Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AW9821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
09-05-2006
Zaaknummer
195914 / HA ZA 03-1102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesrecht: eisvermeerdering; verjaring. Geen sprake van nieuwe rechtsvordering indien de daarop betrekking hebbende eisvermeerdering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding is ingesteld. Vervoersrecht: gecombineerd vervoer; wegvervoer; rechtskeuze; CMR; vervoerdersaansprakelijkheid; overmacht; schadeomvang; gevolgschade; vrachtprijs; kosten; expertisekosten; buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 163
S&S 2009, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 195914 / HA ZA 03-1102

Uitspraak: 18 januari 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging ZÜRICH VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Frankfurt (Duitsland);

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging IF SKADEFERSAKRINGS AKTIEBOLAG,

gevestigd te Stockholm (Zweden);

3. de naamloze vennootschap HAMPDEN INSURANCE N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de rechtspersoon naar het recht van

de plaats van vestiging AXA COLONIA VERSICHERUNG AG,

gevestigd te Keulen (Duitsland);

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WÄRTSILÄ NEDERLAND B.V., voorheen genaamd WÄRTSILÄ NSD NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eiseressen,

procureur mr. B.S. Janssen,

advocaat mr. J.H.J. Teunissen

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEBEPE B.V., voorheen genaamd WAGENBORG NEDLIFT INTERNATIONAL B.V., voorheen genaamd TEAM HEAVY LIFT INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. M.A.R.C. Padberg,

advocaat mr. G.A. Bos.

Eiseressen worden hierna tezamen aangeduid als “Zürich c.s.” en partijen afzonderlijk als respectievelijk "Zürich", "ISA", “Hampden”, “AXA”, “Wärtsilä” en “THLI”.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in het griffiedossier. Het procesverloop blijkt uit deze stukken.

1. De vaststaande feiten

1.1

Wärtsilä heeft omstreeks 5 juni 1998 een in een “Purchase Order” no. 203174/815770 (hierna: de Purchase Order) neergelegde opdracht gegeven aan THLI tot het vervoer van vijf dieselmotoren en vijf generatoren (alsmede zgn. general cargo) vanuit de fabriek van Wärtsilä in Zwolle naar Managua in Nicaragua, alwaar deze lading moest worden afgeleverd aan Tipitapa Power Company Ltd (hierna: Tipitapa).

1.2

Op 8 juli 1998 is tijdens het vervoer van de lading over de weg in Nicaragua, van Corinto naar Managua, een van de dieselmotoren (hierna ook: de dieselmotor), met een gewicht van 140.000 kg, die was geladen op hydraulische platformtrailer die werd getrokken door een door een werknemer van THLI bediende trekker, van deze trailer gevallen en in de berm van de weg terechtgekomen, waardoor de dieselmotor ernstig is beschadigd.

1.3

Aangezien de dieselmotor ter plaatse niet kon worden gerepareerd, is deze volgens afspraak tussen Wärtsilä en THLI vanaf de plaats van het ongeval terugvervoerd naar Zwolle en aldaar afgeleverd aan Wärtsilä.

2. Het geschil

2.1

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad THLI veroordeelt tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van:

primair:

- aan Zürich: € 154.127,86 en USD 149.091,33, althans de tegenwaarde daarvan in euro’s, en € 16.735,20, vermeerderd met de CMR-rente over de eerste twee genoemde bedragen vanaf 8 juli 1998, althans 14 juni 1999, en over laatstgenoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

- aan ISA: € 184.953,62, USD 178.924,-- en € 20.082,24, vermeerderd met de CMR-rente over de eerste twee genoemde bedragen vanaf 8 juli 1998, althans 14 juni 1999, en over laatstgenoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

- aan Hampden: € 92.476,81, USD 89.462,-- en € 10.041,12, vermeerderd met de CMR-rente over de eerste twee genoemde bedragen vanaf 8 juli 1998, althans 14 juni 1999, en over laatstgenoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

- aan AXA: € 30.825,57, USD 29.832,67 en € 3.347,04, vermeerderd met de CMR-rente over de eerste twee genoemde bedragen vanaf 8 juli 1998, althans 14 juni 1999, en over laatstgenoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

- aan Wärtsilä: € 11.344,51, vermeerderd met de CMR-rente vanaf 8 juli 1998, althans 14 juni 1999;

- aan Zürich c.s. gezamenlijk, des dat door betaling aan de één THLI jegens de anderen zal zijn gekweten: € 5.536,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,

subsidiair:

- aan Wärtsilä: € 485.220,38, USD 447.286,73 en €50.205,61, vermeerderd met de CMR-rente over de eerste twee genoemde bedragen vanaf 8 juli 1998, althans 14 juni 1999, en over laatstgenoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

- aan Zürich c.s. gezamenlijk, des dat door betaling aan de één THLI jegens de anderen zal zijn gekweten: € 5.536,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,

alles met veroordeling van THLI in de kosten van het geding.

2.2

THLI heeft de vorderingen gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

3.1

Wärtsilä heeft onweersproken gesteld dat ingevolge door Wärtsilä en Tipitapa bij (de rechtsvoorgangsters van) Zürich, ISA, Hampden en AXA afgesloten verzekeringen deze verzekeraars naar rato van hun aandeel in de afgesloten verzekeringen - respectievelijk 33 1/3%, 40%, 20% en 6 2/3% - ter zake van de geleden schade uitkeringen hebben gedaan aan Wärtsilä en Tipitapa tot een bedrag van NLG 1.018.960,43 en USD 447.286,73. Het eigen risico van Wärtsilä van NLG 25.000,-- is niet uitgekeerd.

3.2

Daar THLI uiteindelijk, na de met de “cargo policy” onderbouwde weerlegging van dit verweer door Zürich c.s., haar verweer dat haar aansprakelijkheid is meeverzekerd op de polis van Wärtsilä en dat op grond van de polisvoorwaarden geen regres op haar kan worden genomen, niet heeft herhaald, moet zij geacht worden dit verweer te hebben laten varen.

3.3

Niet in geschil is dat de onder 1.1. bedoelde overeenkomst van gecombineerd vervoer ingevolge een rechtskeuze wordt beheerst door Nederlands recht voor zover geen sprake is van een toepasselijke verdragsregeling.

3.4

Daar de schade tijdens het vervoer over de weg in Nicaragua is ontstaan, dient de aansprakelijkheid van THLI te worden beoordeeld naar de op dat deel van het vervoer toepasselijke rechtsregelen.

3.5

Niet in geschil is dat in artikel 8.1 van de Purchase Order op het wegvervoergedeelte buiten Nederland de CMR van toepassing is verklaard.

Wärtsilä en THLI hebben hiermee de aan partijen bij een overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg toekomende vrijheid aangewend om de CMR als toepasselijk op hun overeenkomst aan te wijzen ingeval dit verdrag - zoals in dit geval van binnenlands vervoer - ingevolge artikel 1 lid 1 CMR niet rechtstreeks van toepassing is. Voor zover partijen de CMR van toepassing verklaren op zodanige overeenkomst die niet een internationaal karakter draagt, zal een dergelijke keuze echter niet kunnen bewerkstelligen dat het dwingende op die overeenkomst toepasselijke recht terzijde wordt gesteld.

3.6

Partijen zijn het eens dat de trekker met de trailer op een lichthellende weg tot stilstand zijn gekomen doordat de trekker onvoldoende trekkracht had. Personeel van THLI heeft vervolgens de trekker losgekoppeld van de trailer, die daarop in beweging kwam en met toenemende snelheid de helling afrolde en in de berm, scheefhangend tot stilstand is gekomen. Hierdoor is de dieselmotor van de trailer gevallen.

3.7

Krachtens artikel 17 lid 1 CMR is THLI in beginsel aansprakelijk voor de tijdens het wegvervoer te Nicaragua ontstane schade. Ter afwering van haar aansprakelijkheid heeft THLI zich beroepen op overmacht. Zij heeft daartoe gesteld dat dit duidelijk uit het feitencomplex blijkt en dat zij de redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen voor een veilige stilstand van de trailer heeft genomen en er geen rekening mee hoefde te houden dat de trailer desondanks in beweging zou komen.

3.8

Het beroep op overmacht faalt reeds omdat dit niet zonder meer uit het feitencomplex blijkt en de daarnaast door THLI aan dit verweer ten grondslag gelegde, in algemene termen gestelde, stelling een geslaagd beroep op overmacht niet kan dragen. Deze stelling gaat immers voorbij aan de door Zürich cs gestelde schadeoorzaak, te weten dat die bestaat uit een aantal, niet door THLI weersproken, specifieke feiten en omstandigheden, te weten dat THLI het wegvervoer is aangevangen met één trekker, die niet geschikt was het vervoer te verrichten, terwijl bij het eerste transport van een dieselmotor over hetzelfde traject twee trekkers waren gebruikt, dat is nagelaten voorzorgsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat de trailer zou wegrollen toen deze werd afgekoppeld, dat de trailer was uitgerust met remmen die niet geschikt waren om een ontkoppelde trailer met een lading van dit gewicht op zijn plaats te houden en waarvan het pneumatisch systeem voorts lekke afsluiters/ventielen bevatte. Vorenbedoelde feiten en omstandigheden betreffen bovendien gebreken aan het voertuig waarvan THLI zich heeft bediend en fouten van ondergeschikten van THLI die nimmer kunnen leiden tot ontheffing van aansprakelijkheid van THLI.

3.9

Artikel 8.1 van de Purchase Order bevat voorts een bepaling over de schade, te weten:

“Irrespective of his liability under the present contract the Supplier shall in all cases indemnify the purchaser for each and every (partial) loss of the goods or damage thereto up to a maximum of NLG. 25.000,00 (twenty five thousand Dutch guilders)”.

THLI heeft gesteld dat Wärtsilä en THLI er met deze bepaling voor hebben gekozen de CMR niet van toepassing te verklaren op de omvang van de schade waar THLI voor aansprakelijk kan worden gehouden en dat zij hiermee zijn overeengekomen dat THLI in alle gevallen tot een maximum van NLG 25.000 aansprakelijk is. Het voorgaande valt niet goed te rijmen met het feit dat partijen zijn overeengekomen dat THLI in alle gevallen vorenbedoeld bedrag “[i]rrespective of his (THLI – toevoeging rechtbank) liability” dient te betalen, hetgeen er veeleer op duidt dat partijen kennelijk hebben beoogd overeen te komen dat THLI - in geval van schade - dit bedrag altijd dient te voldoen, (ook) zonder dat rekening is gehouden met haar aansprakelijkheid. THLI heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, die - indien bewezen - tot de conclusie zouden kunnen leiden dat Wärtsilä en THLI in weerwil van de hiervoor aangeduide kennelijke bedoeling bij het aangaan van de overeenkomst, gelet op de zin die de partijen bij deze overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, hebben beoogd de bepalingen over de omvang van de schade uit CMR in hun onderlinge verhouding opzij te zetten en dat zij hiermee zijn overeengekomen dat THLI in alle gevallen tot een maximum van NLG 25.000 aansprakelijk is. Het enkele feit dat de woorden “in all cases” en “maximum” in dit deel van artikel 8.1 Purchase Order zijn gebruikt, is daartoe onvoldoende.

Uit het voorgaande volgt dat er, anders dan THLI heeft betoogd, geen sprake is van een bepaling die voor tweeërlei uitleg vatbaar is en die in haar voordeel dient te worden uitgelegd. Van een aansprakelijkheidsbeperking is derhalve geen sprake, zodat niet valt in te zien dat met deze bepaling inbreuk wordt gemaakt op het dwingende op de onderhavige overeenkomst toepasselijke recht als hiervoor bedoeld dan wel in strijd is gehandeld met artikel 41 CMR (waarin ieder beding nietig wordt verklaard dat afwijkt van de CMR-bepalingen) - nog daargelaten de partijen verdeeld houdende vraag of dit artikel in het onderhavige geval van toepassing is.

3.10

De door Zürich cs gevorderde schade bestaat uit a) € 473.875,87 aan reparatiekosten, b) USD 331.809 aan transportkosten, c) USD 115.477,73 aan bergingskosten, en d) € 50.205,61 aan expertisekosten. Daarnaast maakt Zürich cs aanspraak op e) € 5.536,-- aan buitengerechtelijke kosten.

3.11

Vast staat dat de dieselmotor ernstig beschadigd was. Zürich cs heeft onweersproken gesteld dat de afzendwaarde van de dieselmotor USD 2.347.936,- bedroeg.

Krachtens artikel 25 lid 1 jo 23 lid 1 CMR is THLP gehouden tot vergoeding van het bedrag waarmee de afzendwaarde van de beschadigde dieselmotor is verminderd als gevolg van het ongeval. Daarnaast is THLI krachtens artikel 25 lid 1 jo 23 lid 4 CMR gehouden tot vergoeding van de vrachtprijs, de douanerechten en de overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten. Krachtens vorenbedoelde bepaling komt gevolgschade niet voor vergoeding in aanmerking.

Ad b) € 473.875,87 aan reparatiekosten

3.12

In het rapport van GAB Robbins, waar Zürich cs naar heeft verwezen ter onderbouwing van de gevorderde schade, is deze post onderverdeeld in vier onderdelen, die weer zijn onderverdeeld in verschillende posten. Op het onderdeel d. “Miscellaneous charges” na, heeft THLI deze kostenpost niet betwist. THLI heeft vier van de vijf subonderdelen van onderdeel d betwist, te weten 1) NLG 3.150,-- aan “stoffers (transport costs)”, 2) NLG 131,25 aan “Gerlach (transport declaration costs)”, 3) NLG 620,34 aan “K&S repro” en 4) NLG 39.820,-- aan “Co-ordination; 220 hours. Afgezien van de betwiste onderdelen ligt deze kostenpost dan ook thans reeds voor toewijzing gereed.

Ad 1) NLG 3.150,-- aan “stoffers (transport costs)”

3.13

Noch in de dagvaarding, noch in het rapport van GAB Robbins, waar Zürich naar heeft verwezen ter onderbouwing van de gevorderde schade, staat nader aangeduid waar deze post op ziet. De bij deze post gegeven omschrijving, in het bijzonder het tussen haakjes gestelde deel, doet vermoeden dat het gaat om transportkosten. THLI heeft onder verwijzing naar het rapport van Binnendijk Bree, waar een kostenpost ter hoogte van dit bedrag wordt genoemd met de aanduiding “Transport replacement engine (23174) from Zwolle to Amsterdam, invoice no. 1036 of v/h Stoffers-Amsterdam, dated 12th September 1998, including 5% administration costs” aangevoerd dat deze post ziet op kosten van het vervoer van een vervangende dieselmotor die onder de CMR niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Door naar aanleiding van het voorgaande verweer van THLI slechts te stellen dat zij tot nader bewijs betwisten dat deze kosten betrekking zouden hebben op het transport van de vervangende motor - en bovendien niet aan te geven waar deze kosten wél betrekking op zouden hebben - heeft Zürich cs onvoldoende gesteld dat deze kosten iets anders betreffen dan de door THLI aangeduide transportkosten, die niet voor vergoeding onder de CMR in aanmerking komende gevolgschade betreffen.

Ad 2) NLG 131,25 aan “Gerlach (transport declaration costs)”

3.14

THLI heeft gesteld dat deze schadepost voortvloeit uit de bereddering respectievelijk het terugtransport van de beschadigde motor. Voor deze kostenpost geldt hetgeen hierna onder 3.19 wordt overwogen over de kosten van het terugtransport van de beschadigde dieselmotor naar Nederland.

Ad 3) NLG 620,34 aan “K&S repro”

3.15

Noch in de dagvaarding, noch in het rapport van GAB Robbins, waar Zürich naar heeft verwezen ter onderbouwing van de gevorderde schade, staat nader aangeduid waar deze post op ziet. Door naar aanleiding van het ten aanzien van deze kostenpost gevoerde verweer van THLI, dat het onduidelijk is waar deze post op ziet, te stellen dat zij nog onderzoekt waar deze post op ziet, heeft Zürich cs onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat hier sprake is van een kostenpost die door THLI dient te worden voldaan. De vordering moet dan ook in zoverre worden afgewezen.

4) NLG 39.820,-- aan “Co-ordination; 220 hours.

3.16

Noch in de dagvaarding, noch in het rapport van GAB Robbins, waar Zürich naar heeft verwezen ter onderbouwing van de gevorderde schade, staat nader aangeduid waar deze post op ziet. Door naar aanleiding van het ten aanzien van deze kostenpost gevoerde verweer van THLI, dat dit geen schade is waar de vervoerder onder de CMR voor aansprakelijk is en dat hier bovendien sprake is van overlap met de over de meeste schadeposten gevorderde 5% administratiekosten, zonder nadere specificering of onderbouwing te stellen dat deze kosten voortvloeien uit de beredderingsmaatregelen, de vaststelling van de schade en de reparatie en niets van doen hebben met administratiekosten, heeft Zürich cs onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat hier sprake is van een kostenpost die door THLI dient te worden voldaan. De vordering moet dan ook in zoverre worden afgewezen.

Ad b) USD 115.477,73 aan bergingskosten

3.17

Afgezien van de kosten van provisorische herstel van een brug ad USD 8.800,- heeft THLI deze kostenpost niet betwist. Niet in geschil is dat THLI deze kosten aan Wärtsilä in rekening heeft gebracht en dat deze kosten betrekking hebben op herstel van een brug nadat deze was weggespoeld. Zie ook p. 17 van het rapport van GAB Robbins, waar Zürich cs ter onderbouwing van de door haar gevorderde schade naar heeft verwezen, waarin voorts staat dat het voorval plaatsvond gedurende de locale regentijd en dat dan sprake kan zijn van overstromingen en dat tezamen met de expert van de wederpartij is vastgesteld dat deze kosten geen direct verband houden met het voorval, maar meer het karakter hebben van ondernemersrisico aan de zijde van THLI. Deze kosten zijn vergoed aan THLI en worden thans teruggevorderd ten titel van beredderingskosten. Zürich cs heeft dienaangaande gesteld dat zij als zodanig dienen te worden aangemerkt, daar de brug hersteld moest worden om de beschadigde motor terug te vervoeren. THLI heeft dit gemotiveerd betwist door aan te voeren dat de brug hersteld moest worden om de andere, niet beschadigde, motoren te vervoeren naar de plaats van bestemming.

Indien de brug moest worden hersteld om de beschadigde dieselmotor terug te vervoeren, is sprake van beredderingskosten. Zürich cs zal haar stelling dienaangaande dienen te bewijzen.

Ad c) USD 331.809 aan transportkosten

3.18

Deze post betreft de kosten van het transport van 1) de beschadigde dieselmotor van de plaats van het ongeval naar Zwolle en 2) een nieuwe dieselmotor van Zwolle naar Managua, subsidiair het vervoer van de (aanvankelijk) onbeschadigde dieselmotor en 3) de kosten die in het expertiserapport waar Zürich cs ter onderbouwing van haar vordering naar heeft verwezen zijn aangeduid als “customs, taxes, etc. in Nicaragua”.

Uit de zich bij de stukken bevindende expertiserapporten blijkt dat de koper van de ernstig beschadigde dieselmotor gebruik heeft gemaakt van zijn contractuele recht op een nieuwe, vervangende dieselmotor. De beschadigde dieselmotor is terug naar Nederland vervoerd en is daar gerepareerd. De vervangende dieselmotor is meteen na het ongeval vervoerd naar Nicaragua.

Ad 1) de kosten van het transport van de beschadigde dieselmotor van de plaats van het ongeval naar Zwolle

3.19

Zürich cs heeft onweersproken gesteld dat de beschadigde dieselmotor slechts in Nederland kon worden gerepareerd. Om te worden gerepareerd, moest de beschadigde dieselmotor dus terug naar Nederland worden vervoerd. De voor de reparatie noodzakelijke kosten van het vervoer van de plaats van het ongeval naar Zwolle maken daarom deel uit van de reparatiekosten en zijn, anders dan THLI heeft betoogd, dus niet aan te merken als gevolgschade. Dat Zürich cs deze kosten in haar vordering, in navolging van de indeling in het expertiserapport, waar zij ter onderbouwing van de vordering naar heeft verwezen, heeft gerubriceerd als transportkosten, doet niet af aan het voorgaande.

Ad 2) de kosten van het transport van een nieuwe dieselmotor van Zwolle naar Managua, subsidiair van de (aanvankelijk) onbeschadigde dieselmotor

3.20

Met THLI wordt geoordeeld dat de kosten van transport van de vervangende dieselmotor zijn aan te merken als gevolgschade die niet voor vergoeding in aanmerking komt. In het bijzonder is geen sprake van de vrachtprijs als bedoeld in artikel 25 lid 1 jo 23 lid 4 CMR, die immers slechts ziet op het vervoer van de (gedeeltelijk) verloren zaak en niet op het vervoer van de vervangende zaak.

3.21

In haar conclusie van repliek heeft Zürich c.s., voor zover de transportkosten van de vervangende dieselmotor niet voor vergoeding in aanmerking komen, vergoeding gevorderd van het zeevervoer van de (aanvankelijk) onbeschadigde dieselmotor van Antwerpen naar Corinto, welke kosten gelijkgesteld zouden moeten worden met die van het aanvankelijk gevorderde bedrag aan transportkosten van de vervangende dieselmotor.

3.22

THLI heeft zich tegen de vordering van vorenbedoelde kosten verweerd met een beroep op verjaring. Vorenbedoelde eiswijziging houdt een vermeerdering van eis in, in de zin dat (subsidiair) kosten worden gevorderd die niet eerder gevorderd waren. Het tijdstip ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of het verjaringsverweer van THLI al dan niet doel treft, hangt af van de vraag of de eisvermeerdering van Zürich cs al dan niet moet worden aangemerkt als een nieuwe vordering. Bij een nieuwe vordering is voor de vraag of zij tijdig is ingesteld, het tijdstip van de eisvermeerdering beslissend, anders dat van de rechtsingang. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de eisvermeerdering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingesteld.

Anders dan THLI heeft betoogd, is hier geen sprake van een nieuwe vordering. De vordering van deze kostenpost is net als de bij dagvaarding gevorderde posten gebaseerd op de door Zürich cs gestelde wanprestatie bij de uitvoering van de in de Purchase Order neergelegde vervoerovereenkomst dan wel onrechtmatige daad, bestaande uit het onder 1.2 bedoelde en onder 3.6 nader aangeduide voorval.

Het met betrekking tot de eiswijziging gevoerde verjaringsverweer van THLI stuit reeds af op het voorgaande.

3.23

Met betrekking tot genoemd bedrag van USD 242.500,-- voert THLI het verweer dat op grond van artikel 23 lid 4 CMR uitsluitend de vrachtprijs ter zake van het wegvervoer voor vergoeding in aanmerking komt en niet de vrachtprijs ter zake van het zeevervoer. De rechtbank kan THLI hierin niet volgen. Artikel 23 CMR heeft betrekking op de omvang van de verplichting van de vervoerder tot vergoeding van schade waarvoor hij krachtens de CMR aansprakelijk is. Van deze door de vervoerder te betalen schadevergoeding maakt “de vrachtprijs” deel uit, zo is bepaald in lid 4 van dit artikel. Een en ander betekent dat niet alleen de vrachtprijs ter zake van wegvervoer maar ook bijvoorbeeld de vrachtprijs ter zake van zeevervoer voor vergoeding in aanmerking komt, voor zover sprake is van het vereiste causale verband tussen deze schade en de gedragingen van de vervoerder waarvoor hij op grond van de CMR aansprakelijk is. Van dat causale verband is in het onderhavige geval sprake. Immers, wanneer het ongeval niet had plaatsgehad en de dieselmotor dus niet zodanig beschadigd was geraakt dat deze vervangen moest worden door een andere motor uit Nederland, zou de vrachtprijs ter zake van het zeevervoer niet voor niets zijn betaald.

3.24

Daar THLI de hoogte van de Zürich cs gevorderde vrachtprijs van de (aanvankelijk) onbeschadigde motor heeft betwist en deze niet kan blijken of kan worden afgeleid uit de stukken, dient Zürich cs de hoogte van dit onderdeel van de vordering te bewijzen.

Ad 3) “customs, taxes, etc. in Nicaragua”

3.25

Door, na de gemotiveerde betwisting door THLI van de verschuldigdheid van deze kostenposten, slechts te stellen dat deze kosten betrekking hebben op de bereddering en het terugtransport van de beschadigde dieselmotor, heeft Zürich cs onvoldoende gesteld dat deze kostenposten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Ad d) € 50.205,61 aan expertisekosten

3.26

THLI betwist dat zij expertisekosten verschuldigd is, omdat deze onder de CMR niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen en deze kosten in casu al door de verzekeraars zouden zijn vergoed. Zürich cs spreekt een en ander tegen.

De onderhavige expertisekosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover zij deel uitmaken van de waardevermindering van de beschadigde goederen als bedoeld in artikel 25 lid 1 CMR. Aan dat vereiste is in het onderhavige geval voldaan, aangezien vast is komen te staan dat de expertisekosten zijn gemaakt ter vaststelling van de schade.

Niet in geschil is dat de expertisekosten zijn gemaakt door de verzekeraars. Dat deze kosten niet door de ladingbelanghebbende zijn gemaakt maar door de verzekeraars is niet van belang, ten eerste omdat het hier om redelijke kosten gaat die de ladingbelanghebbende anders zelf ook had moeten maken en ten tweede omdat vast is komen te staan dat deze kosten worden bestreken door de verzekeringsovereenkomst. Dat laatste vloeit voort uit de omstandigheid dat tussen partijen niet in geschil is dat de verzekeraars, door de expertisekosten voor hun rekening te nemen, de ladingbelanghebbende hebben vergoed, terwijl gesteld noch gebleken is dat de expertisekosten niet vallen onder de verzekeringsovereenkomsten.

Het bovenstaande betekent dat de gevorderde expertisekosten voor toewijzing vatbaar zijn.

Ad e) € 5.536,-- aan buitengerechtelijke kosten

3.27

THLI betwist dat zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Volgens haar zou de CMR aan toewijzing van deze kosten in de weg staan. Bovendien betwist zij de hoogte van deze kosten. Zürich c.s. weerspreekt een en ander.

Geen enkele bepaling van het CMR, derhalve ook niet het vierde lid van artikel 23, verzet zich tegen de toekenning van buitengerechtelijke incassokosten. De vraag of deze voor vergoeding in aanmerking komen dient dan ook volgens het nationaal, in casu Nederlands, recht beantwoord te worden. Van buitengerechtelijke incassokosten kan slechts sprake zijn indien het niet gaat om kosten van juridische bijstand waarvoor de artikelen 237-240 Rv een vergoeding insluiten. Zürich c.s. heeft evenwel onvoldoende gesteld dat door haar buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.536,-- zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten dan ook worden afgewezen.

3.26

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank,

draagt Zürich het bewijs op:

- dat de brug hersteld moest worden om de beschadigde dieselmotor terug te vervoeren;

- van de hoogte van de gevorderde vrachtprijs van de (aanvankelijk) onbeschadigde motor;

bepaalt dat indien partijen dit bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. L. de Loor-Alwin;

bepaalt dat de procureur van Zürich c.s. binnen twee weken na vonnisdatum opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden mei, juni en juli 2006 en dat de procureur van THLI binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. de Loor-Alwin.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

901/1548