Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV6083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
21-03-2006
Zaaknummer
05/4718
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:15 Awb De destijds in bezwaar gemaakte kosten kunnen in deze procedure niet opnieuw aan de orde komen. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser niet toegewezen kan worden omdat verweerder er redelijkerwijs van uit heeft mogen gaan dat er na de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2005 geen nieuwe kosten meer door eiser zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WAO 05/4718 HOU

Uitspraak

in het geding tussen

[Belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vestiging Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder eiser meegedeeld dat over de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 december 2000 gedeeltelijk onverschuldigd uitkering is betaald en dat verweerder het dientengevolge onverschuldigd betaalde bedrag van € 6012,05 van eiser terugvordert.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 15 november 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 februari 2005 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 juli 2005 (WAO 05/848 HAM1) het beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2005 vernietigt.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 20 september 2005 het bezwaar gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de periode en de hoogte van de terugvordering. Verweerder heeft de terugvordering gehandhaafd over de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999, waarbij het teruggevorderde bedrag is vastgesteld op € 1334,38 bruto/ € 1326,12 netto.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is door eiser bij brief van 5 oktober 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 oktober 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2006. Aanwezig was eiser. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

Eiser is ten gevolge van rugklachten op 21 mei 1980 uitgevallen voor zijn werk als stuwer, waarna aan hem een uitkering ingevolge de Algemene Arbeids-on-ge-schikt-heidswet (hierna: AAW) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) is toe-ge-kend, be-rekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Nadat eiser werk had aan-vaard bij Multibedrijven is zijn uitkering, onder toepassing van de (kortings)artikelen 33 en 44 van res-pec-tie-velijk de AAW en WAO, betaald als ware eiser ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Per 1 januari 1998 is de AAW-uitkering ingetrokken.

In verband met uitval heeft verweerder de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 21 november 1998 herzien naar een mate van ar-beids-ongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiser is vanaf 26 juli 1999 volledig gaan werken bij Multibedrijven als conciërge. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij besluit van 22 november 2000 aan eiser medegedeeld dat eiser, zolang niet vast staat dat de door hem verrichte arbeid leidt tot herziening van zijn mate van arbeids-ongeschiktheid, ingedeeld blijft in de klasse van 80 tot 100%, maar dat hij vanaf 26 juli 1999 een uitkering ontvangt berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft eiser be-zwaar gemaakt bij brief van 28 november 2000. Bij besluit op bezwaar van 6 april 2001 heeft ver-weerder dit be-zwaar ongegrond verklaard, waarbij verweerder heeft aangegeven dat in het besluit van 22 november 2000 ten onrechte de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% is vermeld en dat dit 35 tot 45% dient te zijn. Voor de uitbetaling van de uitkering is besloten onveranderd de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25% te veronderstellen. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte vast-staat.

Bij besluit van 14 maart 2001 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de WAO, die is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, per 1 februari 2001 ongewijzigd wordt voortgezet. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit op bezwaar van 28 januari 2002 gegrond verklaard, waarbij het besluit van 14 maart 2001 is ingetrokken. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser vanaf 21 november 1998 onafgebroken ingedeeld is in de arbeids-on-geschiktheidsklasse 80 tot 100%. Tevens heeft verweerder overwogen dat eisers inkomsten uit arbeid zijn verrekend met zijn uitkering, zodat de indeling voor de uitbetaling feitelijk niets heeft uit-ge-maakt. De rechtbank constateert dat hiermee feitelijk de beslissing van 6 april 2001 is ingetrokken; maar dan uitsluitend voor de mate van arbeidsongeschiktheid. De beslissing van 6 april 2001 over de uitbetaling per 26 juli 1999 is in stand gebleven. In de beslissing van 28 januari 2002 heeft verweerder daar ook op gewezen.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Het beroep hiertegen is gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de terugvorderingsperiode en de hoogte van de terugvordering. Verweerder heeft hierbij overwogen dat vast staat dat eiser over de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999 geen recht had op een volledige WAO-uitkering, maar in verband met zijn inkomsten recht had op een uitkering naar een mate van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 22 november 2000 is in verband hiermee een herzieningsbeslissing genomen. Nu vast-staat dat eiser te veel WAO-uitkering heeft ont-vangen, dient verweerder het teveel betaalde terug te vorderen. Het terugvorderingbedrag is teruggebracht naar een bedrag van € 1334,38 bruto/ € 1326,12 netto, aldus verweerder.

In beroep heeft eiser — zakelijk weergegeven en voor zover van belang — aangevoerd dat hij in juni 1999 heeft meegedeeld aan verweerder dat hij met ingang van 26 juli 1999 zou gaan hervatten. Vervolgens heeft eiser rond 12 augustus 1999 met verweerder gebeld en doorgegeven dat hij een volledige uitkering had ontvangen. Eiser stelt dat de 5 dagen over juli 1999 die teveel zijn uitbetaald spijkers op laag water zoeken is. Tenslotte stelt eiser zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn verzoek om de in bezwaar gemaakte kosten, nader te specificeren, nu verweerder zich enkel gebaseerd heeft op de reeds bekende gegevens uit het dossier.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij in augustus 1999 al telefonisch aan verweerder heeft meegedeeld dat hij is gaan werken per 26 juli 1999. Verweerder heeft erg lang gewacht met de terugvordering en er is derhalve sprake van verjaring. Voorts heeft eiser nogmaals benadrukt dat hij zijn gemaakte kosten in bezwaar niet heeft kunnen specificeren; ter zitting heeft eiser aangegeven dat zijn totale kosten ongeveer € 270,- bedragen en bestaan uit het opvragen van giro afschriften, parkeergeld en het inwinnen van juridisch advies.

Artikel 44 van de WAO luidt — voorzover hier van belang — als volgt:

1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aan-gemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:

a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15% of

b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeids-ongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Artikel 57 van de WAO luidt — voorzover hier van belang — als volgt:

1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, als-mede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werk-nemers-ver-zekeringen van de belanghebbende teruggevorderd.

4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemers-verze-ke-ringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien

De rechtbank overweegt als volgt.

Het geschil heeft betrekking op de vraag of verweerder terecht een onverschuldigd betaald bedrag ad € 1334,48 bruto/ € 1326,12 netto over de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999, van eiser terugvordert.

De rechtbank stelt vast dat, hoewel verweerder in de richting van eiser verwarrend heeft gecom-mu-ni-ceerd wat betreft de voor eiser geldende arbeidsongeschiktheidsklasse, hij op één punt consistent is geweest in zijn correspondentie, te weten de vermelding van het percentage waarnaar eisers WAO-uit-kering in de periode in geding werd uitbetaald in verband met eisers inkomsten. In alle aan eiser toe-gezonden besluiten met betrekking tot de periode in geding heeft verweerder aangegeven dat eisers uit-kering in verband met zijn inkomsten uit arbeid werd uitbetaald als ware hij 15 tot 25% arbeids-ongeschikt.

Voorts stelt de rechtbank vast, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak (WAO 05/848 HAM1), dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was dat hij in de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999, teveel WAO-uitkering heeft ontvangen, eiser dit zelf heeft onderkend en verweerder daarvan op de hoogte heeft gesteld. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit twee telefoonrapporten van augustus 1999 blijkt dat eiser op de hoogte was van het feit dat hij teveel WAO-uitkering had ontvangen in de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999.

Gelet op het hierboven vermelde wettelijke kader is de rechtbank van oordeel dat verweerder de te veel betaalde uitkering van eiser over de periode van 26 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999 terug moet vorderen. De rechtbank is niet gebleken dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van de terugvordering.

Met betrekking tot de grief van eiser over de verjaring van de vordering overweegt de rechtbank dat in tegenstelling tot hetgeen verweerder in het bestreden besluit hierover opmerkt, de verjaringstermijn van vijf jaar aanvangt met het door verweerder genomen besluit van 20 november 2000. De rechtbank stelt vast dat ondanks het onjuiste uitgangspunt van verweerder de verjaringstermijn van 5 jaar niet is overschreden, nu de terugvordering op 5 oktober 2004 aan eiser bekend is gemaakt. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat eiser in augustus 1999 telefonisch aan verweerder heeft meegedeeld dat hij is gaan werken met ingang van 26 juli 1999.

Met betrekking tot de grief van eiser inzake het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar overweegt de rechtbank het volgende. Op 26 juli 2005 is er een uitspaak door de rechtbank gedaan waarbij ten aanzien van de proceskosten is geoordeeld dat niet is gebleken van kosten waarin een veroordeling zou kunnen worden uitgesproken. De destijds in bezwaar gemaakte kosten kunnen in deze procedure niet opnieuw aan de orde komen. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser niet toegewezen kan worden omdat verweerder er redelijkerwijs van uit heeft mogen gaan dat er na de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2005 geen nieuwe kosten meer door eiser zijn gemaakt. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nader gespecificeerde kosten ter zitting van ongeveer € 270,- zien op de periode van na de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2005.

Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op

9 maart 2006.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.