Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX6792

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-05-2006
Datum publicatie
06-06-2006
Zaaknummer
219594/ HA ZA 04-1845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ingesteld tegen de bestuurders van een failliete vennootschap. Beklamelnorm: wisten de bestuurders of moesten zij begrijpen dat de vennootschap, toen de overeenkomsten waar het in deze zaken om gaat werden aangegaan, deze niet dan wel niet tijdig zou kunnen nakomen en dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van deze wanprestatie geleden schade. De vordering wordt afgewezen: hoewel de financiële situatie van van de vennootschap niet rooskleurig was, bevond de vennootschap zich ten tijde van het sluiten van de in het geding zijnde overeenkomsten nog niet in een uitzichtloze situatie zonder enig continuïteitsperspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 219594/ HA ZA 04-1845

Uitspraak: 31 mei 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. A.A. den Hollander,

advocaat mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. P.G. Gilhuis te Dordrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde sub 1]” en “[gedaagde sub 2]”. Gedaagden gezamenlijk worden aangeduid als “[gedaagde sub 1 c.s.]”

1. Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 15 juni 2004 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met een productie;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 6 oktober 2004, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 20 januari 2005;

- akte aan de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.];

- akte aan de zijde van [eiser];

- akte houdende uitlating op de door eiser geformuleerde vragen aan de deskundige;

- akte aan de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.]

1.2 De rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden is niet langer werkzaam binnen de sector civiel recht.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn enig bestuurder van Mast Landbouwprodukten B.V. (hierna: MLP). MLP houdt zich bezig met de inkoop van consumptieaardap-pelen, de bewerking en de verkoop daarvan.

2.2 MLP heeft op 5 februari 2003 van [eiser] 400 ton bintjes, maat 0+, gekocht voor een prijs van € 6,- per 100 kilo exclusief BTW, te leveren vanaf week 7 van 2003.

2.3 MLP heeft aan [eiser] creditfacturen verzonden met de nummers 30216 (d.d. 2 mei 2003 ad € 5.919,61), 30249 (d.d. 28 mei 2003 ad € 5.964,72), 30307

(d.d. 24 juni 2003 ad € 6.117,40), 30310 (d.d. 24 juni 2003 ad € 3.817,05) en 30311 (d.d. 24 juni 2003 ad € 2.378,79) voor een totaalbedrag van € 24.197,57 inclusief BTW.

2.4 MLP heeft op deze facturen op 9 juli 2003 € 1.000,- betaald en op 24 september en 3 november 2003 een bedrag van € 500,-. MLP heeft de resterende vordering van € 22.197,57 onbetaald gelaten.

2.5 Op 11 november 2003 is MLP op eigen aangifte failliet verklaard.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voor-raad [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 25.157,75 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 24.159,75 vanaf 1 juni 2004, telkens na afloop van een jaar te vermeerderen met over dat jaar verschuldigde rente conform artikel 6:119 BW, en met veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Herhaalde sommaties ten spijt is de vordering onbetaald gebleven. MLP heeft in diverse brieven de vordering erkend maar gesteld niet in staat te zijn deze te betalen.

3.2 Uit de jaarstukken en de crediteurenlijst volgt dat MLP op 5 februari 2003 niet in staat was haar verplichtingen jegens [eiser] binnen de betalingstermijn van 14 dagen dan wel binnen een redelijke termijn na te komen. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met [eiser] wist [gedaagde sub 1 c.s.], dan wel hoorde zij te begrijpen, dat MLP niet in staat zou zijn [eiser] binnen de gebruikelijke dan wel een redelijke termijn te betalen en voorts dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor ten gevolge van deze wanprestatie door [eiser] te lijden schade.

3.3 Subsidiair, indien komt vast te staan dat MLP begin februari 2003 wel tot betaling in staat was, heeft [gedaagde sub 1 c.s.] onrechtmatig gehandeld door het er niet toe te leiden dat MLP de opeisbare schuld van [eiser] voldeed, bijvoorbeeld door een kredietfaciliteit aan te spreken of aan te gaan, dan wel door de voldoening van deze schuld te frustreren.

3.4 De schade die [eiser] lijdt betreft de totale som van de openstaande creditfacturen van MLP ad € 22.197,57 inclusief BTW, welk bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente.

3.5 [Eiser] maakt voorts aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten ad

€ 998,-. De buitengerechtelijke invorderingskosten hebben bestaan uit werkzaamheden anders dan die ter voorbereiding van de procedure en die verband houden met werkzaamheden van [eiser] zelf, de rechtbijstandsver-zekeraar en de raadsman van [eiser], bestaande uit het verzenden van sommatiebrieven, het inwinnen van allerlei inlichtingen en het voeren van correspondentie met crediteur en debiteur over het gerezen geschil.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

[Gedaagde sub 1 c.s.] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [Gedaagde sub 1 c.s.] wist op 5 februari 2003 niet, althans behoorde niet te begrijpen, dat MLP niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

4.2 De vordering voor zover ingesteld tegen [gedaagde sub 2] is ongegrond nu hij niet de bestuurder is geweest die MLP bij de transactie heeft vertegenwoordigd.

4.3 Het initiatief tot de koop is uitgegaan van [eiser]. In verband met het lage prijsniveau en de geringe handel heeft MLP [eiser] erover geïnformeerd dat zij naar gelang de afzet van de aardappelen deelfacturen zou maken om de koopsom van de partij aldus in gedeelten te betalen. [Eiser] heeft hiermee ingestemd. [Eiser] was bovendien bekend met de slechte situatie op de aardappelenmarkt.

4.4 MLP heeft het faillissement aangevraagd toen in het najaar van 2003 bleek dat de slechte marktomstandigheden ten aanzien van de oogst 2002/2003 in de eerste helft van 2003 niet waren verbeterd en dat deze ontwikkelingen zich ook bij de oogst 2003/2004 zouden gaan voordoen.

5. De beoordeling

5.1 Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] de grondslag van zijn vordering nog aangevuld door te stellen dat [gedaagde sub 1] zich persoonlijk borg heeft gesteld voor betaling van de vordering van [eiser]. [Eiser] heeft hiertoe een beroep gedaan op de brief van 1 juli 2003 van MLP aan [eiser] en op diverse mondeling gegeven garanties. Dat een borgstelling is afgegeven is door [gedaagde sub 1 c.s.] gemotiveerd betwist.

5.2 De brief van 1 juli 2003 kan niet worden aangemerkt als een borgtocht van [gedaagde sub 1] in de zin van artikel 7:850 BW, reeds omdat [gedaagde sub 1] deze brief namens MLP heeft geschreven. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook [eiser] zelf deze brief kennelijk niet als zodanig heeft aangemerkt, nu de heer A.M.C. [eiser] in zijn brief van 18 juli 2003 onder verwijzing naar eerdergenoemde brief opmerkt dat “de garantie die u biedt, rechtstreeks verbonden blijft aan de in moeilijkheden verkerende fa. Mast B.V.” en verzoekt om ondertekening van een bij zijn brief gevoegde persoonlijke borgstelling.

5.3 Partijen houdt verdeeld of [gedaagde sub 1 c.s.] bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te begrijpen dat MLP niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen jegens [eiser] zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die [eiser] ten gevolge van deze wanprestatie zou lijden.

5.4 Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] de onderhavige overeenkomst namens MLP met [eiser] heeft gesloten. [Eiser] heeft zich ter gelegenheid van de comparitie van partijen evenwel op het standpunt gesteld dat [gedaagde sub 2] wist dat de koop werd aangegaan, omdat de broers alle zaken bespreken. Nu [gedaagde sub 2] daarnaast wist, althans had kunnen weten, dat MLP niet aan haar verplichtingen kon voldoen is hij aansprakelijk op grond van artikel 6:166 BW, aldus [eiser]. [Gedaagde sub 1 c.s.] heeft een en ander betwist en gesteld dat [gedaagde sub 1] de koop voor het aangaan ervan niet met zijn broer heeft besproken.

5.5 Een bestuurder is jegens een derde alleen dan aansprakelijk voor de schade die deze derde heeft geleden als gevolg van het uitblijven van betaling door de vennootschap, indien hem, in de omstandigheden van het geval, ter zake van deze schade persoonlijk een verwijt treft.

De omstandigheid dat de vennootschap bij het sluiten van de onderhavige overeenkomst niet door de aansprakelijk gestelde bestuurder, maar door diens medebestuurder werd vertegenwoordigd, sluit op zich niet uit dat eerstgenoem-de van de schade ten gevolge van de wanprestatie van de vennootschap persoonlijk een verwijt valt te maken. Nu daarvoor onvoldoende is dat de bestuurder van een vennootschap er niet op toeziet dat de vennootschap haar betalingsverplichtingen nakomt moet sprake zijn van bijzondere omstandighe-den. Hiervoor is nodig dat hij anderszins nauw bij de betreffende overeenkomst betrokken is geweest. [Eiser] heeft, door enkel aan te geven dat de broers alle zaken bespraken, onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde sub 2] nauw bij (het sluiten van) de onderhavige overeenkomst betrokken was. Het beroep van [eiser] op artikel 6:166 BW kan, gelet op het voorgaande, niet slagen.

5.6 Uit het vorenstaande volgt dat de vordering voor, zover ingesteld tegen [gedaagde sub 2], zal worden afgewezen.

5.7 [Eiser] heeft de volgende feiten en omstandigheden aan de vordering ten grondslag gelegd:

- Reeds op 1 januari 2001 was sprake van een negatief eigen vermogen. In 2002 en 2003 is het negatieve eigen vermogen verder opgelopen.

- Toen MLP de aardappelen kocht, stond voor een bedrag van € 243.200,95 aan facturen open. Deze facturen, van verschillende crediteuren, waren reeds vervallen en konden door MLP kennelijk niet worden betaald.

- MLP vulde, blijkens de balans per 31 december 2001, de jaarrekening over 2002 en de crediteurenlijst per faillissementsdatum, het ene gat met het andere. De opbrengst van de aardappelen gebruikte MLP om dwangcrediteuren, de huur en de lonen te betalen. MLP kocht de aardappelen met dat doel.

- Uit de rapportage van de door [eiser] ingeschakelde WEA Accountant, de heer F.J.A. Weemaes, volgt dat MLP van haar benarde positie moet hebben geweten. Dit blijkt uit het verloop van de overige reserves, het saldo van de fiscaal verrekenbare verliezen en de gemaakte keuzes tot het betalen van crediteuren die een sterkere positie innemen dan de concurrente crediteuren. Gelet hierop zou MLP, aldus Weemaes, de wetenschap hebben gehad dat binnen de gestelde termijnen het krachtens het contract verschuldigde bedrag niet kon worden voldaan.

5.8 De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat een vennootschap een negatief eigen vermogen heeft niet zonder meer betekent dat voorzienbaar is dat zij haar schuldeisers niet kan betalen.

5.9 Dat MLP het ene gat vulde met het andere en de opbrengst van de aardappelen gebruikte om bepaalde crediteuren boven anderen te voldoen kan op zichzelf niet als onrechtmatig worden aangemerkt en kan bovendien niet volgen uit de door [eiser] overgelegde stukken. In de door [eiser] overgelegde rapportage kan voorts geen steun worden gevonden voor haar stelling dat het voor [gedaagde sub 1 c.s.] zonder meer kenbaar moet zijn geweest dat MLP zich in een benarde positie bevond. Bovendien concludeert de heer Weemaes in de betreffende rapportage slechts dat, op grond van de hem beschikbaar gestelde stukken, [gedaagde sub 1 c.s.] de wetenschap moet hebben gehad dat de uit hoofde van de overeenkomst verschuldigde bedragen niet binnen de gestelde termijn, zijnde 14 dagen, konden worden voldaan. Voor zover van een dergelijke wetenschap sprake is geweest is dit onvoldoende om tot aansprakelijkheid te komen.

Deze door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden kunnen derhalve niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] leiden.

5.10 Vast staat dat MLP op 5 februari 2003 een hoge schuldenlast had. Er was sprake van openstaande facturen uit 2001 en 2002. Met betrekking tot de vraag of [gedaagde sub 1], gelet hierop, de overeenkomst van 5 februari 2003 had mogen aangaan, overweegt de rechtbank als volgt.

5.11 Uit de door [gedaagde sub 1 c.s.] genoemde kerngegevens uit de samengestelde jaarrekening van MLP over 1999 tot en met 2002 volgt dat het resultaat na belastingen in de periode 1999 tot en met 2001 verbeterde en in 2001 positief was. Ook ten aanzien van het negatieve eigen vermogen was in vergelijking met 2000 in 2001 sprake van verbetering. Het werkkapitaal nam in de periode 1999 - 2001 toe. [Gedaagde sub 1 c.s.] hebben gesteld dat in 2002 sprake was van slechte marktomstandigheden, hetgeen heeft geleid tot een flinke afname van het eigen vermogen, van het resultaat na belastingen en van het werkkapitaal. In 2002 was sprake van een laag prijsniveau en geringe handel, aldus [gedaagde sub 1 c.s.] Dit is door [eiser] niet betwist. [Eiser] heeft enkel aangevoerd dat een aardappelhan-delshuis niet afhankelijk is van een fluctuerende marktprijs en de jaarlijkse oogst, nu gewerkt wordt met marges.

5.12 Vast staat dat de onderhavige partij aardappelen werd gekocht met de bedoeling om deze, na bewerking, weer door te verkopen. Het betrof derhalve een transactie ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van MLP welke werd aangegaan teneinde omzet te genereren. Enkel door aardappelen te blijven kopen, ten behoeve van bewerking en verkoop, kon het bedrijf van MLP worden voortgezet.

5.13 Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd volgt dat er in februari 2003 nog betalingen werden gedaan door MLP, zij het met vertraging. Tussen de onderha-vige transactie en het faillissement ligt een periode van negen maanden.

5.14 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat begin 2003 nog geen sprake was van een uitzichtloze situatie zonder enig continuïteits-perspectief voor MLP. Mede gelet op de aard van en het relatief geringe bedrag van de onderhavige transactie is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1], door de betreffende overeenkomst aan te gaan, geen onaanvaardbaar risico heeft genomen. Mitsdien is er geen grond aanwezig om hem persoonlijk aansprakelijk te houden voor de schade die [eiser] lijdt doordat MLP haar betalingsverplichting uit de overeenkomst niet (geheel) is nagekomen.

5.15 De subsidiaire grondslag van de vordering van [eiser], betalingsonwil, leidt evenmin tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1]. Gesteld noch gebleken is immers dat sprake was ongebruikte kredietruimte dan wel van andere omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat van betalingsonwil sprake is. Het enkele niet toezien op betaling is hiervoor onvoldoende.

5.16 Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.] bepaald op € 555,- aan vast recht en op € 1.447,50 aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1225/1554