Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AX1519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
12-05-2006
Zaaknummer
05/5030
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tabakswet. Boete. Vanwege het niet instellen van een algemeen rookverbod in Het Dorpshuis (een gesubsidieerde welzijnsinstelling) is na herhaalde waarschuwing een boete opgelegd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 05/5030-FRC

Uitspraak

in het geding tussen

Stichting het Dorpsleven, gevestigd te Gouderak, eiseres,

gemachtigde: J.J. Kweekel, penningmeester van eiseres,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 27 augustus 2004 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 300,- wegens overtreding van artikel 10, tweede lid, in verbinding met artikel 11, tweede lid, van de Tabakswet.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 september 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 september 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 15 oktober 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 9 december 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2006. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door J. Baas Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.M. Cornax, werkzaam bij verweerder.

2. Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Artikel 10 van de Tabakswet luidt als volgt:

“1. Voor de instellingen, diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd, worden door het bevoegde orgaan zodanige maatregelen getroffen, dat van de daardoor geboden voorzieningen gebruik kan worden gemaakt en de werkzaamheden daarin kunnen worden verricht zonder daarbij hinder of overlast van roken te ondervinden.

2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort in ieder geval het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod in ruimten, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën. Op het verbod kunnen, overeenkomstig bij de algemene maatregel van bestuur gestelde regelen, beperkingen worden aangebracht.”.

Artikel 11 van de Tabakswet luidt als volgt:

“1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan degenen die - anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 - het beheer hebben over gebouwen of inrichtingen voor gezondheidszorg, welzijn, maatschappelijke dienstverlening, kunst en cultuur, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, voor zover die gebouwen of inrichtingen behoren tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, de verplichting worden opgelegd tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid.

2. Artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”.

Artikel 11a, van de Tabakswet luidt als volgt:

“1. Werkgevers zijn verplicht zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden.

2. (…).

3. (…).

4. Diegenen die - anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 of 11 - het beheer hebben over voor het publiek toegankelijke gebouwen, voor zover die gebouwen behoren tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, zijn verplicht tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen op de in dit artikel bedoelde verplichtingen beperkingen worden aangebracht. Zo kan worden bepaald dat de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, niet gelden voor bij die maatregel aangewezen:

a. categorieën van werkgevers;

b. ruimten in gebouwen;

c. andere plaatsen waar werkzaamheden worden verricht.

Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld.”.

Krachtens artikel 11b, eerste tot en met derde lid, van de Tabakswet:

1. kan verweerder ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen een boete opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend;

2. wordt de hoogte van de boete bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste:

a. € 450.000,- bedraagt wegens overtreding van artikel 5 of 5a, indien die overtreding is begaan door een fabrikant, groothandel of importeur van tabaksproducten;

b. € 4.500,- bedraagt in andere dan de onder a bedoelde gevallen.

3. kan de Minister de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.

De bijlage luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Onder categorie C vallen overtredingen met betrekking tot het treffen van maatregelen die voorkomen dat overlast of hinder wordt ondervonden van het roken door anderen (rookverbod).

Dit betreft in concreto:

(…)

- Artikel 10, tweede lid: nalaten door bevoegde organen binnen de instellingen, diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd, een rookverbod in te stellen, aan te duiden of te handhaven in ruimten, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën; dit behoudens beperkingen op het verbod, aangebracht overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gestelde regelen.

(…)

- Artikel 11, tweede lid: nalaten door degenen - niet zijnde het bevoegd orgaan binnen instellingen, diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd - die het beheer hebben over gebouwen of inrichtingen voor gezondheidszorg, welzijn, maatschappelijke dienstverlening, kunst en cultuur, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven in ruimten, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën; dit behoudens beperkingen op het verbod, aangebracht overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gestelde regelen.

(…)

Overtredingen behorend tot categorie C worden bestraft met een boete van € 300, bij herhaling binnen een jaar een boete van € 600, bij een tweede herhaling binnen drie jaar na de eerste overtreding een boete van € 1 200 en bij een derde herhaling binnen vijf jaar na de eerste overtreding een boete van € 2 400.”.

Artikel 2 van het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten (hierna: het Beperkingbesluit) luidt:

“1. Als categorieën van ruimten waarin ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Tabakswet (Stb. 1988, 342), een verbod om tabaksprodukten te gebruiken ingesteld en gehandhaafd dient te worden, worden aangewezen:

a. ruimten waarin zich loketten bevinden;

b. wachtruimten;

c. hallen, gangen en trappen;

d. liften;

e. vergaderzalen;

f. leslokalen;

g. toiletten;

h. kantines;

i. recreatie- en soortgelijke ruimten;

j. overige ruimten, voor zover deze voor het publiek toegankelijk zijn.

2. Indien meer dan één ruimte, behorend tot een van de categorieën, genoemd onder b, h of i, in de inrichting aanwezig is, kan het bevoegde orgaan besluiten per categorie ten hoogste de helft van dit aantal ruimten van dit verbod uit te zonderen. Het verbod is in dat geval van toepassing op de ruimte of gezamenlijke ruimten met de grootste vloeroppervlakte. Van de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt indien de dichtstbijzijnde ruimte van die categorie waarvoor een rookverbod geldt, zich op dezelfde verdieping bevindt.

3. In de ruimten waarvoor een verbod om tabaksprodukten te gebruiken is ingesteld, dient zulks te worden aangeduid met de goed leesbare tekst "roken verboden", dan wel met een begrijpelijke aanduiding, anders dan in letters, met dezelfde betekenis.”.

Artikel 3 van het Beperkingbesluit luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“1. Degenen die - anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 van de Tabakswet - het beheer hebben over inrichtingen voor gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, voor zover die inrichtingen behoren tot de in het tweede lid aangewezen categorieën, zijn verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Tabakswet.

2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:

a. (…);

b. (…);

c. inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn en waarin voorzieningen worden aangeboden op de terreinen van het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2 van de Welzijnswet 1994, en die door de overheid worden gesubsidieerd, met uitzondering van inrichtingen die gebruikt worden voor de beoefening van sport in de open lucht;

d. (…);

e. (…).

3. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verplichting is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.”.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c en f, van de Welzijnswet 1994 is deze wet onder meer van toepassing op het terrein van de maatschappelijke dienstverlening en het sociaal-cultureel werk.

Artikel 1 van het Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek (hierna: het Uitzonderingenbesluit) luidt als volgt:

“In dit besluit wordt verstaan onder:

a. horeca-inrichtingen: inrichtingen die worden geëxploiteerd door ondernemingen die zijn ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca en Catering, met uitzondering van bedrijfsrestaurants;

b. inrichtingen voor podiumkunsten: inrichtingen die voorstellingen van podiumkunsten programmeren en die lid zijn van een bij de Federatie van Podiumverenigingen aangesloten branchevereniging;

c. (…).”.

Artikel 2, aanhef en onder a en b, van het Uitzonderingenbesluit luidt als volgt:

“De verplichting, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet, geldt niet:

a. in voor publiek bestemde delen van horeca-inrichtingen die geen deel uitmaken van gebouwen of inrichtingen die onder de werkingssfeer van het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten vallen;

b. in voor publiek bestemde horecadelen van inrichtingen voor podiumkunsten die niet onder de werkingssfeer van het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten vallen.”.

In de Nota van toelichting bij het Uitzonderingenbesluit is onder meer overwogen:

“Uitgezonderd worden (de voor publiek bestemde delen van) «horecainrichtingen die geen deel uitmaken van gebouwen of inrichtingen die onder de werkingssfeer van het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksproducten rookvrij zijn». Dit betekent dat kantines in bijvoorbeeld (gesubsidieerde) sportinrichtingen, onderwijsinrichtingen of buurthuizen die onder de werkingssfeer van het Beperkingenbesluit vallen, reeds om die reden rookvrij moeten zijn. Dat de horecafunctie in zo’n inrichting is uitbesteed aan een commerciële horeca-exploitant, doet hieraan niets af.”.

2.2 Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Eiseres beheert en heeft in eigendom het gebouw “Het Dorpshuis” in Gouderak, (gemeente Ouderkerk) (hierna: Het Dorpshuis). Het Dorpshuis bevat onder meer een aantal zalen die door locale verenigingen - waaronder kaartverenigingen, een dartvereniging en een muziekvereniging - gehuurd worden om aldaar hun activiteiten houden. In het kader van deze exploitatie ontvangt eiseres structureel subsidie van de gemeente Ouderkerk. Het Dorpshuis bevat voorts een bar die op basis van een overeenkomst aan een ondernemer is verpacht.

Op 20 februari 2003, op 8 januari 2004 en op 8 maart 2004 heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar van de Voedsel en Waren Autoriteit inspectiebezoeken afgelegd aan Het Dorpshuis. Bij alledrie de inspecties is geconstateerd dat in diverse zalen en in de bar geen rookverbod was ingesteld.

De eerste twee constateringen hebben geresulteerd in een tweetal waarschuwingen, neergelegd in de brieven van 2 mei 2003 en van 4 februari 2004. Naar aanleiding van deze laatste brief heeft eiseres bij schrijven van 10 maart 2004 de Voedsel en Waren Autoriteit bericht van mening te zijn dat in Het Dorpshuis geen rookbeperkingen van toepassing moeten zijn, omdat Het Dorpshuis als horeca-gelegenheid bij het Bedrijfschap Horeca is aangesloten en er met dit bedrijfschap is afgesproken dat er in horecagelegenheden geen rookbeperkingen gelden. Verweerder heeft eiseres bij brief van 15 maart 2004 bericht van mening te zijn dat in Het Dorpshuis wel degelijk een rookverbond diende te gelden.

Naar aanleiding van de (derde) constatering van 8 maart 2004 is door verbalisant M.H.M. Suijer op 10 mei 2004 een boeterapport opgemaakt, gevolgd door het bij brief van 3 juni 2004 aan eiseres toegezonden voornemen van verweerder haar terzake een boete van € 300,- op te leggen. De bij brief van 27 juni 2004 geuite zienswijze van eiseres heeft verweerder niet van dit voornemen afgebracht. De bij het primaire boetebesluit van 27 augustus 2004 door verweerder aan eiseres opgelegde boete ad

€ 300,-, is ondanks het door haar tegen dit besluit op 20 september 2004 gemaakte bezwaar, bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.3 Standpunten van partijen

2.3.1 Het standpunt van verweerder

Een gesubsidieerde welzijnsinstelling als die van eiseres moet onverkort voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Tabakswet, zodat eiseres in alle gemeenschappelijke ruimten waarin zij het beheer voert, dus ook in ruimten die een horecafunctie hebben, een rookverbod moet instellen, aanduiden en handhaven. In dit verband heeft verweerder met name het volgende overwogen.

Eiseres beheert en is eigenaresse van een inrichting waarin voorzieningen worden geboden op het terrein van sociaal-cultureel werk als bedoeld in artikel 2 van de Welzijnswet 1994, zodat eiseres valt onder artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van het Beperkingbesluit. Vaststaat dat eiseres ondanks een tweetal eerdere waarschuwingen verzuimd heeft haar verplichting na te komen ervoor zorg te dragen dat in de diverse ruimten van Het Dorpshuis een rookverbod werd ingesteld. Zij heeft aldus artikel 10 in verbinding met artikel 11 van de Tabakswet overtreden. Ter zitting is namens verweerder opgemerkt dat voorzieningen worden geboden met name op het gebied van maatschappelijke dienstverlening.

Van oneerlijke concurrentie met (andere) horeca-ondernemers die geen rookverbod in hun onderneming moeten instellen, is geen sprake kan omdat gesubsidieerde welzijnsinstellingen niet met reguliere horecabedrijven mogen concurreren.

Het beroep van eiseres op het in 2005 voor bepaalde horeca-instellingen gevoerde gedoogbeleid faalt, nu deze uitzondering slechts op sport- en cultuurinstellingen en niet op een welzijnsinstelling als die van eiseres van toepassing was. Ook kan eiseres zich niet met vrucht beroepen op de door verweerder met de brancheorganisatie Koninklijke Horeca Nederland gemaakte afspraken met betrekking tot het stappenplan voor de jaren 2005-2008 (TK 2003-2004, 29 200 XVI, nr. 278), aangezien ook deze afspraken niet zien op horecagedeelten van welzijnsinstellingen.

2.3.2 Het standpunt van eiseres

Eiseres dient niet als welzijnsinstelling, maar als een cultuurinstelling gezien te worden, zodat de met het Bedrijfschap Koninklijk Horeca Nederland gemaakte afspraken ook op haar van toepassing zijn.

Reeds tijdens de bezwaarfase heeft eiseres een rookverbod ingesteld voor alle ruimten van Het Dorpshuis met uitzondering van de bar. Die bar heeft de functie van een café en dient derhalve uit een oogpunt van eerlijke concurrentie te worden gelijkgesteld aan horecagelegenheden waar wel mag worden gerookt. In dit verband geldt dat de gemeentelijke subsidie uitsluitend ziet op de zalen en op de plaatsing van een geluidswand naast Het Dorpshuis. Ten aanzien van het bargedeelte is geen sprake van een subsidierelatie met de gemeente Ouderkerk.

2.4 Beoordeling

In de eerste plaats moet beoordeeld worden of eiseres het beheer heeft over een gebouw of inrichting als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Tabakswet in verbinding met artikel 3, eerste en tweede lid, van het Beperkingbesluit.

Blijkens haar statuten stelt eiseres zich ten doel het bevorderen van de plaatselijke sociale, economische en culturele ontwikkeling. Blijkens deze statuten tracht zij dit doel te realiseren door middel van het bouwen, inrichten, onderhouden en exploiteren van een verenigingsgebouw. Eisers exploiteert derhalve een gebouw, zodat haar activiteit niet van culturele, wetenschappelijke en/of sportieve aard is. Hier doet niet aan af dat de huurders van zaalruimte in Het Dorpshuis wellicht wel dergelijke activiteiten beoefenen. Eiseres kan dan ook niet gevolgd worden in haar stelling dat zij een cultuurinstelling is, zodat op haar het in 2005 gevoerde gedoogbeleid van toepassing zou zijn.

Voorts is eiseres een instelling die van de gemeente Ouderkerk blijkens de zich in het beroepsdossier bevindende brief van die gemeente van 29 december 2004 structureel overheidssubsidie krijgt voor het exploiteren en onderhouden van Het Dorpshuis. Tussen partijen is niet in geschil dat deze subsidie is toegekend opdat diverse verenigingsactiviteiten in de zalen van Het Dorpshuis kunnen plaatsvinden.

Gelet op deze beide omstandigheden behoren de activiteiten van eiseres tot het terrein van welzijnsbeleid als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder f, van de Welzijnswet 1994 (en niet, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, op het terrein van de maatschappelijke dienstverlening). Het beroep van eiseres op een aan Van Dales “Groot Woordenboek der Nederlandse Taal” ontleende grammaticale uitleg van het begrip “welzijn”, wat er van deze uitleg ook zij, kan hieraan niet afdoen.

De inrichting waarvan eiseres het beheer heeft, valt derhalve onder de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van het Beperkingbesluit genoemde categorie. Eiseres is derhalve aan te merken als een beheerder als bedoeld in artikel 3, eerste lid in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder c, van het Beperkingbesluit. Als gesubsidieerde welzijnsinstelling moet zij dan onverkort voldoen aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Tabakswet juncto artikel 2 van het Beperkingbesluit. In alle gemeenschappelijke ruimten van het door haar beheerde Dorpshuis, dus ook in de horecagelegenheid daarvan, moet zij derhalve een rookverbod instellen, aanduiden en handhaven.

Eiseres kan niet met vrucht een beroep doen op de mogelijkheid die artikel 2, tweede lid, van het Beperkingenbesluit aan m.i.: het bevoegde orgaan biedt om voor de in dat artikellid bedoelde gevallen een uitzondering op dit gebod te maken, reeds omdat onweersproken vaststaat dat ten tijde van de controles in geen enkele ruimte van Het Dorpshuis een rookverbod door eiseres was ingesteld.

Aan evenbedoelde verplichting van eiseres doet voorts niet af artikel 2 van het op artikel 11a, vijfde lid, van de Tabakswet gebaseerde Uitzonderingenbesluit, welk artikel voor werkgevers een uitzondering maakt op de verplichting zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden. Die uitzondering geldt onder meer ten aanzien van in voor publiek bestemde delen van horeca-inrichtingen die geen deel uitmaken van gebouwen of inrichtingen die onder de werkingssfeer van het Beperkingbesluit vallen. Zoals in de Nota van toelichting bij het Uitzonderingenbesluit is opgemerkt, ziet die uitzondering niet op de situatie dat een commerciële horeca-exploitant in een inrichting als bedoeld in het Beperkingbesluit is gevestigd. Dat de horecagelegenheid in Het Dorpshuis is ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca en Catering kan hier niet aan afdoen. Beslissend is dat het bargedeelte is gehuisvest in een inrichting als bedoeld in artikel 11 van de Tabakswet.

Voorzover eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan door te stellen dat zij net als de exploitant van een poppodium van het rookverbod vrijgesteld behoort te worden, kan zij daarin niet gevolgd worden. Nog daargelaten dat een dergelijk beroep door eiseres niet is onderbouwd, kan niet gezegd worden dat hier sprake is van een gelijk geval dat ongelijk behandeld wordt. Gesteld noch gebleken is immers dat eiseres en/of Het Dorpshuis lid is van een bij de Federatie van Podiumverenigingen aangesloten branchevereniging.

Niet in geschil is dat eiseres voor de horecagelegenheid van Het Dorpshuis geen rookverbod heeft ingesteld. Uit het voorgaande vloeit voort dat zij op 8 maart 2004 het gebod van artikel 10, tweede lid, in verbinding met artikel 11, tweede lid, van de Tabakswet niet heeft nageleefd. Gelet op artikel 11b, eerste lid, van de Tabakswet in verbinding met de daarbij behorende bijlage komt verweerder daarom de bevoegdheid toe om eiseres een boete op te leggen.

Gelet op de twee eerdere waarschuwingen acht de rechtbank gebruikmaking van die bevoegdheid niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb of verweerders gedragslijn terzake.

Verweerder heeft de boete conform de bijlage vastgesteld op € 300,-. Gelet op de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zaken als deze dient als uitgangspunt te gelden dat de wetgever met het systeem van gefixeerde boetebedragen reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Gelet op het door de wetgever gekozen stelsel van uniforme - niet te hoge - boetebedragen, waarbij in beginsel wordt geabstraheerd van de omstandigheden waaronder de overtreding wordt begaan, moet - uit een oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid - sprake zijn van zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden, wil gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid geboden zijn.

De bij het bestreden besluit en conform de vigerende regelgeving in dit geval vastgestelde boete van

€ 300,- voor een soort gedraging als hier aan de orde, acht de rechtbank in beginsel niet onevenredig hoog. Niet gebleken is van dermate zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden dat verweerder gehouden is de boete te matigen.

De hoogte van de boete moet derhalve worden geacht evenredig te zijn aan de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding, zodat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte stand, zodat het daartegen gerichte beroep ongegrond is.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F.C. Francken als voorzitter en mr. R. Kruisdijk en mr. M. Jurgens als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2006.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.