Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AW5184

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
10/701186-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Incident op station (snijden in de hals), geen noodweer (exces); schietpartij als gevolg van eerdere schietpartij; eendaadse samenloop poging tot moord en poging tot doodslag; geen noodweer c.q. noodweer-exces, ook niet extensieve interpretatie. Eigenrichting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2006-04-11
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2006-04-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 10/701186-05 (+ 10/643559-05)

Datum uitspraak: 11 april 2006

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] (Suriname)

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Rijnmond/H.v.B. "Noordsingel" te Rotterdam,

raadsman mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A1 tot en met A3, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Beer heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 (in de zin van poging tot moord)

ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren,

waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede met de bijzondere voorwaarde, dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 26 april 2005 te Rotterdam

ter uitvoering van het voornemen om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet met een mes die [slachtoffer 1] in de nek heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

2.

hij op 12 juli 2005 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 2], aanwezig in de (omgeving van de) [ ] en de [ ] van het leven te beroven, en opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en) aanwezig in de (omgeving van de) [ ] en de [ ]

van het leven te beroven, met dat opzet en ten aanzien van [slachtoffer 2] tevens na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogel(s) heeft afgevuurd

in de richting van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

aanwezig in de (omgeving van de) [ ] en de [ ], zijnde de uitvoering van dat voornemen niet voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Met betrekking tot feit 1 primair:

Uit de bewijsmiddelen blijkt, dat verdachte het slachtoffer met een mes in de nek -zijnde een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel- heeft gesneden. Door aldus te handelen heeft verdachte zich welbewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat hij het slachtoffer dodelijk letsel zou toebrengen. De verdachte heeft mitsdien gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Met betrekking tot feit 2:

ten aanzien van de poging tot moord op [slachtoffer 2] en de poging doodslag op [slachtoffer 3] en anderen:

Door de raadsman is betoogd dat verdachte slechts de bedoeling had om zijn "aanvaller" ([slachtoffer 2]) op afstand te houden en dat verdachte niet de opzet had om te doden. Verdachte was bang en in paniek en van kalm beraad en rustig overleg blijkt niet. Door te schieten in zijn richting kan hooguit sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Verdachte dient dan ook volgens de raadsman van poging tot moord integraal te worden vrijgesproken.

Uit de bewijsmiddelen blijkt, dat verdachte meermalen kogels in de richting van de in de tenlastelegging genoemde personen heeft afgevuurd. Hij heeft daarbij al rennend gericht geschoten op het door hem beoogde (vluchtende) slachtoffer ([slachtoffer 2]), maar heeft zich door dat te doen ook welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat hij daardoor niet alleen dit in eerste instantie beoogde slachtoffer, maar ook de zich in de nabijheid van dat slachtoffer bevindende personen zou raken en dodelijk letsel zou toebrengen. De verdachte heeft mitsdien ten aanzien [slachtoffer 2] met de voor poging moord vereiste opzet en voorbedachte rade gehandeld en ten aanzien van [slachtoffer 3] en anderen met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat verdachte onder invloed van angst en paniek heeft gehandeld, waardoor van voorbedachte rade en kalm overleg geen sprake zou zijn geweest, volgt de rechtbank dit betoog niet.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt afdoende dat verdachte, nadát er op hem was geschoten bewust in zijn woning een vuurwapen heeft gepakt en vanuit de veiligheid van die woning bewust wederom de confrontatie heeft opgezocht. Hij geeft daarbij aan dit te hebben gedaan omdat hij het niet pikte dat er op hem in zijn straat geschoten werd. Voor zover de raadsman uitgaat van de door verdachte gestelde hernieuwde bedreiging op straat door [slachtoffer 2], nadat verdachte uit zijn woning was gekomen, volgt de rechtbank dit niet. Deze tweede "aanval" wordt door geen van de zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen of verdachten gemeld of ondersteund, zodat de rechtbank die lezing van verdachte niet aannemelijk geworden acht.

STRAFBAARHEID FEITEN EN STRAFBAARHEID VERDACHTE

De bewezen feiten leveren op:

T.a.v. feit 1 primair:

POGING TOT DOODSLAG

Door de raadsman is een beroep gedaan op noodweer, inhoudende dat verdachte zich bevond tegenover een ‘overmacht’ van drie personen, waarvan minimaal twee personen hem schopten en sloegen, c.q. op noodweerexces, voor zover het gebruik van een mes door verdachte als een te zwaar middel moet worden gezien.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan:

- dat verdachte zich ten tijde van het incident in de hal van het Centraal Station in Rotterdam bevond;

- dat hij aldaar onenigheid kreeg met drie mannen die hem vervolgens fysiek belaagden;

- dat zich op korte afstand van verdachte en bedoelde mannen in de hal van het Centraal Station twee opsporingsambtenaren bevonden;

- dat getuige [naam] – een vriend van verdachte – heeft getracht de ruzie te sussen en verdachte heeft aangeraden om niet te gaan vechten;

- dat verdachte het mes heeft gepakt en daarmee vervolgens het slachtoffer in zijn nek heeft gesneden, nadat hij van één van de andere mannen een duw had gekregen.

Niet gezegd kan worden dat onder de bovenvermelde omstandigheden verdachte op het moment dat hij zijn mes trok en het slachtoffer verwondde zich bevond in een situatie van wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was.

Ná voornoemde duw was er immers geen sprake van fysiek geweld jegens verdachte, terwijl verdachte bovendien de mogelijkheid had om weg te lopen danwel de hulp in te roepen van de in zijn buurt bevindende opsporingsambtenaren. Gelet hierop wordt het beroep op noodweer verworpen. Nu van een noodweersituatie geen sprake is geweest, wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.

T.a.v. feit 2:

EENDAADSE SAMENLOOP VAN

- POGING TOT MOORD EN

- POGING TOT DOODSLAG, MEERMALEN GEPLEEGD

Door de raadsman is een beroep gedaan op noodweer c.q. noodweerexces. Nadat er op verdachte was geschoten, heeft hij in zijn woning een vuurwapen gepakt en - nu de schutter (opnieuw) zijn wapen op hem richtte - vervolgens in de richting van de schutter (terug) geschoten ter verdediging van zichzelf en zijn familie. Het feit dat er op verdachte geschoten was, heeft bij hem een heftige emotionele reactie teweeggebracht.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan:

- dat verdachte zich op straat bevond, toen er in zijn richting werd geschoten;

- dat verdachte vervolgens zijn woning is binnengegaan en aldaar een vuurwapen heeft gepakt;

- dat hij met dit vuurwapen (meerdere) kogels heeft afgevuurd in de richting van de perso(o)n(en) door wie hij kort daarvoor was beschoten.

Verdachte heeft zich in eerste instantie aan een confrontatie weten te onttrekken door zijn woning binnen te gaan. Vervolgens heeft hij bewust de confrontatie opgezocht, door een vuurwapen te pakken en uit zijn woning, weer de straat op te gaan en vervolgens te gaan schieten in de richting van de perso(o)n(en) door wie hij was beschoten. Niet is gebleken dat toen verdachte met het vuurwapen buiten kwam er opnieuw door een persoon met een vuurwapen op hem werd gericht. Verdachte heeft dit weliswaar verklaard, doch zijn lezing strookt niet met de overige zich in het dossier bevindende verklaringen en bevindingen. Aldus was de noodweersituatie, die wellicht eerder heeft bestaan toen er daadwerkelijk op verdachte werd geschoten, geëindigd op het moment dat verdachte zich in veiligheid wist te brengen door zijn woning in te vluchten. Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.

In de jurisprudentie wordt onder omstandigheden een afweerreactie die volgt op het moment dat van een noodweersituatie geen sprake meer is, gehonoreerd als noodweerexces indien deze afweerreactie het gevolg is van een terecht ontstane hevige gemoedsbeweging. Daarvan is in het geval van verdachte geen sprake geweest. Het is daarentegen aannemelijk geworden dat verdachte slechts uit motieven van eigenrichting en wraak heeft gehandeld, hetgeen niet kan worden getolereerd. Zo heeft verdachte direct na het gebeuren bij de politie verklaard: “Ik ben gelijk daarna naar binnen gegaan. Ik pikte dit niet want ik wist niets van de voorgeschiedenis (…) af.” en: “Ik pik het niet als er op mij geschoten wordt”. Dat verdachte op dat moment zou hebben geschoten om zijn moeder te beschermen is niet aannemelijk geworden, nu verdachte hierover niet spreekt in zijn eerder genoemde verklaring bij de politie en dit belang kennelijk eerst nadien bij verdachte is opgekomen. Gelet hierop zal ook het beroep op noodweerexces worden verworpen.

De feiten zijn strafbaar en de verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft naar aanleiding van een onenigheid met drie mannen in de hal van het Centraal Station te Rotterdam, één van deze mannen met een mes in zijn nek gesneden. Door te handelen als voormeld heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze man. Het is slechts aan het toeval te danken dat deze man geen dodelijk letsel heeft opgelopen.

Voorts heeft verdachte een paar maanden later, toen hij bij toeval op straat bij een schietpartij tussen twee groepen getrokken raakte en er in zijn richting werd geschoten, vanuit zijn woning een vuurwapen gepakt en vervolgens met dat wapen geschoten in de richting van de pers(o)n(en) door wie hij daarvoor was beschoten.

Dit is een bijzonder ernstig feit. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het leven en welzijn van andere personen. Ook in dit geval is het slechts aan het toeval te danken dat niemand door de door verdachte afgevuurde kogels getroffen is.

Deze bewezenverklaarde feiten moeten voor de slachtoffers een schokkende en beangstigende ervaring geweest zijn. De ervaring leert, dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Bovendien zorgen dergelijke geweldsmisdrijven voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, zeker nu deze feiten zich in het openbaar hebben afgespeeld.

Op de bewezenverklaarde feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 14 juli 2005 niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de inhoud van het omtrent verdachte uitgebrachte rapport d.d. 19 maart 2006, opgemaakt door H.S.M. Weber, forensisch psycholoog.

In dit rapport staat onder meer vermeld, dat bij verdachte gesproken kan worden van een gebrekkige ontwikkeling van de geest- en van de intellectuele vermogens, waarbij er sprake is van persoonlijkheidsstoornistrekken met een onrijp en narcistisch karakter in samenhang met een zwakke persoonlijkheidsconfiguratie. De cognitieve capaciteiten liggen op de grens van een zwakbegaafd niveau. Ten tijde van het tenlastegelegde was er daarnaast sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een Gemengde stoornis van emoties en gedrag.

Met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid wordt in het geval van het steekincident gekomen tot een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid en in het geval van het schietincident tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De kans op een recidief in een vergelijkbare sfeer lijkt aanvaardbaar klein, aangezien verdachte geen duidelijke prikkelhonger kent, geen uitgesproken behoefte heeft om grenzen te

overschrijden. Er bestaat bij hem eerder een behoefte om in de luwte te verkeren.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over.

Volgens de deskundige ontbreekt de noodzaak tot een meer stringente begeleiding en/of behandeling. Voorts kan volgens de deskundige van een voorwaardelijk deel van een vrijheidsstraf nog een preventieve werking uitgaan. De deskundige adviseert ook een contact met de reclassering.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het omtrent verdachte uitgebrachte adviesrapport d.d. 02 augustus 2005 en het voorlichtingsrapport d.d. 25 oktober 2005, beide van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering te Rotterdam.

Tenslotte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden, dat het in beide gevallen niet verdachte is geweest die (in eerste instantie) de confrontatie is aangegaan.

Gelet op het bovenstaande en teneinde te bevorderen dat verdachte zich in de toekomst van het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten zal onthouden, zal de rechtbank een deel van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden, dat verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal gedragen naar de aanwijzingen, die zullen worden gegeven door of namens de reclassering.

Hoewel de rechtbank meer bewezenverklaard dan de officier van justitie zal zij aan verdachte desondanks een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, gelet op de persoon van verdachte en diens rol bij de bewezenverklaarde feiten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 (ZES EN DERTIG) MAANDEN;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

- verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van de Grampel, voorzitter en

mrs. Rutten en Geurts-de Veld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hartgers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 april 2006.