts de door [eiser] geschetste gang van zaken met betrekking tot het op 24 maart 2006 gehouden verhoor en de door hem daarbij afgelegde verklaring. [eiser] heeft een verzoek per e-mail ontvangen zich te melden in Utrecht. Zijn leidinggevende heeft vervolgens een mondelinge toelichting gegeven en zijn treinkaartje voorgeschoten. Tijdens het gesprek in Utrecht heeft [eiser] ruim de tijd genomen voor het lezen van zijn verklaring. Hij had slechts één wijziging. Na het aanbrengen van die wijziging heeft [eiser] zijn verklaring opnieuw helemaal gelezen en vervolgens voor akkoord getekend. [eiser] heeft die verklaring dan ook in alle vrijheid afgelegd, en is daarbij niet onder druk gezet.

Fortis betwist voorts uitdrukkelijk dat de leidinggevende van [eiser], mevrouw [naam 2], van de verkoop van digitale camera’s door [eiser] op de hoogte was.

Fortis heeft voorts aangevoerd dat zij op de integriteit en vlekkeloze reputatie van haar werknemers dient te kunnen vertrouwen. Voor haar is volstrekt onacceptabel dat werknemers gestolen goederen danwel goederen waarvan vermoed kan worden dat deze van diefstal afkomstig zijn, binnen danwel buiten haar organisatie verkopen. Om die reden heeft Fortis ook gedragsregels opgesteld.

Voorts bestrijdt Fortis uitdrukkelijk het door [eiser] geschapen beeld dat hij zijn werkzaamheden altijd naar volle tevredenheid heeft verricht. Fortis was namelijk allerminst tevreden over het gedrag en de opstelling van [eiser], in welk kader Fortis diverse gespreksverslagen in de procedure heeft gebracht.

Fortis bestrijdt voorts dat het gegeven ontslag op staande voet niet aan het vereiste van onverwijldheid zou voldoen. Op 24 februari 2006 heeft zij een anonieme tip ontvangen, waarop zij een omvangrijk onderzoek is gestart teneinde de juistheid van die tip te verifiëren, in welk kader zij diverse werknemers heeft gehoord en een emailonderzoek heeft uitgevoerd. Op grond van vaste rechtspraak is het een werkgever toegestaan om onderzoek te verrichten naar vermoedelijk frauduleus gedrag van haar werknemers. Het onderzoek is door Fortis zorgvuldig doch voortvarend verricht. Nadat het onderzoek op 24 maart 2006 was afgerond en [eiser] als laatste was gehoord, heeft Fortis hem nog diezelfde dag en derhalve onverwijld ontslag op staande voet gegeven.

Ten aanzien van de opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het Incidentenregister heeft Fortis zich op het standpunt gesteld dat zij zich gecommitteerd heeft de aanbevelingen en richtlijnen als opgenomen in een door het Verbond van Verzekeraars opgesteld protocol strikt na te leven. Op grond van richtlijn 102 daarvan is zij verplicht om (een redelijk vermoeden van) onoorbaar gedrag te registreren in het Incidentenregister, zodat zij van het onderhavige voorval melding heeft gedaan.

Gelet op het algemene belang van verzekeringsmaatschappijen in Nederland van deze melding in het Incidentenregister dient dit onderdeel van de vordering van [eiser] afgewezen te worden.

Fortis concludeert tot afwijzing van het door [eiser] gevorderde.

5. De beoordeling

5.1 Genoegzaam is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen, zodat hij in zoverre ontvankelijk is.

5.2 Evenwel kan de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht in ieder geval niet worden toegewezen, nu het niet tot de bevoegdheid van de rechter in kort geding behoort een zodanige, declaratoire uitspraak te doen.

5.3 In de onderhavige kort geding procedure dient aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten en overgelegde stukken beoordeeld te worden of het door [eiser] (overige) gevorderde in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat, vooruitlopend daarop, toewijzing daarvan reeds nu gerechtvaardigd is.

5.4 De Voorzieningenrechter overweegt dat uit de processtukken en hetgeen partijen ter mondelinge behandeling hebben gesteld voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] tijdens werktijd, op de werkvloer en met gebruikmaking van de bedrijfsmiddelen van Fortis digitale camera’s verkocht heeft aan collega’s op zulk een wijze dat niet gezegd kan worden dat Fortis, met name gelet op de overgelegde verklaringen en in het geding gebrachte e-mail correspondentie, ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat die camera’s afkomstig zijn uit een illegaal circuit. Deze conclusie wordt daarenboven bevestigd door de door [eiser] op 24 maart 2006 afgelegde verklaring, ter zake waarvan voorshands niet is komen vast te staan dat deze op onzuivere wijze tot stand is gekomen, of dat [eiser] bij het ondertekenen daarvan niet in staat was zijn wil te bepalen.

5.5 Voorts is de Voorzieningenrechter met Fortis van oordeel dat ingevolge vaste jurisprudentie de werkgever in een geval als hier aan de orde een beperkte ruimte toekomt teneinde, alvorens tot het geven van het ontslag op staande voet over te gaan, onder meer onderzoek te plegen, intern overleg te voeren en juridisch advies in te winnen, mits daarbij met de nodige voortvarendheid wordt gehandeld. Gelet op hetgeen in dit verband uit de processtukken is gebleken, is de Voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat Fortis daarbij binnen de grenzen van het toelaatbare is gebleven, en het vereiste van onverwijldheid daarbij niet heeft geschonden.

5.6 Gelet op het hiervoor overwogene is de Voorzieningenrechter dan ook voorshands van oordeel dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure het gegeven ontslag op staande voet in stand zal laten, zodat de door [eiser] gevorderde wedertewerkstelling en loondoorbetaling, inclusief verhogingen, zullen worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door [eiser] gevorderde verwijdering uit het Incidentenregister van het Verbond van Verzekeraars. Daartoe wordt overwogen dat daar waar Fortis voldoende aannemelijk gemaakt heeft welk redelijk belang gediend wordt bij de opname van dit soort voorvallen in het register, [eiser] er voorshands niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat die opname op onterechte gronden zou zijn geschied, hetgeen uiteraard samenhangt met het oordeel van de bodemrechter over de rechtsgeldigheid van het door [eiser] bestreden ontslag op staande voet. Daarover zal dan ook in een eventuele bodemprocedure dienen te worden beslist.

5.7 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden verwezen in de kosten van het geding.

6. De beslissing

De Voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fortis begroot op € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.