Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX8756

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
720401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer, die, aldus de werkgever, tijdens werktijd via internet en met gebruikmaking van faciliteiten van de de werkgever, heeft gehandeld in gestolen digitale camera's. De werknemer ontkent dat de betreffende camera's waren gesloten, althans, dat hem niet bekend was dat de camera's waren gestolen. De kantonrechter overweegt dat sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk, dat deze een gegronde reden vormt om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton

BESCHIKKING ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Fortis Verzekeringen Nederland N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht,

onder meer kantoorhoudende te Rotterdam,

verzoekster bij verzoekschrift van 26 april 2006,

gemachtigde: mr. I.O.D.V. Wetzels te Utrecht,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Spek te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid met “Fortis” respectievelijk “[verweerder]”.

1. De processtukken en de loop van het geding

Op 28 april 2006 is ter griffie ontvangen het verzoekschrift, met producties, van Fortis, waarop de kantonrechter een mondelinge behandeling heeft bepaald. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter op 16 mei 2006 een brief met één aanvullende productie ontvangen van de gemachtigde van [verweerder], en voorts op 17 mei 2006 een faxbericht met aanvullende producties van de gemachtigde van Fortis.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006, tezamen met de mondelinge behandeling van de door [verweerder] tegen Fortis aanhangig gemaakte voorlopige voorzieningenprocedure.

Daarbij zijn aan de zijde van Fortis verschenen de heer G.C. Mattu (adjunct-directeur Bancair), mevrouw [naam 1] (voormalig leidinggevende van [verweerder]),

mevrouw [naam 2] (personeelsadviseur), en mevrouw [naam 3] (personeelsadviseur), bijgestaan door de gemachtigde mr. I.O.D.V. Wetzels. Aan de zijde van [verweerder] zijn verschenen [verweerder] in persoon, vergezeld door zijn beide ouders, en bijgestaan door de gemachtigde mr. D. Spek.

Door beide gemachtigden zijn pleitaantekeningen overgelegd, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, is door de griffier aantekening gehouden. Die aantekeningen maken eveneens deel uit van het procesdossier.

2. De vaststaande feiten

2.1 [verweerder], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 juli 2001 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Fortis, laatstelijk in de functie van Medewerker Administratief en Financieel Beheer, tegen een salaris ad € 1.809,81 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag en dertiende maand.

2.2 Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen zijn de bepalingen zoals opgenomen in de Personeelsgids van Fortis van toepassing. Daarnaast gelden gedragsregels, welke zijn opgenomen in de Integriteitscode van Fortis.

2.3 [verweerder] is op 24 maart 2006 op staande voet ontslagen. Bij brief van 27 maart 2006 heeft Fortis [verweerder] het ontslag schriftelijk bevestigd. Bij brief van 30 maart 2006 heeft [verweerder] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek strekt ertoe de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk, voor het geval komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd op 24 maart 2006, te ontbinden wegens gewichtige redenen, primair bestaande uit een dringende reden, en subsidiair wegens een zodanige wijziging van omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang dan wel op korte termijn beëindigd dient te worden, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder], met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.

3.2 Fortis heeft -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het navolgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

Ingevolge de op de onderhavige arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde interne regelgeving van Fortis is oneigenlijk en ongeoorloofd gebruik van de internet- en e-mail- faciliteiten van Fortis door haar werknemers verboden, en dienen deze faciliteiten uitsluitend voor zakelijke doeleinden te worden aangewend. Voorts is voor een bedrijf als Fortis, dat actief is op het gebied van financiële dienstverlening, een onberispelijke reputatie van levensbelang. Van haar werknemers verwacht Fortis dan ook onberispelijk gedrag.

Nadat Fortis op enig moment een anonieme tip had gekregen dat [verweerder] gestolen camera’s op zijn afdeling zou verkopen, heeft zij een onderzoek ingesteld naar diens gedragingen, en in dat kader recent e-mail verkeer van en naar [verweerder] bekeken. Uit deze e-mail correspondentie bleek uitdrukkelijk dat [verweerder] digitale camera’s verkocht en er nog andere handel op nahield, waarbij Fortis gebleken is dat e-mail verkeer omtrent deze activiteiten tijdens werktijd en met gebruikmaking van de e-mail van Fortis tussen [verweerder] en diens broer plaatsvond. Om reden dat het aangetroffen e-mail verkeer de juistheid van de anonieme tip bevestigde, heeft Fortis -gelet op de ernst van de situatie- haar afdeling Veiligheidszaken ingeschakeld, die een onderzoek naar de gedragingen van [verweerder] heeft verricht, en in dat kader onder meer [verweerder] en enkele werknemers van Fortis heeft gehoord.

Op 24 maart 2006 heeft [verweerder] een verklaring afgelegd aan de afdeling Veiligheidszaken van Fortis, welke door hem is ondertekend. In die verklaring heeft [verweerder] onder meer aangegeven dat hij wist en weet dat de camera’s van diefstal afkomstig waren en zijn, althans hij had het vermoeden dat de camera’s van diefstal afkomstig waren. Voorts heeft hij verklaard zelf ook te begrijpen dat het niet in de haak was om camera’s op het werk te verkopen die van diefstal afkomstig waren. Desondanks heeft [verweerder] zich er niet van laten weerhouden deze gestolen camera’s tijdens werktijd op de werkvloer te koop aan te bieden en te verhandelen, dit met gebruikmaking van de bedrijfseigendommen van Fortis, die zij hem ten behoeve van zakelijke doeleinden ter beschikking had gesteld.

De gedragingen en handelwijze van [verweerder] zijn voor Fortis beslist ontoelaatbaar. Deze handelwijze van [verweerder] is niet alleen in strijd met de bepalingen uit de Integriteitscode maar tevens vormt het handelen in gestolen spullen een strafbare gedraging. Vanwege het belang van Fortis bij een onberispelijke reputatie kon en kan Fortis daarom niet accepteren dat haar werknemers, nota bene in werktijd en met gebruikmaking van middelen en faciliteiten die door Fortis ter beschikking zijn gesteld, strafbare gedragingen plegen, zoals handel in gestolen goederen. Door zijn handelwijze heeft [verweerder] zijn verplichtingen die de arbeidsovereenkomst hem oplegt, grovelijk veronachtzaamd, en het vertrouwen dat de basis vormt voor zijn functioneren in zeer ernstige mate beschaamd. Fortis handhaaft dan ook haar standpunt dat zij alle reden had om [verweerder] op 24 maart 2006 op staande voet te ontslaan.

3.3 Aan het onderhavig verzoek heeft Fortis primair ten grondslag gelegd een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW jo. 7:678 BW, bestaande uit het verkopen van gestolen digitale camera’s aan collega’s tijdens werktijd en op de werkvloer, het overtreden van de interne regels met betrekking tot het gebruikmaken van ter beschikking gestelde bedrijfseigendommen alsmede het overtreden van de Integriteitscode. Subsidiair stelt Fortis dat er sprake is van een verandering van omstandigheden, daaruit bestaande dat door het handelen van [verweerder] het noodzakelijke vertrouwen dat Fortis in haar werknemers moet kunnen stellen, zeker wanneer het werknemers betreft zoals [verweerder] die met geld- en/of hypotheekzaken omgaan of bij de administratieve behandeling van zulke zaken vetrokken zijn, is verdwenen. Aangezien de vertrouwensbreuk geheel te wijten is aan de handelwijze van [verweerder], acht Fortis geen termen aanwezig voor het toekennen van een ontbindingsvergoeding aan [verweerder].

4. Het verweer

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek, waartoe [verweerder] -zakelijk en verkort weergegeven- het navolgende heeft aangevoerd.

4.2 Daar waar Fortis als dringende reden voor het ontslag op staande voet heeft opgevoerd dat [verweerder] heeft gehandeld in gestolen camera’s, ontkent en betwist [verweerder] ten stelligste de camera’s te hebben gestolen en/of wetenschap te hebben dat de camera’s gestolen zouden zijn. Bij gebrek aan wetenschap bestrijdt [verweerder] daarenboven dat de camera’s van diefstal afkomstig zouden zijn, zoals Fortis heeft gesteld. De desbetreffende camera’s zijn uit China afkomstig en via het internet te verkrijgen. Het verkopen van camera’s uit China is geen strafbare gedraging. Door Fortis is ook niet aangetoond dat die camera’s van diefstal afkomstig zouden zijn. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat het aan Fortis is dat te bewijzen, zeker nu zij [verweerder] zeer stellig beschuldigt van strafbare gedragingen c.q. handel in gestolen goederen en dit bovendien ook in het Incidentenregister van het Verbond van Verzekeraars heeft laten opnemen. De door [verweerder] op 24 maart 2006 ondertekende verklaring is op onzuivere wijze tot stand gekomen. [verweerder] heeft deze volledig overrompeld door de handelwijze van Fortis en na enkele uren aan een intensief verhoor te zijn onderworpen ondertekend, terwijl hij op dat moment niet in staat was zijn wil te bepalen. Deze verklaring is van de zijde van Fortis opgesteld en bevat ook innerlijke tegenstrijdigheden. Uit niets, ook niet uit de door Fortis overgelegde verklaringen, blijkt dat [verweerder] gehandeld zou hebben in gestolen goederen. Fortis heeft haar stellingen dat de camera’s van diefstal afkomstig zouden zijn, niet hard gemaakt.

4.3 Voorts heeft Fortis onzorgvuldig en in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap gehandeld door selectief e-mail correspondentie tussen [verweerder] en zijn broer in het geding te brengen. De daarin gebezigde opmerkingen en gebezigde taalgebruik doen blijken dat deze e-mails op geen enkele manier serieus bedoeld zijn. Door slechts selectief te citeren en niet de volledige e-mail correspondentie in het geding te brengen, maakt Fortis zich dan ook schuldig aan stemmingmakerij.

4.4 [verweerder] erkent begin februari 2006 een viertal digitale camera’s aan collega’s te hebben geleverd. Daarvan heeft hij ook geen geheim gemaakt. Hij heeft deze nota bene aan zijn leidinggevende, mevrouw Leeuwenhage, laten zien. Dit zou hij uiteraard nooit gedaan hebben als hij wist dat het om gestolen camera’s zou gaan. Onjuist is het beeld dat Fortis tracht te scheppen dat [verweerder] met allerlei handeltjes bezig zou zijn en nauwelijks nog tijd zou hebben om zijn werkzaamheden te verrichten. Dit is ook niet te rijmen met de bonus die [verweerder] ontving voor zijn inzet in het beoordelingsjaar 2005.

4.5 De door Fortis ten onrechte geuite beschuldigingen hebben uiteraard het nodige diffamerende effect op [verweerder], hetgeen nog eens versterkt wordt door het feit dat Fortis in het Incidentenregister van het Verbond van Verzekeraars heeft laten opnemen dat [verweerder] gestolen goederen heeft verkocht.

4.6 [verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek. De door Fortis aangevoerde gronden zijn onjuist en derhalve ontbreekt in objectieve zin een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Voorts voldoet het ontslag op staande voet niet aan de overige formele vereisten omdat uit de stukken blijkt dat Fortis reeds in februari 2006 bekend was met de door haar aangevoerde redenen, terwijl zij eerst eind maart 2006 is overgegaan tot het gegeven ontslag op staande voet. Derhalve is het dringende karakter c.q. de onverwijldheid komen te ontbreken. Ook is er geen sprake van een verandering van omstandigheden die van dien aard is dat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden geconcludeerd. Met het leveren van camera’s aan collega’s dacht [verweerder] een vriendendienst te bewijzen. Ook heeft hij via de computer deelgenomen aan een voetbalspel. Deze omstandigheden dienen echter niet te leiden tot onmiddellijke beëindiging van het dienstverband. In de door Fortis overgelegde verklaringen komt naar voren dat tussen collega’s regelmatig zaken worden verkocht. Afgezien daarvan bestaat binnen Fortis ook een soort marktplaats op intranet waarbij medewerkers hun spullen aanbieden en allerlei zaken worden verhandeld. Derhalve zou hooguit het geven van een waarschuwing aan [verweerder] op de plaats zijn geweest in plaats van het streven naar beëindiging van het dienstverband. [verweerder] wenst dan ook het dienstverband met Fortis voort te zetten. Ingeval van voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst acht [verweerder] een schadeloosstelling met toepassing van de kantonrechterformule op de plaats, waarbij in de gegeven omstandigheden uitgegaan dient te worden van een factor C =2. In die zin heeft [verweerder] een zelfstandig tegenverzoek gedaan.

5. De beoordeling

5.1 De kantonrechter stelt voorop dat hem genoegzaam is gebleken dat het onderhavig verzoek geen verband houdt met een opzegverbod, zodat daarvan zal worden uitgegaan.

5.2 De door Fortis primair gestelde dringende reden is door de gemotiveerde betwisting zijdens [verweerder] in rechte onvoldoende komen vast te staan. Nu deze grond ook het door [verweerder] bestreden ontslag op staande voet moet dragen, komt een uitgebreidere dan een marginale toetsing in het kader van deze procedure niet aan de orde. In een procedure als de onderhavige immers past -zeker nu het hier een voorwaardelijke ontbinding betreft- geen bewijslevering, anders dan bij hoge uitzondering. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire grondslag van het verzoek niet tot toewijzing daarvan kan leiden.

5.3 Subsidiair strekt het verzoek van Fortis tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering van omstandigheden, bestaande uit het wegvallen van het voor de voortzetting van de arbeidsrelatie noodzakelijke vertrouwen. Hoewel [verweerder] heeft gesteld dat hij een terugkeer nog mogelijk acht, overweegt de kantonrechter dat uit de processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, voldoende is gebleken dat er sprake is van een verandering van omstandigheden in die zin dat Fortis alle vertrouwen in [verweerder] heeft verloren en niet meer met hem verder wil. Derhalve is er sprake van een verandering van omstandigheden van dien aard dat deze een gewichtige reden vormt voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van de hierna te noemen datum. In zoverre zal het verzoek worden toegewezen.

5.4 Ten aanzien van de vraag of aan [verweerder] enige vergoeding dient te worden toegekend, wordt als volgt overwogen. Nu de door Fortis aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten door [verweerder] gemotiveerd zijn betwist, en voor nadere bewijslevering in deze procedure geen plaats is, is in deze procedure niet komen vast te staan dat Fortis danwel [verweerder] in overwegende mate een verwijt te maken valt van de ontstane vertrouwensbreuk. Om die reden acht de kantonrechter het dan ook billijk aan [verweerder], ten laste van Fortis, een vergoeding toe te kennen van (afgerond)

€ 10.500,00 bruto. Voor toewijzing van een hogere vergoeding is onvoldoende grond, nu niet is gebleken dat Fortis ten onrechte een onderzoek heeft ingesteld naar de gedragingen van [verweerder], terwijl evenmin is gebleken dat [verweerder] zich niet aan laakbaar gedrag schuldig heeft gemaakt.

5.5 Op grond van het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW zullen partijen beide in de gelegenheid gesteld worden het eigen verzoek in te trekken als hierna gemeld.

5.6 Gelet op de aard van de procedure en de gebleken omstandigheden acht de kantonrechter termen aanwezig de proceskosten te compenseren op de wijze als hierna gemeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

- bepaalt dat zowel Fortis als [verweerder] tot en met vrijdag 16 juni 2006 bevoegd is het eigen voorwaardelijk verzoek tot ontbinding schriftelijk in te trekken, waarbij bepalend zal zijn het moment van ontvangst van de intrekking ter griffie;

en voor het geval dat slechts één of geen der partijen het eigen verzoek (tijdig) intrekt:

- ontbindt, doch uitsluitend voor het geval dat op enig moment tussen partijen onaantastbaar komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt na 24 maart 2006, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2006;

- kent aan [verweerder], ten laste van Fortis, een vergoeding toe ter hoogte van

€ 10.500,00 (tienduizend en vijfhonderd euro) bruto, en bepaalt dat die vergoeding niet eerder opeisbaar zal zijn dan nadat tussen partijen onaantastbaar is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt na 24 maart 2006;

en in beide gevallen:

- compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.