Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV9819

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
214487/HA ZA 04-1011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht Nederlandse rechter mbt 'Actio Pauliana' tegen Uruguayse vennootschap met (Nederlandse) medegedaagden. Samenhangende vorderingen. Art. 7 lid 1 Rv (en art. 6 onder 1 EEX-Vo).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 214487/HA ZA 04-1011

Uitspraak: 5 april 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid DOEDIJNS HOLDING B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het bevoegdheidsincident,

procureur en advocaat: mr K.H.L. van Waasbergen,

-tegen-

1. [gedaagde sub 1],

zonder bekende woon of verblijfplaats,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van

haar vestiging FIRISA CORPORATION N.V.,

gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen,

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur: mr J.G.M. Roijers,

3. Mr [X],

wonende te [gemeente],

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur: mr J.G.M. Roijers,

4. de maatschap [X]-DE VRIES

ADVOCATEN,

gevestigd te Best,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

5. de vennootschap naar het recht van de plaats van

haar vestiging CHICAGO FIRST TRUST URUGUAY

S.A.,

gevestigd te Montevideo, Uruguay,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

procureur: mr R. Slotboom,

advocaat: mr J.J. Linker.

Eiseres in de hoofdzaak/verweerster in het bevoegdheidsincident wordt hierna aangeduid als "Doedijns", gedaagden in de hoofdzaak sub 1, 2, 3 en 4 respectievelijk als [gedaagde sub 1], Firisa, mr [X] en de maatschap en gedaagde in de hoofdzaak sub 5/eiseres in het bevoegdheidsincident als "CFTU".

1. Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft in het kader van het door CFTU opgeworpen bevoegdheidsincident kennis genomen van de volgende stukken:

-dagvaardingen d.d. 27 november 2003;

-akte houdende producties van Doedijns;

-incidentele conclusie houdende beroep op de exceptie van onbevoegdheid

van CFTU;

-conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident van Doedijns;

-rolbeschikking d.d. 24 augustus 2005 waarbij het verzochte pleidooi werd

toegestaan.

1.2

CFTU en Doedijns hebben hun standpunten doen bepleiten door hun raadslieden, die zich daarbij bedienden van pleitnotities. Bij die gelegenheid heeft de raadsman van Doedijns nog enkele producties overgelegd (inspectieverslag van Creswell & Associates Ltd. en een tweetal foto's), die aan zijn pleitnota zijn gehecht.

2. De vordering in de hoofdzaak

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

(1) [gedaagde sub 1], Firisa, mr [X] en de maatschap hoofdelijk te veroordelen aan Doedijns te betalen € 1.584.730,30 met rente en kosten,

(2) te verklaren voor recht dat het beroep in rechte op de vernietiging van de hypotheekverstrekking bij akte d.d. 23 oktober 2003 ingeschreven in het kadaster te Rotterdam onder nr. OZ3 3096/15 d.d. 24 oktober 2003 op de in die akte genoemde onroerende zaken wordt aanvaard.

Doedijns heeft aan die vordering onder meer de volgende - kort en zakelijk weergegeven - stellingen ten grondslag gelegd:

2.1

Ingevolge arbitrale uitspraak d.d. 6 juli 2000 heeft Doedijns (als rechtsopvolger van een aantal vennootschappen) van Techno International Holding B.V., Techno International B.V. en Techno Investments B.V. (of hun rechtsvoorgangers) een bedrag te vorderen van € 1.584.730,30 (berekend t/m 27 november 2003). Van die drie genoemde vennootschappen was [gedaagde sub 1] (indirect via zijn holdingvennootschap Firisa) bestuurder en feitelijk leidinggever.

2.2

Hangende de arbitrageprocedure heeft op instructie van [gedaagde sub 1] en met intensieve bemoeienis van Firisa en nauwe betrokkenheid van

mr [X] en diens advocatenmaatschap een reeks handelingen plaatsgevonden die ten doel had om verhaal van de vorderingen van Doedijns onmogelijk te maken. Door hun handelwijze, in samenhang aan te merken als het uitvoeren van een onrechtmatige sterfhuisconstructie, hebben deze gedaagden zich jegens Doedijns onrechtmatig gedragen en zijn zij aansprakelijk voor de door Doedijns geleden schade.

2.3

Teneinde het verhaal op vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] te frustreren heeft deze bij notariële akte van 23 oktober 2003 een recht van tweede hypotheek verleend aan CFTU op een aantal in die akte genoemde en aan hem in eigendom toebehorende, in Nederland gelegen onroerende zaken voor al hetgeen CFTU te vorderen mocht hebben van "[gedaagde sub 1] Group B.V." en van Firisa.

Deze hypotheekverstrekking is paulianeus en nietig op grond van

art. 3:45 BW, op welke nietigheid Doedijns zich krachtens art. 3:51 BW beroept. Doedijns vordert daarom een verklaring voor recht dat dit beroep op nietigheid, dat is ingeschreven in het kadaster, wordt aanvaard, om welke reden CFTU in deze procedure als medegedaagde is opgeroepen.

3. Het bevoegdheidsincident van CFTU

3.1

CFTU vordert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren tot kennisneming van de door Doedijns tegen haar in de hoofdzaak ingestelde vordering, met veroordeling van Doedijns - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten.

CFTU stelt daartoe dat de rechtbank geen rechtsmacht toekomt, noch op grond van art. 6 sub e Rv, noch op grond van art. 7 lid 1 Rv.

3.2

Doedijns vraagt de rechtbank deze vordering af te wijzen en zichzelf bevoegd te verklaren. Zij voert aan dat de rechtbank rechtsmacht heeft op grond van art. 767 Rv, art. 6 sub e en sub d Rv, art. 7 lid 1 Rv en art. 9 onder c Rv.

4. De beoordeling in het bevoegdheidsincident van CFTU

4.1

De procedure tegen CFTU valt niet binnen het formele toepassingsgebied van de EEX-Vo.

4.2

De onder (2) gevorderde verklaring voor recht heeft betrekking op de volgens Doedijns onrechtmatige en op grond van art. 3:45 BW nietige verlening door

[gedaagde sub 1] aan CFTU van een hypotheekrecht op onroerende zaken.

De verklaring voor recht strekt ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat deze nietigheid terecht is of wordt ingeroepen en is niet alleen gericht tegen

[gedaagde sub 1] als hypotheekgever maar ook tegen CFTU als hypotheeknemer (vgl. art. 3:51 lid 2 BW). Deze vordering tegen [gedaagde sub 1] en die tegen CFTU zijn aldus onmiskenbaar samenhangend en het is zonneklaar dat redenen van doelmatigheid hun gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Niet is omstreden dat de rechtbank ten aanzien van de vorderingen tegen

[gedaagde sub 1] rechtsmacht heeft, ook ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht.

4.3

De onder (1) ingestelde vordering tegen [gedaagde sub 1], Firisa, mr [X] en de maatschap heeft betrekking op hun betrokkenheid bij de volgens Doedijns onrechtmatige reeks handelingen die ten doel hadden het verhaal van Doedijns voor zijn vordering op de vennootschappen van [gedaagde sub 1] te frustreren. Deze vorderingen zijn direct met elkaar verbonden en een goede rechtsbedeling verlangt een gelijktijdige berechting. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voorts tussen de vorderingen onder (1) en die onder (2) een voldoende samenhang om een gezamenlijke behandeling te rechtvaardigen, zulks gelet op het door Doedijns gestelde overeenstemmende oogmerk van de verweten gedragingen waarbij [gedaagde sub 1] de centrale leidinggevende rol speelde: het onmogelijk maken van verhaal van Doedijns voor zijn vorderingen op [gedaagde sub 1] en diens vennootschappen.

4.4

In dit verband kan erop worden gewezen dat de achtergrond van de eis die door het HvJ EG in zijn uitspraak van 27 september 1988 (NJ 1990, 425, Kalfelis/Bank Schröder) wordt gesteld voor de toepassing van art. 6 aanhef en onder 1 EEX (nu EEX-Vo), te weten dat de vereiste samenhang bestaat tussen de tegen elk van de gedaagden ingestelde vorderingen, niet identiek is aan de achtergrond van art. 7 lid 1 Rv. Anders dan bij art. 7 lid 1 Rv het geval is, vormt de bepaling van art. 6 aanhef en onder 1 EEX (EEX-Vo) immers een uitzondering op het beginsel van art. 2 EEX (EEX-Vo) dat een verweerder moet worden opgeroepen voor de rechter van zijn woonplaats in een

EEX(EU)-staat, om welke reden ervoor moet worden gewaakt dat dit beginsel op losse schroeven zou komen te staan en dat deze verweerder samen met andere verweerders zou worden opgeroepen voor de rechter van de woonplaats van één hunner met het enkele doel deze verweerder af te trekken van de rechter van die woonplaats. In het onderhavige geval, waar CFTU niet is gevestigd in de EU en de EEX-Vo niet van toepassing is, bestaat er geen overeenkomstige aanleiding voor het beperkt uitleggen van

art. 7 lid 1 Rv.

4.5

Voorts is het denkbaar dat de rechtbank - eventueel ambtshalve - deze zaak zou kunnen splitsen in twee procedures betreffende respectievelijk de vordering onder (1) en die onder (2) indien daartussen onvoldoende samenhang zou bestaan om vanwege een doelmatige rechtspleging een gezamenlijke behandeling gerechtvaardigd te achten.

4.6

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank krachtens art. 7 lid 1 Rv rechtsmacht heeft ten aanzien van de onder (2) gevorderde verklaring voor recht voorzover deze is ingesteld tegen CFTU. De vordering van CFTU tot onbevoegdverklaring moet worden afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank,

in het bevoegdheidsincident van CFTU

wijst de vordering af en verklaart zich bevoegd om van de vordering jegens CFTU kennis te nemen;

veroordeelt CFTU in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Doedijns begroot op nihil aan verschotten en op € 904,- aan salaris van de procureur;

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen;

in de hoofdzaak tegen CFTU

bepaalt dat de zaak weer zal worden uitgeroepen ter rolle van

woensdag 31 mei 2006 voor conclusie van antwoord van CFTU.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

10.