Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV9824

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
226090/ HA ZA 04-2906
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schipper heeft de contractueel overeengekomen termijn om een aanvang te maken met de bouwwerkzaamheden overschreden. Gemeente maakt aanspraak op boete op grond van artikel 2.19 van de algemene voorwaarden. Beroep van Schipper op rechtsverwerking en op onvoorziene omstandigheden wordt verworpen. Rechtbank komt tot oordeel dat Schipper de boete van 10% van de koopsom verschuldigd is. Uit de algemene voorwaarden volgt niet dat schadevergoeding tevens dient te worden berekend over de over de koopsom verschuldigde BTW. De rechtbank ziet geen aanleiding de boete te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 226090/ HA ZA 04-2906

Uitspraak: 5 april 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP,

zetelende te Pijnakker-Nootdorp,

eiseres,

procureur mr. J.W. Hengeveld,

- tegen -

SCHIPPER BOUWMANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Capelle aan den Ijssel,

gedaagde,

procureur mr. drs. G. van der Wende.

Partijen worden hierna aangeduid als "de gemeente" respectievelijk "Schipper".

1. Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 8 oktober 2004 en de door de gemeente overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 1 juni 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 1 september 2005;

- de ten behoeve van de comparitie van partijen door de gemeente toegezonden brief van 18 augustus met productie.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Bij overeenkomst van 5 september heeft Innocards B.V. van de gemeente gekocht een perceel grond op het bedrijventerrein Oostambacht voor een bedrag van fl. 501.000,-- plus 19% BTW.

2.2 Op deze overeenkomst zijn de Algemene Verkoopvoorwaarden Gemeente Nootdorp 1999 ( hierna AV) van toepassing. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de akte van levering.

Voor zover hier van belang luiden deze voorwaarden als volgt:

Artikel 2.17: bebouwing bij verkoopovereenkomsten

………

2. Binnen zes maanden na datum van het ondertekenen van de notariële akte moet met de bebouwing zijn begonnen.

3. Binnen twee jaren na datum van het ondertekenen van de notariële akte moet de op de grond te stichten bebouwing glas-waterdicht zijn voltooid.

4. Indien daartoe aanleiding bestaat kunnen burgemeester en wethouder de in lid 2 en 3 van dit artikel genoemde termijnen met een door hen te bepalen periode verlengen.

artikel 2.19: Gevolgen van niet nakomen bouwplicht

1. Indien na verloop van de in lid 2 van artikel 2.17 genoemde termijn de bebouwing nog niet is aangevangen, is de koper aan de gemeente een schadevergoeding verschuldigd ter grootte van 10% van de koopsom en heeft de gemeente het recht de ontbinding van de koopovereenkomst te vorderen……

2. Indien na verloop van de in lid 3 van artikel 2.17 genoemde termijn de bebouwing wel is aangevangen maar nog geen 50% van de geschatte bouwtijd is verlopen is de koper aan de gemeente een boete verschuldigd van 10% van de koopsom.

………

2.3 Op 25 april 2002 zijn de aandelen Innocards B.V. overgedragen aan

’s Gravenhof Vastgoed B.V. Op 26 april 2002 is de heer [X] aangetreden als directeur van Innocards B.V. Op 5 augustus 2003 is de naam Innocards B.V. gewijzigd in Schipper Bouwmanagement. B.V.

2.4 Bij akte van 26 april 2002 is het perceel door de gemeente aan Innocards B.V. geleverd, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 2.17, onder 2 van de AV met de bebouwing van het perceel diende te worden aangevangen op 26 oktober 2002.

2.5 Bij brief van 5 januari 2004 heeft de gemeente Schipper er op gewezen dat hij op 26 oktober 2002 met de bouw had dienen aan te vangen en hem gesommeerd om uiterlijk op 15 februari 2004 te starten met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Indien Schipper hieraan geen gevolg geeft, maakt zij aanspraak op de boete op grond van artikel 2.19 van de AV.

2.6 Bij brief van 12 januari 2004 heeft Schipper verzocht om uitstel te verlenen van ongeveer 8 maanden. De gemeente heeft dit verzoek afgewezen en heeft Schipper bij brief van 15 januari 2004 medegedeeld dat hij op 15 februari 2004 met de bouwwerkzaamheden dient te starten en dat de te stichten opstallen uiterlijk op 31 december 2004 voltooid dienen te zijn.

2.7 In de loop van april 2004 is Schipper met de bouwwerkzaamheden begonnen en de opstal is vóór 31 december 2004 gerealiseerd.

3. De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Schipper te veroordelen tot betaling van € 32.763,72, vermeerderd met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de gemeente aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Schipper is op grond van de AV een boete verschuldigd van € 27.053,92, zijnde 10% van de koopsom, vermeerderd met 19% BTW. De gemeente maakt aanspraak op de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf 26 oktober 2002 tot aan de dag der dagvaarding berekend op € 2.937,14.

3.2 Voorts maakt de gemeente aanspraak op vergoeding de van kosten ter incasso van haar vordering, berekend op € 2772,66.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van de gemeente in de kosten van het geding.

Schipper heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Door langdurig stilzwijgen heeft de gemeente de verwachting gewekt dat zij instemde met verlenging van de in artikel 2:17 van de AV opgenomen termijnen, zodat zij thans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen aanspraak meer kan doen gelden op de overeengekomen boete.

4.2 De economische situatie is, mede ten gevolge van de aanslagen van 11 september 2001, drastisch verslechterd. Deze omstandigheid dient te leiden tot de conclusie dat ongewijzigde handhaving van de overeenkomst onwenselijk is.

Het boetebeding is niet van toepassing omdat de gevolgen daarvan in het licht van de gewijzigde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.3 De gemeente heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. De door de gemeente bij brief van 6 januari 2004 gegunde nadere termijn is niet redelijk. Het is onmogelijk om in een tijdbestek van ongeveer een maand met de bouw aan te vangen. Er moeten immers overeenkomsten gesloten worden en de levertijd van heipalen bedraagt al 6 tot 8 weken.

4.4 De gemeente heeft geen belang bij haar vordering omdat de door de gemeente gegeven eindtermijn van 31 december 2004 door Schipper is gehaald.

4.5 Schipper heeft verzocht de boete te matigen, aangezien de gemeente op geen enkele wijze schade heeft geleden. Aan het verzoek van de gemeente om de bouw voor het einde van het jaar te voltooien heeft Schipper voldaan.

4.6 Schipper betwist dat zij BTW verschuldigd is over de eventueel verschuldigde boete.

4.7 Schipper betwist de datum met ingang waarvan wettelijke rente verschuldigd zou zijn. Gezien de door de gemeente gegeven termijn tot 15 februari 2004 is de wettelijke rente is niet eerder verschuldigd dan vanaf deze datum.

4.8 De door de gemeente gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet redelijk.

5. De beoordeling

5.1 De rechtbank stelt voorop dat Schipper de contractueel overeengekomen termijn van 6 maanden om een aanvang te maken met de bouwwerkzaamheden heeft overschreden. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst is Schipper in dat geval de boete verschuldigd van 10% van de koopsom.

5.2 De omstandigheid dat de gemeente pas op 5 januari 2004, ruim 14 maanden na de overeengekomen datum, Schipper heeft aangemaand om met de bouw te starten, rechtvaardigt niet de conclusie dat de gemeente haar recht op nakoming van de contractuele boete heeft verwerkt.

Enkel tijdsverloop is hiervoor onvoldoende, terwijl andere bijzondere omstandigheden ten gevolge waarvan door de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken, niet zijn gesteld noch gebleken. Daarenboven is ter comparitie namens Schipper verklaard dat zij de gemeente bewust niet heeft ingelicht omtrent de onmogelijkheid om te gaan bouwen, maar dat zij ervoor gekozen heeft om bericht van de gemeente af te wachten.

5.3 Het beroep op onvoorziene omstandigheden wordt verworpen wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag. De algemene stelling van Schipper dat de aanslagen van 11 september 2001 hebben geleid tot een drastische verslechtering van de economische situatie met name ook in de branche waarin Schipper werkzaam is, kan niet leiden tot de conclusie dat Schipper ten gevolge daarvan in een zodanige positie is komen te verkeren dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde handhaving van de overeenkomst onwenselijk is. Feiten en omstandigheden betreffende de concrete situatie aangaande Schipper B.V. zijn niet gesteld noch gebleken.

5.4 De door de gemeente gegunde termijn van ongeveer een maand om te starten met de bouw is strikt genomen te kort om een aanvang te kunnen maken met de bouw. Deze termijn dient echter te worden bezien tegen de achtergrond dat Schipper contractueel al op 26 oktober 2002 een aanvang met de werkzaamheden had moeten maken en zij reeds ruim een jaar in verzuim was. Indien de gemeente vervolgens alsnog een laatste mogelijkheid biedt tot nakoming is het niet onredelijk om daarbij aan te nemen dat Schipper al enige activiteit heeft ondernomen om tot uitvoering van de werkzaamheden over te gaan. Dat Schipper daarentegen bewust heeft gewacht totdat de gemeente van zich zou laten horen en aldus niet in staat is om binnen de gegunde termijn een aanvang met de bouwwerkzaamheden te maken, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt.

5.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat Schipper op grond van het bepaalde in artikel 2:19 van de AV aan de gemeente de boete verschuldigd is ten bedrage van 10% van de koopsom.

Volgens de koopovereenkomst bedraagt de koopsom € 227.343,89 (fl 501.000,--).

Uit de AV volgt niet dat 10 % schadevergoeding tevens dient te worden berekend over de over de koopsom verschuldigde BTW, zodat zal worden toegewezen een bedrag van € 22.734, 39.

5.6 De rechtbank ziet geen aanleiding de overeengekomen boete te matigen. Het belang van de gemeente bij de overeengekomen boete is erin gelegen om de afzonderlijke kopers aan te sporen tot een voortvarende start van de bouwwerkzaamheden, teneinde het bedrijventerrein tot ontwikkeling te brengen. Het achterblijven van die ontwikkeling lijdt tot schade. Enkel uiteenlopen van de schade en de boete vormt onvoldoende grond voor matiging. De omstandigheid dat Schipper binnen de aan haar verleende termijn gereed was met de bouw vormt evenmin een grond voor matiging. Zij heeft daarmee met name weten te voorkomen, dat zij tevens de boete voor het niet tijdig voltooid hebben van de bebouwing, zoals bepaald in artikel 2.17 onder 3 van de AV, verschuldigd is geworden.

5.7 Wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 15 februari 2004. Weliswaar was Schipper na 26 oktober in verzuim, echter de gemeente heeft haar een nieuwe termijn gegund ten gevolge waarvan haar eerdere aanspraak is komen te vervallen.

5.8 Aanspraak op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten komt de gemeente toe, voor zover die kosten redelijk zijn en redelijkerwijs zijn gemaakt ter voldoening buiten rechte. Dát buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt is door Schipper niet betwist. Op basis van door de gemeente overgelegde declaraties van haar advocaat kan onvoldoende worden vastgesteld welke van de daarop vermelde werkzaamheden betrekking hebben op buitengerechtelijke incassoactiviteiten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding deze kosten forfaitair vast te stellen op € 1.158,--, overeenkomstig twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

6. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Schipper om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de gemeente te betalen het bedrag van € 23.892,38 (zegge drieëntwintig duidend achthonderd tweeënnegentig euro en achtendertig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over € 22.734,38 vanaf 15 februari 2004 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt Schipper in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 720,-- aan vast recht, op € 83,78 aan overige verschotten en op € 1.158,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1580