Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV8900

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
06-04-2006
Zaaknummer
705539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een van haar werknemers, omdat deze zich niet aan de voor de dienstbetrekking geldende regels zou houden en onvoldoende commercieel inzicht heeft om zijn functie te kunnen uitoefenen. De werknemer voert o.a. aan dat waar er sprake was van afwijking van de regels, dit in overleg is gebeurd. Verder laat -volgens de werknemer- zijn staat van dienst zien dat hij wel degelijk commercieel inzicht heeft. Wanneer dat niet zo was had het op de weg van de werkgeefster gelegen hem daarin te coachen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton

BESCHIKKING ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hallmark Cards, Nederland B.V.,

statutair gevestigd te Heerlen,

mede kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

verzoekster bij verzoekschrift van 27 februari 2006,

gemachtigde: mr. J.C. Debije te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. C.H. Krens te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna ook geduid worden met “Hallmark”, respectievelijk “[verweerder]”.

1. De processtukken en de loop van het geding

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, vergezeld van zeven producties, zijdens Hallmark, en het verweerschrift, vergezeld van vijftien producties,

zijdens [verweerder].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2006. Daarbij zijn verschenen aan de zijde van Hallmark: de heer G. van Dam, werkzaam als Sales Manager bij Hallmark, en de gemachtigde mr. J.C. Debije. Aan de zijde van [verweerder] zijn verschenen: [verweerder] in persoon, zijn echtgenote, en de gemachtigde

mr. drs. C.H. Krens. De gemachtigden hebben beiden pleitnotities overgelegd, welke aan het procesdossier zijn toegevoegd. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, is door de griffier aantekening gehouden. Die aantekeningen maken eveneens deel uit van het procesdossier.

2. De vaststaande feiten

2.1 [verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 1 september 1988 voor de bepaalde tijd van zes maanden in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Hallmark. Dit dienstverband is op 1 maart 1989 van rechtswege geëindigd, waarna [verweerder] zijn dienstplicht heeft vervuld. Met ingang van 1 maart 1990 is [verweerder] opnieuw in dienst getreden bij (de rechts-voorganger van) Hallmark, laatstelijk in de functie van vertegenwoordiger.

2.2 Het loon van [verweerder] bedraagt laatstelijk € 2.050,00 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag en exclusief een dertiende maand, één en ander op basis van een fulltime arbeidsduur van 162,5 uren per maand. Daarnaast heeft [verweerder] jaarlijks aanspraak op een bonus, naargelang de door hem behaalde resultaten.

2.3 Hallmark heeft [verweerder] op 13 december 2005 vrijgesteld van zijn werkzaamheden.

3. Het verzoek

3.1 Het verzoek strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van een gewichtige reden, bestaande uit een verandering van omstandigheden in de zin van artikel 7:685 lid 2 BW, tengevolge waarvan het dienstverband tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Hallmark heeft zich op het standpunt gesteld dat de voor de instandhouding van de arbeidsverhouding noodzakelijke vertrouwensbasis daaraan is komen te ontvallen. Deze vertrouwensbreuk vindt haar oorzaak in diverse incidenten vanaf begin 2005, die er op neer komen dat [verweerder] als vertegenwoordiger binnen en buiten de organisatie van Hallmark te veel zijn eigen weg gaat, ondanks herhaalde waarschuwingen dat hij zich strikt aan de afspraken en werkwijzen van Hallmark dient te houden.

3.2 Zo heeft [verweerder] met betrekking tot het Kerst-/Nieuwjaarsseizoen 2004/2005 bij de door hem bezochte afnemers van de wenskaarten van Hallmark vele retourbonnen geschreven voor Kerst-/Nieuwjaarskaarten waarvoor geen recht van retour gold. Hallmark heeft de ten onrechte door [verweerder] retour genomen wenskaarten aan de afnemers moeten crediteren, waardoor [verweerder] schade heeft veroorzaakt. Ook is [verweerder] in weerwil van de voorgeschreven en strak geregisseerde en geregistreerde werkwijze rondom het aan haar afnemers ter beschikking stellen van displaykasten en wenskaartenmolens, en zonder daartoe toestemming te hebben verkregen, meermalen zelf naar het distributie-centrum van Hallmark gereden om displaymateriaal voor “zijn” klanten op te halen en vervolgens bij die klanten te bezorgen, en vice versa. Door aldus te handelen heeft [verweerder] de logistieke distributie van dit materiaal in de war gebracht. De relatie tussen [verweerder] en de binnendienst van Hallmark is door zijn eigenmachtige handelwijze meermaals ernstig onder druk komen te staan.

Verder heeft [verweerder] zich ook schuldig gemaakt aan te “servicegericht” relatiebeheer, waarbij de belangen van Hallmark uit het oog werden verloren. Zo heeft [verweerder] tijdens het Kerst-/Nieuwjaarsseizoen 2004/2005 de kerstvoorraad die in opslag in het distributiecentrum van Hallmark lag, eigenmachtig aangevuld ten behoeve van een afnemer. Binnen een groot en strak georganiseerd bedrijf als Hallmark is het echter niet acceptabel dat medewerkers buiten de grenzen van hun taken en verantwoordelijkheden treden.

Tijdens een gesprek op 20 januari 2005 is [verweerder] door zijn toenmalig leidinggevende erop gewezen dat vorenomschreven incidenten volstrekt onaanvaardbaar waren voor Hallmark, hetgeen ook bij brief van 31 januari 2005 aan [verweerder] is bevestigd.

3.3 Ondanks dit gesprek en deze brief is Hallmark gebleken dat [verweerder] zich niet conformeerde aan de voorgeschreven werkwijzen. Kort na dit gesprek heeft [verweerder] namelijk opnieuw zonder toestemming displaykasten geleverd aan een klant. Hierop heeft Hallmark [verweerder] op 2 februari 2005 een schriftelijke waarschuwing verstrekt.

Op 27 oktober 2005 constateerde Hallmark dat [verweerder] in het distributiecentrum in de weer was met het in- of uitladen van displaymateriaal in zijn auto, terwijl zij [verweerder] er al meermalen op had gewezen dat hij zich aan zijn eigen taken en verantwoordelijkheden als vertegenwoordiger diende te houden, en niets te zoeken had in het distributiecentrum.

In de aanloop naar het Kerst-/Nieuwjaarsseizoen 2005 heeft [verweerder] voorts een klant die aangesloten was bij een keten van winkels (“TotaalGemak”), zonder toestemming, medegedeeld dat de bevoegde account manager een recht van retour van de kerstcollectie “voor deze ene keer door de vingers zag.”. De verkoopcondities voor dergelijke aangesloten bedrijven worden echter op het hoofdkantoor uitonderhandeld door een accountmanager. Een mededeling als door [verweerder] gedaan kan een precedentwerking hebben voor overige bij die keten van winkels aangesloten bedrijven, in die zin dat deze van hetzelfde voordeel zouden willen profiteren, hetgeen [verweerder] zich had behoren te realiseren. Een dergelijke handelwijze is dan ook onacceptabel.

Voorts presenteert [verweerder] -ondanks hem vanuit Hallmark gegeven instructies- soms nog bepaalde (kortings)voorstellen ten behoeve van afnemers aan zijn leidinggevende, ter zake waarvan hij, met een dergelijk lang dienstverband, zich dient te realiseren dat deze voor Hallmark oncommercieel en oninteressant zijn, en waarvan zijn leidinggevende de haren te berge rijzen.

In een gesprek op 17 november 2005 is [verweerder] vanuit Hallmark er wederom op gewezen dat zijn handelwijze absoluut niet door de beugel kon. Ook is hem te verstaan gegeven dat hij één en ander met betrekking tot de TotaalGemak-winkel alsnog binnen de geldende condities diende op te lossen. Ondanks de door [verweerder] bij deze TotaalGemak-winkel veroorzaakte problematiek en hetgeen daaromtrent op 17 november 2005 was besproken, verzocht [verweerder] op 24 november 2005 aan zijn leidinggevende om aan een andere TotaalGemak-winkel eveneens een recht van retour voor de te leveren Kerst- en Nieuwjaarskaarten te mogen verlenen. Daarbij deed [verweerder] echter een beroep op de zogeheten “Joker-regeling”, die inhoudt dat een beperkt aantal klanten onder bepaalde condities middels het inzetten van een Joker in aanmerking kan komen voor het recht van retour. Een verzoek tot het inzetten van een Joker dient echter vóór 1 september van het betreffende kalenderjaar doorgegeven te zijn aan de leidinggevende van de betreffende vertegenwoordiger in verband met de productievoorbereidingen. [verweerder] was met dit verzoek derhalve rijkelijk te laat, en week andermaal af van de hem bekende geldende procedure. Daarbij komt nog dat [verweerder], ondanks een daartoe strekkend verzoek van zijn leidinggevende, verzuimd heeft de voor het beoordelen van het verzoek benodigde achtergrondinformatie te verstrekken.

3.4 Door al genoemde voorvallen was voor Hallmark -en met name voor de leidinggevenden van [verweerder]- de maat vol. Tijdens een intern overleg werd gemeenschappelijk geconcludeerd dat op deze wijze niet met [verweerder] te werken was en dat elk vertrouwen ontbrak dat [verweerder] zich alsnog zou kunnen conformeren aan hetgeen van hem werd verwacht. Daaraan heeft Hallmark toegevoegd dat zij aanwijzingen heeft dat de door [verweerder] opgemaakte dagrapportages niet stroken met de conclusies welke uit het ordersysteem te trekken zijn, hetgeen voor haar echter niet meer van doorslaggevend belang is. In verband met het verloren vertrouwen heeft Hallmark [verweerder] in een gesprek op 13 december 2005 laten weten dat en waarom zij geen heil meer zag in voortzetting van de arbeidsovereenkomst, en hem vrijgesteld van zijn werkzaamheden. Partijen zijn er daarna niet in geslaagd tot een minnelijke afwikkeling van de arbeidsovereenkomst te komen, zodat Hallmark thans via deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt.

Nu [verweerder] het door zijn handelwijze zover heeft laten komen dat het vertrouwen in hem moest worden opgezegd, ziet Hallmark geen aanleiding [verweerder] ingeval van ontbinding enige vergoeding toe te kennen.

4. Het verweer

4.1 [verweerder] heeft het verzoek gemotiveerd weersproken en heeft daartoe -zakelijk en verkort weergegeven- het navolgende aangevoerd.

4.2 Sinds zijn indiensttreding heeft Hallmark [verweerder] er keer op keer blijk van gegeven zeer tevreden te zijn over zijn functioneren. Binnen Hallmark vervulde [verweerder] jarenlang een voorbeeldfunctie, en heeft hij in het verleden op instigatie van zijn leidinggevende herhaaldelijk de rol van mentor voor nieuwe collega’s in de buitendienst op zich genomen. Daarnaast heeft hij -onder meer- de taak toebedeeld gekregen nieuwe collega’s in te werken en buitenlandse gasten bij hun bezoek aan Hallmark mee de markt in te nemen. Ook behaalt [verweerder] jaarlijkse de hem gestelde targets. In 2005 is [verweerder] tot twee maal toe een individuele loonsverhoging op persoonlijke gronden toegekend. De door Hallmark naar voren gebrachte incidenten zijn slechts kleine incidenten die op geen enkele wijze aantonen dat er een reële reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat.

4.3 [verweerder] zoekt de oorzaak van de tegen hem gestarte hetze in de wijziging van de (personele) structuur van de organisatie van Hallmark. Vóór 2002 verliep de samenwerking met de toenmalige rayoncoördinator goed. Na diens vertrek is de coördinatie van het team waarin [verweerder] werkzaam is, ongeordend verlopen. De nieuwe coördinator werd vrij kort na zijn komst overspannen en vervolgens ontslagen, waarna een andere coördinator werd belast met dit team, naast zijn eigen team. Wegens tijdsgebrek van die coördinator werden de vertegenwoordigers van het team van [verweerder] gedwongen zoveel mogelijk zelf te opereren. Per 1 januari 2005 is [verweerder] onder een andere coördinator komen te werken, met wie de samenwerking niet goed verloopt. De wijziging van de structuur heeft verder tot een verharding van de bedrijfspolitiek bij Hallmark geleid, waardoor er een aantal misverstanden en wrijvingen tussen [verweerder] en zijn leidinggevende zijn ontstaan, welke echter niet onoverkomelijk zijn. Teneinde mogelijke misverstanden te bespreken en te overleggen op welke wijze hij zijn werkzaamheden in de nieuwe bedrijfsvisie van Hallmark het beste kan verrichten, heeft [verweerder] verscheidene malen aangegeven een gesprek te willen met zijn coördinator, en daarop aangedrongen, in het bijzonder na het gesprek van 17 november 2005. Zij bleek daartoe geen tijd te willen vrijmaken. Toen [verweerder] de dag ervoor van zijn leidinggevende vernam dat hij op 13 december 2005 op kantoor werd verwacht, ging hij ervan uit dat het door hem gewilde gesprek eindelijk zou plaatsvinden. Tijdens dat gesprek werd hem echter duidelijk dat Hallmark het dienstverband wenste te beëindigen, en hem vrijstelde van zijn werkzaamheden. Hiertegen heeft [verweerder] uitdrukkelijk geprotesteerd. In de periode daarna heeft [verweerder] geruime tijd moeten wachten op een teken van leven van Hallmark. Onderwijl werd hij echter wel door zijn klanten gebeld, die niet op de hoogte bleken te zijn gesteld door Hallmark van de situatie. [verweerder] heeft deze klanten derhalve zelf moeten informeren, waardoor zowel [verweerder] als deze klanten zich ongemakkelijk voelden. [verweerder] heeft Hallmark vervolgens zelf verzocht deze klanten te informeren, waaraan Hallmark bij brief van 29 december 2005 uiteindelijk opvolging heeft gegeven.

Ook andere collega’s zijn in 2005 de dupe geworden van het beleid van Hallmark. Zo zijn er in het afgelopen jaar meer dan 20 werknemers al dan niet vrijwillig vertrokken.

4.4 Ten aanzien van de door Hallmark in het verzoekschrift genoemde incidenten heeft [verweerder] -zakelijk en verkort weergegeven- het navolgende gesteld:

- [verweerder] heeft geen bonnen uitgeschreven voor klanten die geen recht van retour hadden. In een zeer uitzonderlijk geval is het voorgekomen dat hij een product heeft teruggenomen waarvoor het recht van retour niet gold, hetgeen overigens positief heeft uitgepakt voor Hallmark. [verweerder] is daarover ook eerlijk geweest tegenover zijn leidinggevende. Ter zake heeft op 20 januari 2005 een constructief gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en zijn coördinator, waarna deze kwestie leek te zijn afgedaan. [verweerder] kon zich dan ook niet vinden in de inhoud van de na dit gesprek door de coördinator aan hem gezonden brief, en heeft bij brief van 13 februari 2005 tegen de inhoud daarvan geprotesteerd.

- De organisatie en distributie van het displaymateriaal is, anders dan door Hallmark gesteld, niet zeer goed geregeld en geregistreerd. [verweerder] heeft in een enkel geval het benodigde materiaal opgehaald, doch niet stelselmatig of op eigen houtje, maar in overleg met de customerservice. Anders dan Hallmark beweert, heeft [verweerder] zeer goede contacten met medewerkers van de binnendienst. Hetgeen op 27 oktober 2005 is gebeurd is, anders dan Hallmark doet voorkomen, in goede harmonie verlopen. Het lijkt er op dat Hallmark [verweerder] ten onrechte tracht zwart te maken.

- [verweerder] betwist voorts dat hij, zoals Hallmark stelt, zonder toestemming displaykasten zou hebben geleverd aan een klant. In dat kader heeft [verweerder] een schriftelijke reactie van de betreffende winkelier overgelegd.

- Sinds 2002 heeft [verweerder] steeds toestemming van zijn leidinggevenden verkregen voor het eventueel opslaan van voorraden. Deze werkwijze is in 2002 geïnitieerd door de toenmalige coördinator. Indien Hallmark inmiddels een andere werkwijze wil invoeren, dient zij dat met betrokkenen te besproken, hetgeen niet is gebeurd.

- [verweerder] had zich tevoren verdiept in de eerder bekend gemaakt condities met betrekking tot de TotaalGemak-winkel, doch trof slechts condities uit 2002 aan, waaruit bleek dat de voorganger van deze winkel onder bepaalde voorwaarden 30 % retour mocht sturen. Ook in 2004 was op deze wijze zaken gedaan. Ten tijde van het opstellen van de conceptorder heeft [verweerder] navraag gedaan bij zijn collega’s omtrent enige wijziging in de condities, die daar niets van wisten. De klant zelf wist te melden dat er vanuit Hallmark sinds 2002 ter zake niets was gecommuniceerd. Derhalve kon [verweerder] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de condities niet veranderd waren sinds 2002. [verweerder] betwist dat hij daaromtrent, al dan niet namens de accountmanager, toezeggingen aan de klant heeft gedaan. Pas veel later werden de nieuwe voorwaarden van TotaalGemak aldaar gecommuniceerd, als gevolg waarvan het recht van retour volledig kwam te vervallen indien de klant niet slechts producten van Hallmark afnam. De betreffende klant heeft [verweerder] hierop benaderd en hem gevraagd of hij kon nagaan of het te regelen was dat er opnieuw tegen de vertrouwde condities werd gehandeld. Van zijn accountmanager kreeg [verweerder] te horen dat dit niet mogelijk was, zodat de order geannuleerd zou moeten worden. Deze accountmanager was bereid het probleem op te lossen onder de voorwaarde dat hij met de klant kon onderhandelen over verhoging van de totale concentratie Hallmark producten aldaar. Omdat de kwestie haast had en de klant [verweerder] benaderde, heeft [verweerder] getracht het zo goed mogelijk met haar uit te onderhandelen, met welk resultaat de accountmanager het uiteindelijk niet eens bleek. Op 17 november 2005 is over dit incident gesproken, waarbij bleek dat Hallmark ten onrechte dacht dat [verweerder] harde toezeggingen had gedaan aan de klant. Uiteindelijk is de situatie voor alle partijen naar tevredenheid opgelost, en heeft de account manager een standje gekregen voor zijn optreden.

- Ten aanzien van de door Hallmark genoemde oninteressante voorstellen merkt [verweerder] op dat daaruit in ieder geval blijkt dat hij overleg voert met zijn leidinggevenden voordat hij een deal sluit. Indien hij in de ogen van Hallmark geen interessante voorstellen doet aan zijn leidinggevende, mag van laatstgenoemde verwacht worden dat deze meedenkt en coachend optreedt. Dat [verweerder] geen commercieel inzicht zou hebben, strookt voorts niet met het feit dat hij jarenlang als vertegenwoordiger zijn targets heeft behaald en zijn klanten naar tevredenheid heeft bediend. Het door Hallmark genoemde kortingsvoorstel is voorts niet door [verweerder] geïnitieerd, maar door zijn toenmalige coördinator.

- Verder is de koffier van [verweerder] met daarin de werkmap waarin de Jokers zaten, in het voorjaar van 2005 ontvreemd, waardoor hij het Joker-verzoek niet op tijd kon doen. Hallmark is daarvan op de hoogte.

4.5 [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek, en subsidiair, voor zover desondanks de onderhavige arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, tot toekenning van een vergoeding aan [verweerder], ten laste van Hallmark, met toepassing van de kantonrechtersformule, uitgaande van een correctiefactor 2, gelet op de onbetamelijke handelwijze van Hallmark.

5. De beoordeling

5.1 Door Hallmark is onweersproken gesteld dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod, zodat de kantonrechter van de juistheid van die mededeling zal uitgaan.

5.2 Uit de door partijen overgelegde stukken en hetgeen door partijen bij de behandeling van het verzoek naar voren is gebracht, is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden welke van dien aard is dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet langer tot de mogelijkheden behoort, en die derhalve een gewichtige reden vormt voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van Hallmark zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

5.3 De kantonrechter acht termen aanwezig aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen en zal daarbij aanknopen bij de kantonrechtersformule. Overwogen wordt als volgt.

Voldoende gebleken is dat [verweerder] ondanks meerdere aansporingen daartoe zijn handelwijze niet in voldoende mate heeft aangepast zoals Hallmark op redelijke gronden van hem verlangde en zoals zij als werkgeefster ook mocht verlangen.

In zoverre valt [verweerder] een verwijt te maken van de ontstane situatie.

Hiertegenover staat echter [verweerder]s langjarige dienstverband, waarbinnen hij (voor het overige) naar behoren heeft gefunctioneerd.

Op grond van deze argumenten ligt een correctiefactor c = 0,75 in de rede, ware het niet dat ook gewicht moet worden toegekend aan de constatering dat Hallmark zich onvoldoende heeft ingespannen om [verweerder] weer op het rechte pad te krijgen, bijvoorbeeld door middel van trainingen, intervisie of andersoortige begeleiding. Daarvan is immers in het geheel niet gebleken, hoewel dat wel gepast zou hebben.

Daar komt bij de door Hallmark aan [verweerder] plotseling opgelegde ‘vrijstelling van

werkzaamheden’ (hetgeen toch makkelijk wordt uitgelegd als een ‘op non-actief stelling’: in ieder geval kan deze benaming het diffamerende karakter van de maatregel niet verhullen), evenals de wijze waarop deze inmiddels binnen en buiten de organisatie bekend is geworden. Zeker gelet op de goede relaties die [verweerder] met zijn klanten onderhield.

Door zo te handelen heeft Hallmark elke weg terug voor [verweerder] definitief afgesloten.

Met andere woorden: de kantonrechter is er niet van overtuigd is dat de situatie dusdanig ernstig was dat de door Hallmark gekozen handelwijze gerechtvaardigd was, en dat er geen minder vergaande mogelijkheden waren (en de voorkeur hadden verdiend).

De conclusie is derhalve dat ook Hallmark (een niet gering) verwijt treft.

Alles overwegende acht de kantonrechter een correctiefactor c = 1,25 op de plaats.

5.4 De kantonrechter ziet geen aanleiding het eerdere dienstverband van 6 maanden uit 1988 bij de berekening van de vergoeding te betrekken. Ook dient de gestelde bonus bij de berekening van de vergoeding buiten beschouwing te blijven, nu niet, althans onvoldoende, is gebleken dat het hier zou gaan om een niet-variabele, structurele bonus.

5.5 Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat het billijk is [verweerder] ingeval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding van -afgerond- € 48.000,00 bruto toe te kennen.

5.6 Nu Hallmark geen vergoeding heeft aangeboden, zal zij op grond van het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW een termijn krijgen om haar verzoek in te trekken.

5.7 De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren op na te melden wijze.

6. De beslissing

De kantonrechter:

- bepaalt dat Hallmark tot en met vrijdag 21 april 2006 bevoegd is haar verzoek tot ontbinding schriftelijk in te trekken, waarbij bepalend zal zijn het moment van ontvangst van de intrekking ter griffie;

en voor het geval Hallmark het verzoek niet tijdig intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2006;

- kent aan [verweerder], ten laste van Hallmark, een vergoeding toe ter hoogte van

€ 48.000,00 (achtenveertigduizend euro) bruto, en veroordeelt Hallmark voormeld bedrag na de datum van ontbinding aan [verweerder] te voldoen;

en in beide gevallen:

- compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.