Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV9487

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
703135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werknemer is 26 jaar in dienst bij een bedrijf. De laatste 2 jaar hebben zich een aantal incidenten voorgedaan op het gebied van het gedrag van de werknemer tegenover zijn leidinggevenden en klanten. De werknemer is een aantal malen geschorst, waarbij de laatste maal is aangezegd dat en volgend incident zou leiden tot ontslag.

De kantonrechter is ondermeer van oordeel dat de werkgever, gezien de lengte van het dienstverband, zich meer moeite had moeten getroostende werknemer te trainen en te coachen terzake van zijn houding en gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 93

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

BESCHIKKING ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Koninklijke TPG Post B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

verzoekster,

gemachtigde mr. A.E. Vos,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde mr. R. Kuijer.

1. De processtukken en de loop van het geding

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- het verweerschrift, met bijlagen;

- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotitie

aan de zijde van verzoekster;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 maart 2006. Ter zitting is verzoekster verschenen bij de mevrouw H. Roth, personeelsadviseur, de heer S. Jaspers, transportmanager, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is in persoon verschenen met zijn partner en werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen -voor zover thans van belang- het volgende vast:

2.1 Verweerder, geboren op [geboortedatum], is per 1 mei 1980 bij verzoekster in dienst getreden, in de functie van chauffeur. Het laatstelijk verdiend bruto maandsalaris bedraagt € 1.949,62, exclusief vakantietoeslag.

2.2 Verzoekster heeft verweerder bij brief van 27 januari 2004 aangesproken op zijn gedrag met betrekking tot een incident op 23 januari 2004, waarbij er een fout was gemaakt door de planning.

2.3 In opdracht van de heer Jaspers heeft verweerder naar aanleiding van het incident van 23 januari 2004 een gesprek gevoerd met de planners. Dat gesprek is op 25 februari 2004 schriftelijk aan verweerder bevestigd.

2.4 Bij brief van 27 oktober 2004 heeft verzoekster aan verweerder medegedeeld dat hij op grond van artikel 129 lid 1b van de TPG CAO geschorst is voor de duur van één werkdag, zijnde 29 oktober 2004, onder inhouding van een evenredig gedeelte van zijn maandinkomen. Deze schorsing was naar aanleiding van een incident op 22 oktober 2004.

2.5 Bij brief van 29 oktober 2004 heeft verweerder op de brief van 27 oktober 2004 gereageerd en hij heeft daarin te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de schorsing en inhouding van een gedeelte van zijn maandinkomen. Tevens heeft hij aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de zijn kant van de zaak toe te lichten. Voorts heeft verweerder in deze brief meegedeeld dat hij naar aanleiding van de incidenten van 22 oktober 2004 en 27 januari 2004 kopieën van de dagstaat en schijf heeft opgestuurd naar de Rijksverkeersinspectie.

2.6 Naar aanleiding van zijn brief van 29 oktober 2004 is verweerder uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met de heer Telling. Dit gesprek vond plaats op 23 november 2004.

2.7 Op 12 november 2004 is verweerder over het jaar 2004 beoordeeld met ‘niet positief’.

2.8 Bij brief van 8 maart 2005 deelt de heer Telling onder meer het volgende mee:

“Ik beschouw hiermee deze zaak als afgedaan.”

2.9 Op 19 april 2005 heeft een incident plaatsgevonden waarover verzoekster, verweerder heeft aangeschreven. Bij brief van 25 april 2005 heeft verweerder op deze brief gereageerd en heeft hij zijn verklaring van het incident gegeven, waarbij hij te kennen heeft gegeven dat er een probleem was in de communicatie tussen de “perco” en de planner en dat de houding van de planner naar hem toe onterecht zeer dwingend en kortaf was.

2.10 Bij brief van 3 mei 2005 heeft de heer Jaspers op de brief van verweerder van 25 april 2005 gereageerd. In deze brief heeft de heer Jaspers onder meer het volgende meegedeeld:

“Uw verklaring in deze is voor mij afdoende en voor mij is de kwestie hier dan ook mee afgedaan.”

2.11 Op 29 augustus 2005 heeft P. Verhelst, beveiligmedewerker van Securicor Beveiliging B.V. tewerkgesteld bij Neckerman B.V. te Sint-Jansteen een rapport opgemaakt. In dit rapport heeft P. Verhelst onder meer het volgende meegedeeld:

“Omstreeks 19:30 uur had ik Medewerker van TPG Post met vrachtwagenkenteken BL-DS-91, nadat hij zich via de intercom bij Poort 1 van Expeditie-Centrum had aangemeld toegang gegeven. Zo ook om ca 19.35 uur via de intercom van Poort 2 voor doorgang naar rangeerterrein van Textielmagazijn, echter nadat de poort was geopend, stopte de chauffeur midden in de poortopening waardoor toegang naar en van bedrijfsterrein werd geblokkeerd.

Na een tiental minuten heb ik mijn collega ter plaatse gestuurd om de chauffeur naar de reden te vragen waarom hij daar stilstaat.

Hij verklaarde dat dit een protestactie was om aan te geven dat hij het een bezwaar vindt telkens voor aanmelding te moeten uitstappen. Hij is van mening dat de bewaking bij eerste aanmelding alle poorten moet openen voor een vrije doorgang.

Eerder deze week heeft dezelfde chauffeur aan de balie de bewaking al ruzie met medewerker van de bedrijfsbewaking gemaakt, en daarbij aangegeven dat het niet vooraf openen van de poorten door bewaking pesterijen zijn. Maakt daarbij een schampere opmerking dat hij nu kan begrijpen waarom de dienstdoende beambte portier is geworden. Hierbij is aan de Chauffeur gemeld dat wij de bedrijfsinstructie van Neckermann uitvoeren, en dat daar de bezwaren kunnen worden gemeld.

Tevens willen wij erop wijzen dat genoemde chauffeur niet kan wachten totdat de schuifpoorten geheel zijn geopend, en daarbij al gaat rijden als de poort nog in beweging is beweging wordt aangegeven door een flitslamp boven op de poort, hierdoor bestaat het risico dat de open- of dichtschuivende poort kan worden aangereden, waar onnodig schade kan toebrengen aan de poort en ook de vrachtwagen van TPG Post.(…)

2.12 Bij e-mail van 30 augustus 2005 heeft verweerder gereageerd op een telefoongesprek met de heer Goossen over het rapport van de beveiliging van Neckerman.

2.13 Naar aanleiding van het incident op 26 augustus 2005 heeft de heer Telling bij brief van 15 september 2005 aan verweerder meegedeeld dat hij voor 5 dagen wordt geschorst, zonder doorbetaling van salaris. De heer Telling heeft daarin aan verweerder onder meer het volgende meegedeeld:

Tijdens deze 5 dagen kunt u nadenken over:

- uw gedrag ten opzichte van onze klanten;

- hoe u zich zult gaan gedragen.(…)

Een volgend incident waarbij u in negatieve zin betrokken bent zal leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dit betekend ontslag.(..)

2.14 Bij brief van 20 januari 2006 aan de heer Jaspers hebben de heer Van de Avort en de heer Van de Hoek, beiden Teamcoaches VBG Middelburg, zich beklaagd over het gedrag van een chauffeur op 18 januari 2006. Deze chauffeur blijkt verweerder te zijn.

2.15 Bij brief van 24 januari 2006 heeft verweerder gereageerd op de verklaring van de teamcoaches.

2.16 Bij brief van 26 januari 2006 heeft de heer E.B. Telling verweerder onder meer het volgende meegedeeld:

Op 20 januari 2006 heeft u uw werkzaamheden bij de vesting Middelburg niet uitgevoerd overeenkomstig de geldende afspraken. Uw manager heeft aan u een schriftelijke verantwoording gevraagd omtrent uw handelswijzen.

Ik stel u op non-actief in afwachting van verdere besluitvorming.(…)

2.17 Bij brief van 31 januari 2006 is de non-actiefstelling door de heer Telling opgeheven en gewijzigd in een vrijstelling van de verplichting om werkzaamheden uit te voeren.

2.18 Op 6 februari 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden met verweerder, de heer Jaspers en mevrouw Aalders.

2.19 Bij brief van 7 februari 2006 heeft de heer Telling aan verweerder medegedeeld dat er geen vertrouwen in verweerder aanwezig is om het dienstverband nog langer te laten voortbestaan.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens primair een dringende redenen en subsidiair een verandering in omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding aan verweerder.

3.2 Aan het verzoek zijn naast de hiervoor genoemde bestaande feiten -zakelijk weergegeven- de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- Vanaf begin 2004 is verweerder in ernstige mate gaan disfunctioneren en is verweerder bijzonder destructief bezig geweest.

- Verweerder heeft werk geweigerd en daarnaast is zijn houding en gedrag ten opzichte van zijn leidinggevenden, ten opzichte van een grote klant van verzoekster en ten opzichte van zijn collega’s kwetsend, respectloos en beneden alle peil.

- In februari 2004 is verweerder ernstig gewaarschuwd voor het feit dat hij doelbewust misbruik heeft gemaakt van een fout van de afdeling planning, door doelbewust urenlang te pauzeren tot het foutieve vertrektijdstip was aangebroken en de opdracht om te gaan rijden te negeren, waardoor de post te laat op de plaats van bestemming kwam.

- In het najaar van 2004 heeft verweerder geweigerd een trailer op te halen in verband met een defecte oplegger. Verweerder is hiervoor gestraft met een schorsing van één dag met inhouding van salaris.

- In het voorjaar van 2005 is verweerder er schriftelijk op gewezen dat hij aanwijzigen en redelijke opdrachten van leidinggevenden en planners diende op te volgen. Dit was naar aanleiding van een woordenwisseling tussen verweerder en een planner.

- In augustus 2005 is verweerder zeer ernstig disciplinair gestraft met een schorsing van 5 dagen zonder salaris. De reden daarvan was dat verweerder bij een grote klant bewust met zijn vrachtwagen de ingang had geblokkeerd om daarmee te protesteren tegen een gang van zaken die hem niet welgevallig was. Verweerder werd gewaarschuwd dat een volgende incident tot ontslag zou leiden.

- Begin van dit jaar heeft verweerder zich binnen een week tot driemaal toe dusdanig onacceptabel gedragen ten overstaan van een leidinggevende dat verzoekster heeft besloten tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan.

4. Het verweer

4.1 Het verweer strekt primair tot niet ontvankelijk verklaring en subsidiair tot afwijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en meer subsidiair tot ontbinding op grond van verandering van omstandigheden onder toekenning van een vergoeding ten laste van verzoekster aan verweerder van

€ 97.909,- bruto, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, met veroordeling van verzoekster in de kosten van de procedure.

4.2 Daartoe is -zakelijk weergegeven- aangevoerd:

- Verweerder ontkent zich aan werkweigering schuldig te hebben gemaakt. Tot tweemaal toe wilde verzoekster, verweerder in strijd met de regels laten rijden en laten werken.

- Verweerder heeft het geschil betreffende rijtijden voorgelegd aan de Rijksverkeersinspectie en is in het gelijk gesteld.

- Verweerder is van mening dat er geen sprake is een verandering in omstandigheden laat staan van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

- Verweerder is bijna 26 jaar in dienst en ervaart pas sedert de zaak met de Rijksverkeersinspectie speelt, plots allerhande problemen en verwijten. Hiervoor heeft verweerder 25 jaar naar alle tevredenheid gewerkt.

- Het voorval van 20 januari 2006 wordt door verzoekster opgeblazen waaruit dan ook blijkt dat verzoekster alles in het werk stelt om verweerder in een kwaad daglicht te stellen, om zo te trachten een onwerkbare werksituatie te creëren.

- Bij het eventueel toekennen van een vergoeding aan verweerder dient naast het aantal dienstjaren van verweerder tevens rekening te worden gehouden met zijn leeftijd en zijn moeilijke positie op de arbeidsmarkt.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Door verzoekster is medegedeeld en door verweerder is niet ontkend dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een opzegverbod en er is geen aanleiding om aan die juistheid van die mededeling te twijfelen.

5.2 Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat partijen over een groot aantal zaken verschillend denken. Dit geldt niet alleen voor de incidenten waarover partijen in het verleden al met elkaar hebben gesproken, maar ook voor hetgeen ter zitting aan de orde kwam. Verzoekster heeft gesteld geen vertouwen meer te hebben in verweerder, maar dat is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende voor toewijzing van het verzoek.

5.3 Het knelpunt tussen partijen is voornamelijk de wijze waarop verweerder heeft gehandeld tijdens een aantal incidenten die vanaf begin 2004 zijn voorgevallen. De handelswijze van verweerder en zijn communicatie ten opzichte van leidinggevende, collega’s en een klant is in deze incidenten niet altijd geheel correct geweest. Hoewel verweerder in een aantal incidenten het door verzoekster geschetste gedrag ontkent, is wel duidelijk dat verweerder door zijn gedrag mensen tegen de borst stuit.

5.4 Partijen hebben over de tijdsperiode van 2 jaar tweemaal een gesprek gehad over de houding van verweerder en één maal een functioneringsgesprek waarin verweerder als ‘niet positief’ werd beoordeeld. Gelet op het lange dienstverband van verweerder is de kantonrechter van oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft gedaan om werkhouding van verweerder te verbeteren. Verzoekster heeft verweerder weliswaar aangesproken op zijn gedrag en verzocht zich anders te gedragen, maar verzoekster heeft geen daadwerkelijke maatregelen getroffen om te bereiken dat verweerder zijn gedrag zou (kunnen) veranderen. Integendeel verzoekster heeft verweerder tot twee maal toe geschorst en hem bij de laatste schorsing meegegeven dat hij tijdens de dagen dat hij geschorst was kon nadenken over zijn gedrag. Verzoekster heeft verweerder echter geen handreikingen gegeven of een verbetertraject voor het gedrag van verweerder opgestart om iets aan dit gedrag te veranderen.

5.5 Verzoekster heeft wel aangevoerd dat het gedrag van verweerder zou kunnen leiden tot omzetverlies, omdat verzoekster door het gedrag van verweerder wellicht niet het afgesproken percentage aan bezorgde poststukken kan behalen waardoor zij haar klant zou kunnen kwijtraken, maar niet blijkt dat die kans reëel is, in zodanige mate dat er geen andere mogelijkheid is die kans te keren dan om verweerder te “ontslaan”. Noch is gebleken dat door het gedrag van verweerder verzoekster omzetverlies heeft geleden. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat thans geen sprake is van een zodanige dringende omstandigheid of verandering van omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst zou moeten worden ontbonden.

5.6 Partijen doen er goed aan om met elkaar in overleg te treden, waarbij het met name aan verzoekster is om verweerder in staat te stellen door middel van trainingen of coaching zijn houding en gedrag te verbeteren. Zolang dat nog niet is geprobeerd is het nog te vroeg om na een dergelijk lang dienstverband van 26 jaar de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het primaire en subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden derhalve afgewezen.

5.7 Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.