Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX2185

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
260888 / F1 RK 06-1130
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voogdij ongeboren kind ex artikel 1:272 jo 1:2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 2
Burgerlijk Wetboek Boek 1 241
Burgerlijk Wetboek Boek 1 272
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

vijfde kamer voor burgerlijke zaken

Datum uitspraak : 9 mei 2006

Zaak/rekestnummer : 260888 / F1 RK 06-1130

Beschikking ex artikel I:241 BW in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de Raad,

met betrekking tot het ongeboren minderjarige:

[de minderjarige}

kind van met het gezag belaste ouder mw. [X], hierna:

de moeder, wonende te [adres].

Het verloop van de procedure

De Raad heeft op 9 mei jl. telefonisch een verzoek ingediend ertoe strekkende de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, (hierna: de stichting) te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige voor de duur van twaalf weken en met vaststelling van de volgende bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen.

Het verhoor van de minderjarige en/of de (overige) belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

De beoordeling

De kinderrechter heeft op 9 mei 2006 telefonisch kennis genomen van het verzoek van de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, waarin de raad vraagt de voorlopige voogdij uit te spreken over het nog ongeboren kind van [X], geboren op 24 februari 1982 te Duitsland, thans vermoedelijk in de regio Rotterdam verblijvend. Dit verzoek is door de kinderrechter telefonisch toegewezen. Op 10 mei 2006 is voormeld verzoek aan de rechtbank schriftelijk bevestigd.

Uit het verzoek komt naar voren dat de raad zich ernstig zorgen maakt over de toestand van het ongeboren kind van mevrouw [X]. Mevrouw [X] is thans, zo blijkt uit het verzoek, 34 weken zwanger. Haar zwangerschap verloopt tot op heden ongecontroleerd. Zij gebruikt fors harddrugs en bij de instanties is bekend dat zij zelf ook dealt en zich prostitueert.

Gelet op deze omstandigheden is een gecontroleerde zwangerschap en begeleiding tijdens en na de bevalling voor dit ongeboren kind van levensbelang, nu het kind hoogstwaarschijnlijk ook verslaafd ter wereld zal komen. Nu de aanstaande moeder zich aan elke vorm van hulpverlening onttrekt en gelet op het voorgaande merkt de rechtbank voor het treffen van maatregelen ter waarborging van een gecontroleerde zwangerschap en begeleiding tijdens en na de bevalling het ongeboren kind aan als geboren, omdat het belang van het kind dat vordert, zulks op de voet van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek.

De handelwijze van de moeder ten aanzien van haar ongeboren kind, te weten tijdens de zwangerschap voortdurend harddrugsgebruik, de weigering zichzelf te laten behandelen dan wel haar zwangerschap te laten controleren, dealen en zich prostitueren, zijn naar het oordeel

Zaak/rekestnummer : 260888 / F1 RK 06-1130

van de rechtbank omstandigheden die tot een ontzetting uit het ouderlijk gezag zouden kunnen leiden. Nu de zwangerschap van mevrouw [X] reeds in een zeer vergevorderd stadium is, is het naar het oordeel van de kinderrechter dringend en onverwijld noodzakelijk haar in de uitoefening van het gezag over het kind te schorsen en Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam met de voorlopige voogdij over dit kind te belasten, zulks op basis van artikel 1:272 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, en voor een duur en met vaststelling van bevoegdheden als na te melden.

De stichting is een instelling in de zin van de Wet op de jeugdzorg.

De beslissing

Belast de stichting met de voorlopige voogdij over de minderjarige.

Bepaalt dat, indien binnen zes weken aan de rechter een ontheffing dan wel ontzetting is verzocht, de voorlopige voogdij voortduurt totdat bij onherroepelijke rechterlijke beslissing is beslist op dit verzoek tot ontheffing of ontzetting.

Stelt vast dat ten aanzien van de persoon van de minderjarige aan de stichting het volledige gezag wordt toegekend.

Bepaalt dat het verhoor van de Raad en belanghebbenden in deze zaak zal plaatsvinden op

18 mei 2006 te 14:05 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor de Raad en belanghebbenden.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Louwinger-Rijk, kinderrechter, in bijzijn van de griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepsschrift door tussenkomst van een procureur ter griffie van het Gerechtshof te Den Haag.

Door de verzoeker en de verschenen belanghebbenden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking op andere wijze bekend is geworden.