Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV7272

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
28-03-2006
Zaaknummer
05/4499
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesteld is dat verweerder te weinig meedenkt over de vraag hoe eiser aan de regels kan voldoen. Onweersproken is gesteld dat eiser steeds na iedere waarschuwing tot handelen is overgegaan. Een zorgvuldige bejegening van eiser brengt mee - onverminderd eisers verantwoordelijkheid voor het schoon zijn van de bedrijfsruimte - dat verweerder bij het geven van een waarschuwing inzicht geeft in de wijze waarop naar diens oordeel aan de verplichtingen kan worden voldaan.

Artikel 31, eerste lid, van de Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen brengt niet mee dat indien een bedrijf werkt volgens de hygiënecode verweerder uitsluitend dient na te gaan of de hygiënecode is nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 05/4499 NIFT

Uitspraak

in het geding tus[c], wonende te [b], h.o.d.n. Bakkerij [c], eiser,

gemachtigde mr. C.J.J. Havermans,

en

De minister van Volksgezondheid, welzijn en sport, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 7 januari 2005 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hem een boete wordt opgelegd van € 1.350,00 omdat de bedrijfsruimte van de bakkerij niet schoon was.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 februari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 26 september 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 7 februari 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Costa Canas.

2. Overwegingen

Bij de beoordeling van het geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser exploiteert bakkerij [c] te [b].

Op 25 juni 2003 heeft inspectie van de bedrijfsruimten plaatsgevonden door een controleambtenaar, waarbij is geconstateerd dat de bedrijfsruimte niet schoon was. Naar aanleiding van die inspectie is eiser een schriftelijke waarschuwing gegeven.

Op 14 november 2003 heeft inspectie van de bedrijfsruimten plaatsgevonden door een controle-ambtenaar, waarbij is geconstateerd dat de bedrijfsruimte niet schoon was. Naar aanleiding van die inspectie heeft verweerder eiser een boete opgelegd.

Op 9 september 2004 heeft opnieuw inspectie van de bedrijfsruimten plaatsgevonden, waarvan de controleambtenaar op 11 oktober 2004 proces-verbaal heeft opgemaakt en waarbij de controleambtenaar heeft geconstateerd dat in het bakkerijgedeelte van de winkel de omgeving van de vriescel en koelcel niet schoon was. Een plafondplaat bij de achterwand van de ruimte was vervuild met een schimmelplek, vettige aanslag en verslijmd vocht. Boven de vriescel en koelcel ontbrak een rij plafondplaten. Het plafond dat erboven zichtbaar was, was verontreinigd met spinnenwebben en een vettige aanslag. De wanden waren aangezet met een geel gekleurde vettige aanslag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 32a, eerste lid, van de Warenwet bepaalt dat ter zake van de in de bijlage bij die wet omschreven overtredingen de minister een boete kan opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 1a, aanhef en onder b, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (hierna: het Warenwetbesluit) wordt in het Warenwetbesluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bedrijfsruimte: de ruimte kennelijk bestemd voor het bereiden, behandelen, verpakken of het bewaren van eet- of drinkwaren, alsmede de bij bereiders van eet- of drinkwaren in gebruik zijnde ruimte voor het bewaren van grondstoffen.

In artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit is bepaald dat het verboden is eet- en drinkwaren te bereiden, te behandelen, te verpakken, te bewaren of te vervoeren, anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dat Besluit gestelde voorschriften.

In artikel 1, aanhef en onder b, van de Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen (hierna: de Regeling) wordt verstaan onder hygiëne: alle maatregelen die, na de primaire productie, noodzakelijk zijn om de veiligheid en deugdelijkheid van eet- en drinkwaren te waarborgen tijdens bereiding, verwerking, behandeling, verpakking, vervoer, distributie en verhandeling daarvan;

In artikel 6, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat bedrijfsruimten schoon zijn, goed onderhouden en voldoende verlicht door dag- of kunstlicht.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Regeling - voor zover hier van belang - kunnen vertegenwoordigers van daarvoor in aanmerking komende sectoren van de levensmiddelenindustrie hygiënecodes opstellen waarin beschreven is op welke wijze bepaalde eet- of drinkwaren op zodanig hygiënische wijze bereid, verwerkt, behandeld, verpakt, vervoerd, gedistribueerd of verhandeld kunnen worden dat ter zake voldaan kan worden aan: (...)

b. artikel 6 tot en met artikel 12 (...) van deze Regeling.

In artikel 31, vijfde lid, van de Regeling is het bepaald dat de exploitant van een levensmiddelenbedrijf dat gebruik maakt van de hygiënecode, bedoeld in het vierde lid van artikel 31 van de Regeling:

a. voldoet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben;

b. voldoet niet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij niet handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben.

Aan overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Regeling is in onderdeel D-63.5.4 van de bijlage van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten een geldboete verbonden die voor ondernemingen met minder dan 50 werknemers op € 900,- is vastgesteld.

In artikel 3, derde lid, van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten is bepaald dat het bedrag van de boete kan worden verhoogd indien de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend, voor een soortgelijke overtreding eerder is beboet en er nog geen twee jaar zijn verlopen sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en de ernst van de overtreding, de mate waarin de natuurlijke of rechtspersoon de overtreding kan worden verweten of de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden, daartoe aanleiding geven.

Door eiser is niet betwist dat naar aanleiding van inspectie van het bedrijf op 25 juni 2003 een waarschuwing is gegeven en naar aanleiding van inspectie van het bedrijf op 14 november 2003 een boeterapport is opgemaakt terzake van het niet schoon zijn van de bedrijfsruimte.

Eiser heeft gesteld dat indien een bedrijf werkt volgens de hygiënecode verweerder uitsluitend dient na te gaan of de hygiënecode is nageleefd. Volgens eiser heeft hij gehandeld overeenkomstig de hygiënecode. Daaruit volgt volgens eiser dat verweerder niet bevoegd zou zijn een boete ter zake van artikel 6 van de Regeling op te leggen.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het bestreden besluit onvoldoende acht is geslagen op de omstandigheden van het geval. Eiser heeft begin 2004 maatregelen getroffen, waarvoor verweerder in een eerdere boetebeschikking zijn waardering heeft uitgesproken. Het betrof vernieuwing van de diepvriesvloer, vernieuwing van de vloer van de koelcel, vernieuwing van het plafond, het aanbrengen van een coating, het aanbrengen van tegels op de wanden en het vervangen van plinten. Eiser heeft erop gewezen dat de verontreiniging gering was van omvang en zich op ongevaarlijke plaatsen bevond. De schimmelvorming deed zich namelijk voor bij de achterwand van de vriescel, terwijl die nagenoeg constant is gesloten. De constatering dat sprake was van een geelkleurige vettige aanslag op de wanden heeft eiser betwist. Op de wanden was langzaam drogende lijm aangebracht voor het plaatsen van nieuwe tegels. De tegels mochten pas na enkele weken worden schoongemaakt. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat de constatering aan de plafondplaat bij de achterwand het gevolg was van complicaties bij het vervangen van het plafond. Het plafond was compleet maar een plafondplaat was weggehaald voor het plaatsen van de tegels. Het was voor eiser niet mogelijk het bedrijf tijdelijk te sluiten.

Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder te weinig met hem meedenkt over de vraag hoe hij aan de regels kan voldoen. Eiser is steeds na iedere waarschuwing tot handelen overgegaan. Verweerder verzuimt in te gaan op de totale situatie. Bij iedere controle is er wel iets te vinden, waarvoor een boete kan worden opgelegd. De geconstateerde overtreding ziet op een klein deel van de ruimte, zodat niet gezegd kan worden dat de (hele) bedrijfsruimte niet schoon was.

Verweerder heeft gesteld dat eiser noch aan artikel 6 van de Regeling, noch aan de hygiënecode heeft voldaan. Op grond van het proces-verbaal heeft verweerder vastgesteld dat sprake was van een geelkleurige vettige aanslag op de wanden, waarbij hij - kennelijk - niet van belang heeft geacht of al dan niet sprake was van lijm. Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het treffen van maatregelen na een inspectie geen reden vormt om tot intrekking of verlaging van de boete over te gaan. Gesteld is voorts dat de beboete overtreding een gevaarzettingsdelict is, waarbij wordt opgetreden omdat de overtreding gevaar oplevert voor de volksgezondheid, ook al is er geen direct gevaar voor de gezondheid van individuele, aanwijsbare personen.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt artikel 31, eerste lid, van de Regeling niet mee dat indien een bedrijf werkt volgens de hygiënecode verweerder uitsluitend dient na te gaan of de hygiënecode is nageleefd. Verweerder is bevoegd zowel de naleving van artikel 31 als van de andere bepalingen van de Regeling te handhaven. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen in haar uitspraak in de procedure BC 04/3258, welke uitspraak bij gemachtigde van eiser bekend is, wordt de stelling dat hij voldoet aan het bepaalde in artikel 6 van de Regeling, doordat hij gebruik maakt van een hygiënecode, verworpen. Artikel 31 van de Regeling heeft betrekking op het volgen van de juiste procedures, terwijl artikel 6 van de Regeling betrekking heeft op het daarmee te bereiken resultaat. De rechtbank volgt eiser niet in zijn opvatting dat hij door de juiste procedures te volgen per definitie voldoet aan de in artikel 6 van de Regeling neergelegde norm.

Naar het oordeel van de rechtbank doet de omstandigheid dat eiser begin 2004 maatregelen heeft getroffen, niet af aan de bij de inspectie van 9 september 2004 gedane constateringen.

Door eiser is gesteld, hetgeen van de zijde van verweerder niet weersproken is, dat eiser steeds na iedere waarschuwing tot handelen is overgegaan. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat een zorgvuldige bejegening van eiser meebrengt - onverminderd eisers verantwoordelijkheid voor het schoon zijn van de bedrijfsruimte - dat verweerder bij het geven van een waarschuwing inzicht geeft in de wijze waarop naar diens oordeel aan de verplichtingen ingevolge het Warenwetbesluit kan worden voldaan.

Niet is komen vast te staan of de in het proces-verbaal genoemde geel gekleurde vettige aanslag, waarmee de wanden waren aangezet lijm betrof, hetgeen eiser heeft gesteld. Het proces-verbaal geeft hierover geen uitsluitsel en verweerder heeft daarnaar geen nader onderzoek gedaan.

Eiser heeft echter de overige constateringen van de controleambtenaar bij de inspectie op 9 september 2004 niet betwist. De omstandigheid dat een plafondplaat was weggehaald in verband met het opnieuw betegelen van de wand, laat onverlet dat de bedrijfsruimte schoon moet zijn. Ook is geconstateerd dat een rij plafondplaten ontbrak, waarboven verontreiniging zichtbaar was. Daarmee is niet gebleken dat de controleambtenaar in zoverre bij het opmaken van zijn boeterapport van onjuiste bevindingen is uitgegaan.

De op 9 september 2004 geconstateerde feiten zijn door eiser dan wel onder diens verantwoorde-lijkheid begaan, zodat deze overtreding aan eiser toegerekend dient te worden.

Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat eiser artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit in verbinding met artikel 6 van de Regeling heeft overtreden en dat deze overtreding aan hem kan worden toegerekend, zodat verweerder bevoegd was terzake een boete op te leggen.

Met betrekking tot de toepassing van deze bevoegdheid volgt verweerder de gedragslijn dat bij ernstige of herhaalde overtreding van de voorschriften niet met een schriftelijke waarschuwing kan worden volstaan, maar tot oplegging van een boete wordt overgegaan. Wanneer er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds een vorige boete voor een zelfde feit, kan een hogere boete worden opgelegd. Als deze tweede overtreding binnen de marges van een gemiddeld ernstige overtreding valt, dan zal de boete met 25% worden verhoogd. Is de tweede overtreding te classificeren als een meer dan gemiddeld ernstige overtreding, dan zal een verhoging van 50% worden toegepast.

Uit de hiervoor aangehaalde regelgeving volgt dat bedrijfsruimten schoon dienen te zijn, waarbij geen uitzondering wordt gemaakt voor mogelijk minder gevaarlijke plaatsen in de bedrijfsruimte.

In aanmerking genomen het zwaarwegende belang dat is gediend met normhandhaving, gelet op de ernst van de overtreding en het daaruit voortvloeiende voedselveiligheidsrisico en gelet op de omstandigheid dat sprake is van een herhaalde overtreding, kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid tot oplegging van een boete gebruik te maken. Niet is gebleken dat eiser van de overtreding geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

In de bijlage van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten is een systeem van gefixeerde boetebedragen vastgelegd. Ingevolge artikel 32a van de Warenwet kan de minister de boete lager stellen dan is bepaald in de bijlage, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.

Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.

In zijn uitspraken van 5 april 2005 (LJN AT5952 en AT5955) heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven geoordeeld dat de wetgever met het systeem van gefixeerde boetebedragen reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. In beginsel moet worden geabstraheerd van de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden is gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid geboden.

Gelet op de ernst van de overtreding en het daaruit voortvloeiende voedselveiligheidsrisico en gelet op de omstandigheid dat sprake is van een herhaalde overtreding, hetgeen een soortgelijke overtreding betrof waarvoor eiser is beboet, heeft verweerder terecht overeenkomstig zijn vaste gedragslijn de boete bepaald op 150% van het in de bijlage vermelde boetebedrag van € 900,-. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan matiging van de boete is geboden. De rechtbank acht de boete niet onevenredig hoog.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte stand, zodat het daartegen gerichte beroep ongegrond is.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.