Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV9822

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
248434 / HA ZA 05-3014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzetclausule in aansprakelijkheidsverzekering. "Oude" of "nieuwe" opzetclausule van toepassing. Verlies van deel van het gezichtsvermogen aan linkeroog door klap in het gezicht. Deze schade valt niet onder de "oude" opzetclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 248434 / HA ZA 05-3014

Uitspraak: 5 april 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

wonende te [gemeente],

2. [eiser sub 2],

wonende te [gemeente],

eisers,

procureur voorheen mr. R.A. Felix, thans mr. O.R. van Hardenbroek,

advocaat mr. E.W. van de Graaf,

- tegen -

de naamloze vennootschap N.V. MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE, DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. W.A. Luiten.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als "[eisers]" en afzonderlijk als "[eiser sub 1]" en "[eiser sub 2]". Gedaagde zal hierna worden aangeduid als "Stad Rotterdam".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 23 augustus 2005 en de door [eisers] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 21 december 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 februari 2006.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 [Eiser sub 1] en zijn zoon [eiser sub 2], geboren op 4 april 1980, waren sinds 1 juni 1997 tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Stad Rotterdam.

2.2 Vanaf 1997 maakten de polisvoorwaarden AVP 1997 (hierna: de AVP 1997) deel uit van deze verzekering. Artikel 5 lid 1, sub a van de AVP 1997 (hierna: de oude opzetclausule) luidt als volgt:

"ART.05 UITSLUITINGEN

1. Opzet

Geen dekking wordt verleend voor:

a. de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem/haar het beoogde of zekere gevolg is van zijn/haar handelen of nalaten;

[…]".

2.3 Op 29 juli 2003 heeft J. (hierna: [J.]) aangifte gedaan van mishan-deling, gepleegd op 28 juli 2003 te Volendam. [J.] heeft als gevolg van deze mishandeling een deel van het gezichtsvermogen aan zijn linkeroog verloren.

2.4 De aangifte van [J.] is aanleiding geweest voor strafrechtelijke vervolging van [eiser sub 2] Bij vonnis van 9 februari 2005 is hij door de politierechter te Haarlem veroordeeld wegens opzettelijke mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. [eiser sub 2] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.5 De werkgever van [J.] heeft [eiser sub 2] aansprakelijk gesteld voor door haar geleden schade als gevolg van de mishandeling.

2.6 Bij brief van 17 augustus 2004 heeft de gemachtigde van [eiser sub 2] de schade in verband met de mishandeling aangemeld bij Stad Rotterdam. Bij brief van 24 augustus 2004 heeft Stad Rotterdam aan de gemachtigde van [eiser sub 2] medegedeeld dat zij de schade niet zal vergoeden, omdat het handelen van [eiser sub 2] is uitgesloten van polisdekking op grond van artikel 7 lid 1, sub c, onder 1, van de polisvoorwaarden AVP 2001 (hierna: de AVP 2001).

2.7 Artikel 7 lid 1, sub c, onder 1 van de AVP 2001 (hierna: de nieuwe opzetclausule) luidt als volgt:

"ART.07 UITSLUITINGEN

1. Algemene uitsluitingen

Geen dekking wordt verleend voor de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade:

[…]

c. veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit:

1. zijn opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten;

[…]".

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voor-raad voor recht te verklaren dat Stad Rotterdam gehouden is aan [eisers] dekking te verlenen voor de schade die het gevolg is van het incident op 28 juli 2003 te Volendam, met veroordeling van Stad Rotterdam in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Het handelen van [eiser sub 2] op 28 juli 2003 is gedekt onder de verzeke-ringsovereenkomst.

3.2 De AVP 1997 is van toepassing op de verzekeringsovereenkomst.

3.3 Stad Rotterdam komt geen beroep toe op de oude opzetclausule.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisers] in de kosten van het geding.

Stad Rotterdam heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Sinds 19 juni 2001 is de AVP 2001 van toepassing op de verzekeringsover-eenkomst.

4.2 Het handelen van [eiser sub 2] op 28 juli 2003 betreft tegen een persoon gericht opzettelijk wederrechtelijk handelen, zodat de schade op grond van de nieuwe opzetclausule is uitgesloten van dekking onder de verzekeringsovereen-komst.

4.3 Uit de gedragingen van [eiser sub 2] kan worden afgeleid dat hij het letsel van [J.] heeft beoogd dan wel dat hij zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn, zodat de schade ook op grond van de oude opzetclausule is uitgesloten van dekking onder de verzekeringsovereenkomst.

5. De beoordeling

5.1 [eisers] hebben ter comparitie aangevoerd dat zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] rechten kunnen ontlenen aan de verzekeringsovereenkomst. Stad Rotterdam heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan.

5.2 Het hiervoor onder 2.4 genoemde veroordelend strafvonnis tegen [eiser sub 2] is (nog) niet onherroepelijk. De rechtbank begrijpt evenwel uit de stellingen van partijen dat op zichzelf niet in geschil is dat [eiser sub 2] de persoon is geweest die [J.] op 28 juli 2003 heeft geslagen op het linkeroog met het hiervoor onder 2.3 vermelde oogletsel tot gevolg. Wel is in geschil of Stad Rotterdam als de aansprakelijkheidsverzekeraar van [eisers] gehouden is dekking te verlenen voor de schade die het gevolg is van deze gedraging van [eiser sub 2] Het geschil spitst zich daarbij allereerst toe op de vraag of de oude dan wel de nieuwe opzetclausule van toepassing is op de verzekeringsovereenkomst.

5.3 Voorop wordt gesteld dat Stad Rotterdam terecht dekking onder de polis heeft geweigerd als de nieuwe opzetclausule van toepassing is. Stad Rotterdam heeft immers onweersproken gesteld dat het handelen van [eiser sub 2] op 28 juli 2003 onder die nieuwe opzetclausule valt.

5.4 Uit artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de nieuwe opzetclausule in beginsel van toepassing is, indien de AVP 2001, waarin deze clausule is opgenomen, [eisers] heeft bereikt. In de onderhavige zaak zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die - in geval van ontvangst van de AVP 2001 door [eisers] - alsnog in de weg staan aan de toepasselijkheid van de AVP 2001, zodat voor de vraag of de nieuwe opzetclausule van toepassing is, uitsluitend van belang is of de AVP 2001 [eisers] heeft bereikt.

5.5 Molenaar c.s hebben uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist de AVP 2001 te hebben ontvangen. Nu Stad Rotterdam zich op de toepasselijkheid van de AVP 2001 beroept, rust ingevolge artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) op haar de bewijslast van haar stelling dat de AVP 2001 [eisers] heeft bereikt. Ter comparitie heeft Stad Rotterdam aangevoerd dat de bewijslast in dit geval op [eisers] rust.

5.6 De rechtbank ziet in hetgeen door Stad Rotterdam ter comparitie is aange-voerd geen grond om af te wijken van voormelde bewijslastverdeling, noch om de ontvangst door [eisers] van de AVP 2001 voorshands bewezen te achten. De rechtbank merkt in dit verband het volgende op. Stad Rotterdam heeft ter comparitie gesteld dat de verzending van de AVP 2001 de ontvangst daarvan door [eisers] impliceert, nu de AVP 2001 in het jaar 2001 samen met de premienota voor het nieuwe verzekeringsjaar, ingaande 19 juni 2001, en een begeleidende brief aan alle verzekerden is toegezonden en [eisers] ter comparitie niet hebben ontkend deze premienota te hebben ontvangen. Uit de omstandigheid dat Molenaar c.s ter comparitie de ontvangst van de premienota niet hebben betwist, kan echter niet zonder meer de ontvangst van de AVP 2001 worden afgeleid. Molenaar c.s hebben immers ter comparitie de mogelijkheid geopperd dat door (een medewerker van) Stad Rotterdam een fout is gemaakt bij de samenstelling van de - voor [eisers] bestemde - envelop in die zin dat de AVP 2001 daarin ten onrechte niet is bijgevoegd; een mogelijkheid die - mede gelet op de mededeling van Stad Rotterdam ter comparitie dat de drie betreffende documenten destijds handmatig in één envelop zijn gevoegd - in beginsel bestaat en welke mogelijkheid op grond van de tot nu toe in het geding gebrachte stukken niet kan worden uitgesloten.

5.7 Nu Stad Rotterdam een concreet bewijsaanbod heeft gedaan, zal zij worden toegelaten tot het bewijs dat de AVP 2001 [eisers] heeft bereikt.

5.8 Indien Stad Rotterdam slaagt in dit bewijs, dan zal de vordering worden afgewezen. Mocht Stad Rotterdam niet slagen in dit bewijs, dan geldt hetgeen in 5.9-5.11 wordt overwogen.

5.9 Stad Rotterdam heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich met recht kan beroepen op de oude opzetclausule, hetgeen door [eisers] wordt betwist. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Stad Rotterdam gesteld dat uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [eiser sub 2] [J.] een gerichte klap op het linkeroog heeft gegeven met zodanige kracht dat [J.] tegen de grond werd geslagen. In de aard van die handeling ligt volgens Stad Rotterdam besloten dat [eiser sub 2] zich ervan bewust moet zijn geweest dat oogletsel bij [J.] het zeker gevolg van zijn handelen zou zijn.

5.10 De rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit de overgelegde stukken, en dan in het bijzonder de (getuigen)verklaringen zoals opgenomen in het door Stad Rotterdam als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde proces-verbaal van de politie Zaanstreek-Waterland/Volendam en de door Stad Rotterdam als producties 8, 9 en 10 bij de conclusie van antwoord overgelegde processen-verbaal van verhoor van getuigen door de rechter-commissaris, kan slechts worden opgemaakt dat [eiser sub 2] [J.] een vuistslag op het linkeroog heeft gegeven en dat die klap zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Niet valt daaruit op te maken dat [eiser sub 2] het ingetreden ernstige letsel heeft beoogd of dat dit letsel het zekere gevolg was van de klap van [eiser sub 2] en dat [eiser sub 2] zich daarvan bewust had moeten zijn (vgl. HR 6 november 1998, NJ 1990, 220 en HR 27 juni 2003, NJ 2005, 140). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het gedrag van [eiser sub 2] op 28 juli 2003, zoals dat naar voren komt uit de verschillende (getuigen)verklaringen, waaronder de verklaring van [eiser sub 2] zelf, niet blijkt dat de klap van [eiser sub 2] speciaal gericht was op het linkeroog van [J.]. Evenmin blijkt uit die verklaringen dat [eiser sub 2] [J.] heeft geslagen met behulp van een voorwerp dat geëigend is om letsel zoals zich dat bij [J.] heeft voorgedaan, toe te brengen, zoals een slag- of steekwapen.

5.11 Uit het voorgaande volgt dat Stad Rotterdam geen beroep toekomt op de oude opzetclausule.

5.12 In afwachting van de bewijsvoering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

laat Stad Rotterdam toe tot het bewijs dat de AVP 2001 [eisers] heeft bereikt;

bepaalt dat indien Stad Rotterdam dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. M.B. van den Enden;

bepaalt dat de procureur van Stad Rotterdam binnen twee weken na vonnis-datum opgave moet doen van het aantal en zo mogelijk de namen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden mei tot en met juli 2006 en dat de procureur van [eisers] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. van den Enden.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1462/1694