Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV5294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
202611 / HA ZA 03-2173
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2566, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Zandwinningsactiviteiten. Onvoldoende gemotiveerd betwist partijdeskundigenrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 202611 / HA ZA 03-2173

Uitspraak: 8 maart 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

1. [eiser sub 1}

en

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. M.A.T. Schroots,

advocaat mr. J.J.J. de Rooij te Tilburg,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

DE MAASOEVER NEDERHEMERT B.V.

gevestigd te Nederhemert,

2. de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

BOSKALIS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam.

Eisers worden hierna aangeduid als "[eiser sub 1] c.s." en gedaagden ieder voor zich als "Maasoever Nederhemert” en “Boskalis”.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 27 augustus 2003, herstelexploten d.d. 4 september 2003 en de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis, met producties;

- conclusie van dupliek;

- akte aan de zijde van [eiser sub 1] c.s., met producties;

- een brief van mr. Schroots d.d. 3 januari 2006, met bijlage;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities;

- de bij gelegenheid van de pleidooien door gedaagden overgelegde bescheiden (4 foto’s en een kaart betreffende de oude waterloop).

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

[Eiser sub 1] c.s. bewonen sedert 1978 een boerderij aan de Drielse Veldweg 35 te Velddriel, waar zij tot voor kort een kleinschalig agrarisch bedrijf voerden. Blijkens de bij conclusie van repliek overgelegde notariële akte d.d. 1 november 1978 is eiser sub 1 (in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met eiseres sub 2) eigenaar van deze boerderij, bestaande uit woonhuis, stalwagenschuur, kippenhok, erf, tuin en weiland.

2.2

In 1996 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan Maasoever Nederhemert vergunning verleend voor de uitbreiding van de zandwinningactiviteiten van de Hedelsche Bovenwaarden, waarna op de betreffende locatie zandwinningwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Boskalis en door Dekker Zandbaggerbedrijf B.V. (hierna: “Dekker”).

In 1999 is een natuurlijke barrière tussen de boerderij van [eiser sub 1] c.s. en de nabij gelegen plas waar de ontgrondingactiviteiten plaatsvinden (een kleilaag bij de zogenaamde ‘Donkere Dam’) verwijderd. Vanaf begin 2001 zijn op de betreffende locatie twee zandzuigers (de ‘Merwede 5’ en de ‘Nordland’) actief. Op de betreffende locatie worden momenteel nog steeds zandwinningwerkzaam-heden uitgevoerd.

2.3

Tot circa april 2001 vertoonden de opstallen van [eiser sub 1] c.s. geen noemenswaardige scheuren. In de loop van het jaar 2001 is scheurvorming opgetreden in de opstallen van [eiser sub 1] c.s.

De scheurvorming is zo ernstig dat, naast het losbrokkelen van het pleisterwerk, muren en ramen ontzet ra(a)k(t)en en deuren niet meer sluiten. Op verschillende plaatsen in het woonhuis zijn de scheuren zo groot dat het inregent. Met name het woonhuis werd getroffen door ernstige scheurvorming.

2.4

[Eiser sub 1] c.s. hebben onderzoeksbureau Royal Haskoning opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de oorzaken van de opgetreden scheurvorming in de opstallen aan de Drielse Veldweg 35 te Velddriel. Royal Haskoning heeft op 23 januari 2003 gerapporteerd (productie 9 bij dagvaarding).

In het rapport worden allereerst de mogelijke oorzaken/mechanismen voor de opgetreden scheurvorming geïnventariseerd. Het rapport vermeldt hieromtrent – voor zover hier van belang – het volgende:

“ De geconstateerde scheurvorming vanaf 2001 duidt op ontoelaatbare toename van verzakking van met name de hoeken van de woning. (…)

Op basis van visuele beoordeling van de opgetreden scheurvorming wordt door ons op constructieve en geotechnische gronden onderstaande schade oorzaken/mechanismen mogelijk geacht:

1. Verlaging van de grondwaterstand ten gevolge van de zandwinning. (…)

2. Locale verlaging van de grondwaterstand tegen gevolge van een defect riool (…);

3. (…) Extreme neerslag (…);

4. Bezwijken van de fundering als gevolg van bijvoorbeeld betonrot;

5. Verandering van belastingsituatie (…);

6. (Verkeers-)trillingen;

7. Piping en/of zettingsvloeiing in de diepe zandlaag;

8. Ligging van de panden op een breuklijn;

9. Opdrijven van de kelder.

(…)”.

In het rapport worden vervolgens de mogelijke oorzaken/mechanismen 2 t/m 9 nader beschouwd en uitgesloten dan wel niet waarschijnlijk geacht. Vervolgens wordt nader ingegaan op oorzaak/mechanisme 1. Het rapport vermeldt hieromtrent – voor zover hier van belang – het volgende:

“Naar aanleiding van het feit dat zich geen wijzigingen in de situatie hebben voorgedaan, behoudens een mogelijke verandering van natuurlijke grondwaterstanden (...), wordt vermoed dat de oorzaak is gelegen in het optreden van een lagere natuurlijke grondwaterstand in de periode van de zomer van 2001, dan in de jaren hiervoor.

Naar aanleiding van het feit dat het tijdstip waarop de schade is opgetreden vrij snel volgt op het tijdstip waarop de voormalige noordelijke plas ook bij lage waterstanden in open verbinding met de Maas is gesteld en de naar verwachting aanwezige sliblaag uit de noordelijke en zuidelijk plas is verwijderd, is ons inziens waarschijnlijk dat een verband tussen beide feiten aanwezig is.

In principe betekent de verbinding bij lage waterstanden van de noordelijke plas dat de lage waterstand van de Maas nu ook optreedt in de noordelijke plas, terwijl in het verleden de waterstand in de noordelijke plas de laagste waterstand in de Maas niet kon volgen doordat de verbindende watergang droog viel en er wellicht een sliblaag in de noordelijke plas aanwezig was.

Tengevolge van de gerealiseerde verbinding tussen de Maas en beide plassen verandert de afstand tussen de woning en het open Maas-waterpeil van 1450 à 1000 m tot minder dan 600 m.

Hierbij dient tevens te worden bedacht dat de mogelijk aanwezige sliblaag in de voormalige zandput(-ten) thans geheel verwijderd is waardoor de open waterstanden direct de grondwaterstand in het zandpakket beïnvloeden zonder noemenswaardige weerstand.

Zoals blijkt uit de grondwaterkaart is het zandpakket relatief erg doorlatend en wordt het zandpakket afgedekt door een kleilaag. Dit betekent dat een grondwaterstandverandering ter plaatse van de plassen tot op grote afstand merkbaar kan zijn.

Geschat wordt dat de verandering van geohydrologische omstandigheden (gecreëerde verbinding en verwijderde sliblaag) kan leiden tot een verlaging van de grondwaterstand nabij de panden van circa enkele dm’s. Een dergelijke verlaging kan, afhankelijk van de exacte grondopbouw nabij de panden en de initiële situatie, leiden tot een optredende zetting van het maaiveld welke ontoelaatbaar is voor de fundatie van de panden.”

Onder de conclusies en aanbevelingen staat vervolgens – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Geconcludeerd wordt dat op basis van het schadebeeld en de relevante gebeurtenissen, Royal Haskoning ervan overtuigd is dat de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door het bij de ontgronding van de Hedelsche Bovenwaarden creëren van een verbinding tijdens lage waterstanden tussen de voormalige noordelijke plas en de Maas en het verwijderen van de sliblaag in de voormalige noordelijke en zuidelijke plas.

(…)”

3. De vordering

De gewijzigde vordering luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat gedaagden door hun zandwinningactiviteiten en het ter beschikking stellen aan derden van hun vergunning op grond van de Ontgrondingenwet derden daardoor in staat stellen zandwinningactiviteiten uit te voeren onrechtmatig gehandeld hebben (en nog onrechtmatig handelen) jegens [eiser sub 1] c.s. en te verklaren voor recht dat gedaagden uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de totale door [eiser sub 1] c.s. geleden schade, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen omvang, alsmede gedaagden te veroordelen tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. gedaagden te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, groot € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001, althans vanaf 1 januari 2002, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, althans te voldoen een door de rechtbank naar redelijkheid vast te stellen bedrag;

3. gedaagden te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de kosten van vaststelling van de schade en aansprakelijkheid van gedaagden, groot € 9.827,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001, althans vanaf 1 januari 2002, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, althans te voldoen een door de rechtbank naar redelijkheid vast te stellen bedrag;

4. gedaagden te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure en te bepalen dat gedaagden de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis zullen hebben betaald.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eiser sub 1] c.s. aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Gedaagden handelen onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. nu zij met hun zandwinningactiviteiten van de Hedelsche Bovenwaarden inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiser sub 1] c.s., waardoor [eiser sub 1] c.s. schade lijden. De door gedaagden ontplooide zandwinningactiviteiten, die plaatsvinden op een afstand van (hemelsbreed) circa 300 tot 400 meter van de woning van [eiser sub 1] c.s. hebben geleid tot de ernstige scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s.. Deze schade was voorzienbaar, zodat gedaagden zich hadden moeten onthouden van bedoelde zandwinningactiviteiten, althans onderzoek hadden moeten (laten) verrichten naar de mogelijk gevolgen van hun activiteiten voor bebouwing in de omgeving en eventueel voorzorgsmaatregelen moeten treffen.

Nu op ieder van gedaagden de verplichting rust tot het vergoeden van deze schade van [eiser sub 1] c.s., zijn zij hoofdelijk voor deze schade aansprakelijk. Maasoever Nederhemert is daarnaast als vergunninghoudster aansprakelijk op grond van artikel 6: 171 BW voor de zandwinningwerkzaamheden, die zij laat uitvoeren door Boskalis en door Dekker.

3.2

Uit het in opdracht van [eiser sub 1] c.s. door het gerenommeerde onderzoek-

bureau Royal Haskoning opgestelde rapport d.d. 23 januari 2003 volgt dat de schade aan de opstallen van [eiser sub 1] c.s. is veroorzaakt door de zandwinningactiviteiten van gedaagden.

Subsidiair past hier een omkering van de bewijslast, waarbij een uitdrukkelijk beroep wordt gedaan op HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524. Met de winning van zand door middel van een zandzuiginstallatie op een afstand (hemelsbreed) van ca. 300 tot 400 meter afstand van omliggende bebouwing in een gebied met een grondsamenstelling als in kwestie en ligging nabij open wateren (in casu de Maas), wordt het ontstaan van schade – bestaande uit verzakking van huizen als gevolg van fluctuaties in de grondwaterstand – in het leven geroepen. Dit risico heeft zich vervolgens verwezenlijkt. Het is thans aan gedaagden om te bewijzen dat de schade ook zonder hun gedragingen zou zijn ontstaan. Ook de redelijkheid en billijkheid brengen een omkering van de bewijslast met zich, nu [eiser sub 1] c.s. met hun rapport al het nodige hebben aangedragen en gedaagden zicht hebben op omvang en wijze van de ontgrondings-werkzaamheden.

3.3

[Eiser sub 1] c.s. hebben gedaagden bij brief van 30 augustus 2001 van hun rechtsbijstandverzekeraar aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade.

3.4

De omvang van de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade laat zich vooralsnog niet becijferen, zodat vaststelling daarvan dient plaats te vinden in een schadestaatprocedure.

3.5

Vanwege de weigering van gedaagden om de schade aan [eiser sub 1] c.s. te vergoeden, hebben [eiser sub 1] c.s. kosten van buitengerechtelijke bijstand

ad € 1.000,-- gemaakt. Gedaagden zijn voor deze kosten aansprakelijk.

3.6

Voorts hebben [eiser sub 1] c.s. kosten gemaakt ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, nu zij Royal Haskoning hebben moeten inschakelen om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijke oorzaken van de scheurvorming.

De kosten hiervan bedragen € 9.827,02. Gedaagden zijn op grond van artikel 6: 96 lid 2 onder b BW voor deze kosten aansprakelijk.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser sub 1] c.s. in de kosten van het geding.

Gedaagden hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Gedaagden valt niets te verwijten ter zake van de scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. Voor zover door zandwinningactiviteiten van gedaagden een inbreuk zou zijn gemaakt op enig recht van [eiser sub 1] c.s., is die inbreuk niet onrechtmatig geweest, nu het intreden van de schade voor gedaagden niet voorzienbaar was en gedaagden niet onzorgvuldig hebben gehandeld.

Gedaagden hebben hun werkzaamheden op zorgvuldige wijze uitgevoerd en exact op de wijze als omschreven in de door de Gedeputeerde Staten afgegeven vergunning. Daarbij hebben gedaagden vóór zij aan de uitvoering van de zand-winningwerkzaamheden begonnen, zich ervan vergewist dat zij de betreffende werkzaamheden konden uitvoeren, zonder daarmee aan opstallen of wegen in de directe nabijheid van de zandwinningslocatie schade te veroorzaken.

De zandwinning wordt uitgevoerd op aanzienlijke afstand van de woning van [eiser sub 1] c.s., ten zuidoosten van de autosnelweg, terwijl de woning van [eiser sub 1] c.s. is gelegen aan de andere zijde (de noodoostkant) van de autosnelweg. Aan andere panden of aan de autosnelweg, die zich in de directe nabijheid van de zandwinningslocatie bevinden, is geen schade opgetreden.

4.2

Het causale verband tussen de zandwinningactiviteiten van gedaagden en de scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. ontbreekt.

Gedaagden betwisten de juistheid van het rapport van Royal Haskoning.

Dit rapport betreft slechts een verkenning van mogelijke oorzaken, die tot de onderhavige scheurvorming zouden hebben kunnen leiden, maar daarin wordt de oorzaak voor de onderhavige scheurvorming niet vastgesteld.

De bijzonder voorzichtig geformuleerde passage omtrent de oorzaak van de scheurvorming in de laatste alinea op bladzijde 10 van het rapport, staat in schril contrast met de conclusie op bladzijde 13 van dat rapport, waar Royal Haskoning stelt ervan overtuigd te zijn dat de schade “zeer waarschijnlijk” is veroorzaakt door de ontgronding van de Hedelsche Bovenwaarden. Deze conclusie wordt niet gedragen door de overige inhoud van het rapport.

Een zetting van de bodem doet zich voor over een langere periode en zettingsschade treedt in de regel niet op binnen een jaar na aanvang van de zetting. Daarom is het niet mogelijk dat ten gevolge van de natuurlijke lage grondwaterstand in de Maas in de zomer van 2001, zich reeds in de zomer van 2001 zettingschade heeft voorgedaan in de opstallen van [eiser sub 1] c.s.

Bovendien is de verlaging van het grondwaterpeil, die wordt beschreven in het rapport van Royal Haskoning, niet veroorzaakt door de zandwinningactiviteiten van gedaagden, maar deze moet worden toegeschreven aan een natuurlijke oorzaak, omdat het grondwater in de zomer van 2001 op een lager peil stond dan normaal.

Het is niet juist dat de ontgrondingactiviteiten hebben geleid tot het ontstaan van een verbinding tijdens lage waterstanden tussen de voormalige noordelijke plas en de Maas. De noordelijke plas stond al in verbinding met de Maas door middel van een watergang/duiker. Bovendien bestond er tussen de noordelijke plas en de zuidelijk plas slechts een smalle afscheiding, welke onvoldoende was als effectieve barrière ter afscheiding van de noordelijke plas. Het Maaspeil heeft daardoor altijd al het peil van de noordelijke plas bepaald. Dat is dus niet het resultaat van de ontgrondingwerkzaamheden.

4.3

Niet alleen gedaagden, doch ook – en zelfs met name – Dekker heeft op de betreffende locatie zandwinningwerkzaamheden uitgevoerd. Nu de door gedaagden uitgevoerde werkzaamheden in een veel geringere verhouding staan tot de door Dekker uitgevoerde werkzaamheden, kunnen gedaagden ter zake van het intreden van de betreffende schade niet aansprakelijk gehouden worden. De aansprakelijkheid van Dekker is zoveel ernstiger dan de aansprakelijkheid van gedaagden, dat de fout van gedaagden niet meer kan worden beschouwd als een verwezenlijking van het gevaar met het oog waarop de door gedaagden gemaakte fout had moeten worden vermeden.

4.4

Subsidiair stellen gedaagden dat de ondeugdelijke constructie van de fundering van de boerderij van [eiser sub 1] c.s. heeft bijgedragen aan het intreden van de verzakking en aldus mede heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade. Nu in de wijde omgeving geen ander pand is aangetroffen waar scheurvorming is opgetreden, zoals in de opstallen van [eiser sub 1] c.s., is de schade voor 100% te wijten aan gebreken in de fundering.

4.5

Gedaagden betwisten dat [eiser sub 1] c.s. buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt tot het gevorderde bedrag van € 1.000,--.

4.6

De kosten van Royal Haskoning komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze zijn gemaakt ter instructie van de zaak. Subsidiair stellen gedaagden dat de voor het rapport van Royal Haskoning gemaakt kosten “van kleur zijn verschoten” op het moment dat [eiser sub 1] c.s. de onderhavige procedure aanhangig maakten.

5. De beoordeling

5.1

Tussen partijen is in geschil of er een causaal verband is tussen de door [eiser sub 1] c.s. gestelde schade en de zandwinningactiviteiten door gedaagden. Ter onderbouwing van hun stelling dat dit causaal verband aanwezig is, hebben [eiser sub 1] c.s. het hiervoor onder 2.4 vermelde rapport van Royal Haskoning overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een gerenommeerd onderzoeksbureau is.

De rechtbank acht zich voldoende door dit rapport voorgelicht en heeft geen behoefte aan het benoemen van (een) andere deskundige(n). Weliswaar hebben gedaagden de bevindingen van Royal Haskoning betwist, doch de rechtbank acht deze betwisting onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Gedaagden hebben van hun kant geen deskundigenrapport overgelegd noch een uitgewerkt voorstel gedaan voor benoeming van (een) deskundige(n) door de rechtbank, terwijl [eiser sub 1] c.s. telkens in reactie op de betwisting van gedaagden een schriftelijke reactie hierop van Royal Haskoning heeft overgelegd.

5.2

De rechtbank acht de in het rapport door Royal Haskoning getrokken conclusies begrijpelijk en voldoende met redenen omkleed. Op basis van dat rapport is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan, dat de scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. is veroorzaakt door de zandwinningwerkzaamheden van de Hedelsche Bovenwaarden.

De door gedaagden tegen de door Royal Haskoning getrokken conclusies naar voren gebrachte verweren worden, gezien het hiernavolgende, verworpen.

In reactie op de verweren van gedaagden dat zettingschade zich in de regel niet binnen een jaar na aanvang van de zetting voordoet en dat de verlaging van het grondwaterpeil moet worden toegeschreven aan een natuurlijke oorzaak, hebben [eiser sub 1] c.s. een schriftelijke reactie van Royal Haskoning d.d. 24 september 2004 (productie 14 bij de conclusie van repliek) overgelegd. In deze reactie staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“De snelheid van het optreden van zetting ten gevolge van grondwaterstands- en /of grondwaterstijghoogte-veranderingen is met name afhankelijk van de grondopbouw. In de praktijk wordt waargenomen dat bij bijvoorbeeld bemalingen ten behoeve van bouwputten, korte tijd na het in werking stellen van de bemaling reeds schade kan optreden aan woningen op honderden meters afstand van de bemaling.

De (…) gesuggereerde ‘natuurlijke oorzaak’ van een lagere grondwaterstand in de zomer van 2001 is door ons niet te herleiden uit de gegevens. Ons inziens is een lagere grondwaterstand door de zandwinningwerkzaamheden veroorzaakt en is het onwaarschijnlijk dat de schade zou zijn ontstaan indien er geen zandwinningwerkzaamheden hadden plaatsgevonden.”

De rechtbank is van oordeel dat hiermee de verweren van gedaagden – die niet met stukken dan wel een deskundigenrapport zijn onderbouwd – voldoende zijn weerlegd.

Het verweer van gedaagden dat de noordelijke plas al in verbinding stond met de Maas en dat het Maaspeil altijd al het peil van de noordelijke plas heeft bepaald, wordt voldoende weerlegd door een door [eiser sub 1] c.s. overgelegde schriftelijke reactie van Royal Haskoning d.d. 6 juni 2005 (productie 16 bij de akte). In deze reactie staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Voorts dient te worden bedacht dat de peilveranderingen op de Maas veel sneller worden gevolgd door de noordelijke plas nu deze met een grote open verbinding in contact staat met de Maas in plaats van met de relatief gezien zeer kleine oorspronkelijke verbindingswatergang (…).

Een kleine verbinding (oude waterloop) heeft een dempend effect op de waterstands-verlagingen in de noordelijke plas.

(…)

Er zijn diverse aspecten die de geohydrologische situatie ter plaatse van de zandwinning aantoonbaar hebben beïnvloed. Het oppervlak van de noordelijke plas is vergroot en de insteek van de ontzanding is dichter bij de opstallen gesitueerd dan in het verleden. Zoals reeds eerder genoemd is, is ten gevolge van het baggeren de bodem opgeschoond waardoor de geohydrologische weerstand van de bodem is afgenomen en is het contactoppervlak van open water met het diepe grondwater aanzienlijk vergroot door de toegenomen waterinhoud van de plas.

Gezien de feitelijke situatie persisteren wij in onze overtuiging dat er wel degelijk een causaal verband is tussen de zandwinning in de Hedelsche Bovenwaarden en de schade aan de opstallen aan de Drielse Veldweg 35.”

De rechtbank is voorts, gezien voormelde reactie van Royal Haskoning, van oordeel dat ook al zou de oorspronkelijke watergang in het verleden niet geheel droog zijn komen te vallen, hetgeen door gedaagden wordt gesteld en door [eiser sub 1] c.s. wordt betwist, dit niet afdoet aan de conclusie dat de zandwinningactiviteiten de geohydrologische situatie ter plaatse dermate hebben beïnvloed dat hierdoor de schade aan de opstallen van [eiser sub 1] c.s. is ontstaan.

5.3

Het verweer van gedaagden dat hen niets te verwijten valt, nu het intreden van de schade voor gedaagden niet voorzienbaar was en gedaagden niet onzorgvuldig hebben gehandeld, wordt verworpen.

Verzakkingen als gevolg van wijzigingen in de grondwaterstanden bij zandwinningwerkzaamheden als de onderhavige zijn, zeker voor een professioneel baggerbedrijf als Boskalis, zeer wel voorzienbaar omdat daarbij ook in de bodem en grondlagen wordt ingegrepen en fluctuaties in de grondwaterstanden kunnen optreden. Gedaagden hadden derhalve vóór de aanvang van de betreffende zandwinningactiviteiten en/of het verwijderen van de aanwezige klei- en sliblagen in de noordelijke en de zuidelijke plas, moeten (laten) onderzoeken of deze activiteiten niet zouden kunnen leiden tot verandering van het geohydrologische systeem of tot het optreden van zettingverschillen in de grondlagen, waardoor verzakkingen en schade zou kunnen ontstaan aan omliggende bebouwingen, waaronder de op geringe afstand van de zandwinninglocatie gelegen boerderij van [eiser sub 1] c.s.

Niet gebleken is dat gedaagden dit hebben gedaan. Weliswaar hebben gedaagden gesteld dat zij vóór zij aan de uitvoering van de zandwinning-werkzaamheden begonnen, zich ervan vergewist hebben dat zij de betreffende werkzaamheden konden uitvoeren, zonder daarmee aan opstallen of wegen in de directe nabijheid van de zandwinninglocatie schade te veroorzaken. Gedaagden geven echter niet aan op welke wijze zij dit gedaan hebben. Nu zij voorts deze stelling niet met stukken hebben onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

De rechtbank neemt derhalve als vaststaand aan dat gedaagden vóór aanvang van de werkzaamheden niet een adequaat onderzoek als hier bedoeld hebben laten uitvoeren. Door dit na te laten hebben zij onzorgvuldig jegens [eiser sub 1] c.s. gehandeld. Dat gedaagden hun werkzaamheden exact hebben uitgevoerd op de wijze als omschreven in de door Gedeputeerde Staten afgegeven vergunning doet hier niet aan af.

5.4

Het beroep van gedaagden op eigen schuld aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. wordt eveneens verworpen. Vast staat dat de fundering van de boerderij tot 2001 voldoende was om verzakking te voorkomen. Indien gedaagden vóór zij aan de zandwinningwerkzaamheden waren begonnen een onderzoek als hiervoor onder 5.3 bedoeld hadden (laten) uitvoeren, zou naar voren zijn gekomen op welke fundering de boerderij van [eiser sub 1] c.s. was gebouwd en welke voorzorgsmaatregelen er getroffen hadden moeten worden teneinde verzakking te voorkomen. Er is derhalve geen sprake van schade als gevolg van een omstandigheid die aan [eiser sub 1] c.s. kan worden toegerekend.

5.5

Gedaagden hebben verder nog gesteld dat de door hen uitgevoerde werkzaamheden in een dermate geringere verhouding staan tot de door Dekker uitgevoerde werkzaamheden, dat gedaagden niet meer aansprakelijk kunnen worden gehouden.

De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, reeds omdat gedaagden deze stelling niet dan wel onvoldoende hebben onderbouwd. Gedaagden hebben niet aangegeven (en desgevraagd zelfs niet bij benadering kunnen aangeven) welk aandeel Boskalis en Dekker ieder hebben gehad in de feitelijke uitvoering van de betreffende zandwinningwerkzaamheden, terwijl het nu juist op de weg van gedaagden ligt daarover opheldering te verschaffen. De rechtbank neemt derhalve als vaststaand aan dat schade aan de opstallen van [eiser sub 1] c.s. (ook) door de zandwinningactiviteiten van gedaagden kan zijn ontstaan, zodat krachtens artikel 6:99 BW ook op gedaagden de verplichting rust om de schade te vergoeden.

De rechtbank overweegt hieromtrent nog het volgende. Aan het slot van het pleidooi heeft Maasoever Nederhemert zich voor het eerst in de procedure op het standpunt gesteld dat het feit dat zij slechts vergunninghoudster is en zelf geen zandwinningactiviteiten heeft uitgevoerd, met zich brengt dat [eiser sub 1] c.s. ten aanzien van haar niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering. Zij heeft dit verweer niet nader onderbouwd, terwijl dit gezien de eerder door haar ingenomen procespositie wel op haar weg had gelegen. De rechtbank verwerpt dit verweer als onvoldoende gemotiveerd. Het enkele feit dat Maasoever Nederhemert zelf geen activiteiten heeft ontplooid, brengt niet met zich dat haar handelen of nalaten niet onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. kan zijn op de door hen gestelde wijze, met name door haar vergunning aan (onzorgvuldig handelende) derden ter beschikking te stellen zonder zich ervan te vergewissen dat die derden hun activiteiten op zodanig zorgvuldige wijze verrichten dat niet valt te verwachten dat daardoor aan anderen schade zou kunnen worden toegebracht.

5.6

Gezien het voorgaande staat de aansprakelijkheid van gedaagden voor de door [eiser sub 1] c.s. als gevolg van de zandwinningactiviteiten geleden schade vast en ligt de gevorderde verklaring van recht voor toewijzing gereed, zij het zoals hierna in het dictum vermeld, evenals de vordering om gedaagden te veroordelen tot vergoeding van deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

5.7

De vordering van [eiser sub 1] c.s. tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.000,-- wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] c.s. ondanks de gemotiveerde betwisting door gedaagden bij conclusie van antwoord en hun uitdrukkelijk verzoek om verificatoire bescheiden daaromtrent in het geding te brengen, hun vordering niet deugdelijk (nader) hebben onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat [eiser sub 1] c.s. buitengerechtelijke kosten (tot het door hen gevorderde bedrag) hebben gemaakt.

5.8

[Eiser sub 1] c.s. vorderen voorts op de voet van artikel 6: 96 BW vergoeding door gedaagden van de kosten van het rapport van Royal Haskoning ad

€ 9.827,02. Deze vordering zal worden toegewezen, nu op basis van de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde factuur van Royal Haskoning d.d. 7 februari 2003 genoegzaam vaststaat dat [eiser sub 1] c.s. ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6: 96 lid 2 onder b BW kosten hebben gemaakt tot het door hen gevorderde bedrag. Uit niets blijkt dat en waarom, zoals door gedaagden betoogd, deze kosten “van kleur zijn verschoten” op het moment dat [eiser sub 1] c.s. de onderhavige procedure aanhangig maakten. Hierbij dient te worden bedacht dat indien Royal Haskoning zou zijn ingeschakeld in het kader van een door de rechtbank bevolen (voorlopig) deskundigenonderzoek de kosten daarvan eveneens volledig ten laste van gedaagden zouden zijn gekomen.

Wat betreft de ingangsdatum van de over dit bedrag verschuldigde wettelijke rente, overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is wanneer dit bedrag door [eiser sub 1] c.s. is betaald. Nu echter de factuur dateert van 7 februari 2003 en de betalingstermijn 30 dagen is, zal de rechtbank in redelijkheid bepalen dat de wettelijke rente vanaf 1 maart 2003 verschuldigd is.

Bij het vorenstaande wordt nog aangetekend dat de rechtbank heden ook vonnis wijst in de zaak die [eiser sub 1] c.s. in verband met dezelfde aangelegenheid hebben aangespannen tegen [X} (zaak-/rolnummer: 219748/HA ZA 04-1869) en dat in die procedure de vordering tot vergoeding van de kosten van het rapport van Royal Haskoning eveneens toewijsbaar is.

Nu geoordeeld moet worden dat de bij de onderhavige zandwinning betrokken partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de voldoening van deze kosten aan [eiser sub 1] c.s., doch in de afzonderlijke procedures hoofdelijke veroordeling van Dekker, Boskalis en Maasoever Nederhemert niet mogelijk is, overweegt de rechtbank dat indien één (of meer) van genoemde partijen (een deel van) dit bedrag aan [eiser sub 1] c.s. heeft/hebben betaald, de ander(e) in zoverre is/zijn bevrijd.

5.9

Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, zij het dat de kosten van de uitgebrachte herstelexploten d.d.

4 september 2003 voor rekening van [eiser sub 1] c.s. moeten blijven.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat Boskalis en Maasoever Nederhemert door haar zandwinningactiviteiten, respectievelijk door het ter beschikking stellen van haar vergunning aan derden waardoor die zandwinningactiviteiten kunnen worden uitgevoerd, onrechtmatig hebben gehandeld (en nog onrechtmatig handelen) jegens [eiser sub 1] c.s.;

verklaart voor recht dat gedaagden uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade aan hun opstallen en veroordeelt gedaagden tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt gedaagden, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 1] c.s. te betalen het bedrag van

€ 9.827,02 (zegge: negenduizend achthonderdzevenentwintig euro en twee eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2003 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt gedaagden, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. bepaald op € 245,-- aan vast recht, op € 162,32 aan overige verschotten en op € 2.034,-- aan salaris voor de procureur;

bepaalt dat gedaagden de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn, indien zij deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis hebben betaald;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

275/204