Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV5292

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
209281 / HA ZA 04-140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Toepasselijk recht. Voeging. Gedaagden hebben zich schuldig gemaakt aan het (mede)plegen van opzetheling, althans medeplichtingheid daaraan, van een aan eiser sub 2 toebehorende pendule. Eiseres sub 1 is houder van de pendule en vordert taxatie- en reparatiekosten en bemiddelingskosten. Eiser sub 2 heeft zich gevoegd aan de zijde van eiseres sub 1. Niet gebleken is dat door de houder schade is geleden in haar eigen vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 209281 / HA ZA 04-140

Uitspraak: 8 maart 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

eiseres,

procureur mr. B.R.J. van Tongeren,

en

2. [eiseres sub 2},

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

gevoegde partij,

procureur mr. B.R.J. van Tongeren,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 1,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 3,

procureur mr. D.A. Harff,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 4,

procureur mr. A.P.M. Henket,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 5,

procureur mr. D.A. Harff,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 6,

procureur mr. M. Bonarius.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres sub 1]” en “[eiser sub 2]” respectievelijk “[gedaagde sub 1]”, “[gedaagde sub 2]”, “[gedaagde sub 3]”, “[gedaagde sub 4]”, “[gedaagde sub 5]” en “[gedaagde sub 6]”. Gedaagden gezamenlijk worden aangeduid als “[gedaagden]”.

1. Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 30 en 31 december 2003 en de door [eiseres sub 1] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 2];

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 3], met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 4], met productie;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 5], met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 6], met producties;

- conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis;

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 2];

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 3];

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 4];

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 5];

- conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde sub 6];

- vonnis in het incident van deze rechtbank d.d. 2 maart 2005, waarbij J. de Ro-han is toegestaan zich te voegen aan de zijde van [eiseres sub 1] in de hoofd-zaak, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- conclusie van eis aan de zijde van gevoegde partij [eiser sub 2], met produc-ties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 2], met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 3];

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 4], met productie;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 5];

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 6].

1.2 Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Ingevolge artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) wordt het thans te wijzen vonnis aangemerkt als een vonnis op tegenspraak, gewezen tussen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en [gedaagden] anderzijds.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemoti-veerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 13 juli 1998 is uit het kasteel Josselin te Josselin, Frankrijk, een 17e-eeuwse pendule gestolen. Het kasteel en de inboedel, waaronder de pendule, zijn eigen-dom van [eiser sub 2].

2.2 Op 19 november 2001 is [gedaagden] aangehouden, waarbij de gestolen pen-dule werd aangetroffen. Deze is eind 2001/begin 2002 weer geretourneerd aan [eiser sub 2].

2.3 Bij vonnis van 8 maart 2002 is [gedaagde sub 1] door de rechtbank te Rotterdam veroordeeld voor opzetheling. Op 6 september 2002 zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] veroordeeld door de politierechter te Rotterdam voor het medeplegen van opzetheling en [gedaagde sub 3] voor opzetheling. [Gedaagde sub 5] is op 2 april 2003 veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzetheling en [gedaagde sub 6] is op die datum veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling. [Gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn tegen hun veroordelingen in hoger beroep gegaan. Tegen de uitspraken in hoger beroep hebben zij cassatie aangetekend.

3. De vordering

Bij conclusie van eis d.d. 6 april 2005 hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de vordering gewijzigd en als volgt geformuleerd:

“de rechtbank hoofdelijk des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd veroordeeld zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad terzake voormeld aan eisers te betalen € 5.167,69 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaar-ding tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.”

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hieraan het volgende ten grondslag gelegd.

3.1 [Gedaagden] hebben zich schuldig gemaakt aan het (mede)plegen van opzetheling, althans medeplichtigheid daaraan, van een aan [eiser sub 2] toebehorende pendule.

3.2 Als gevolg van dit onrechtmatig handelen jegens [eiseres sub 1] als houder van de pendule en jegens [eiser sub 2] als eigenaar daarvan, heeft [eiseres sub 1] taxatie-, reparatie- en bemiddelingskosten gemaakt, voor welke schade [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn.

3.3 De taxatie- en reparatiekosten bedragen € 4.018,56 en de bemiddelingskosten bedragen € 370,76. Voorts vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] buitengerechtelijke incassokosten ad. € 778,46 onder verwijzing naar het rapport Voorwerk II.

4. Het verweer

[Gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

5. De beoordeling

Toepasselijk recht

5.1 Nu [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in Frankrijk wonen en de pendule uit het kasteel aldaar is gestolen, dient eerst beoordeeld te worden of Nederlands recht van toepassing is. Daarvoor is van belang waar het in rechtsoverweging 3.1 bedoelde onrechtmatige handelen heeft plaatsgevonden. Uit de bij dagvaarding overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde sub 1] is veroordeeld voor opzetheling gepleegd te “Schiedam en /of te Rotterdam, in elk geval in Nederland”. Nu uit de stellingen van partijen volgt dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] zijn veroordeeld voor hetzelfde feit, althans het medeplegen daarvan of medeplichtigheid daaraan, gaat de rechtbank er van uit dat ook ten aanzien van die strafbare feiten de plaats van handeling Schiedam en/of te Rotterdam, in elk geval Nederland is. Gelet hierop is volgens artikel 3 lid 1 van de Wet Conflictenrecht onrechtmatige daad Nederlands recht van toepassing.

De vordering van [eiser sub 2]

5.2 [Eiser sub 2] heeft bij incidentele conclusie gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van [eiseres sub 1], hetgeen [eiser sub 2] is toegestaan. In het petitum van de “conclusie van eis” beoogden [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] veroordeling van [gedaagden] tot betaling aan “eisers”. Echter, gelet op het feit dat voeging geen ruimte biedt voor een zelfstandige rechtsvordering van degene die zich voegt - daar is immers het instrument tussenkomst voor bedoeld - begrijpt de rechtbank voormeld petitum slechts als een vordering tot betaling aan [eiseres sub 1], waarbij [eiser sub 2] stellingen ter ondersteuning van deze vordering heeft betrokken. Nu er geen sprake kan zijn van een zelfstandige vordering van [eiser sub 2] kan hij mitsdien niet in zijn vordering worden ontvangen.

Wijziging van eis

5.3 Krachtens artikel 129 Rv is een vermindering van eis te allen tijde mogelijk zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Een vermeerdering van eis daarentegen is ingevolge artikel 130 Rv lid 3 uitgesloten ten aanzien van de ge-daagde die niet in het geding is verschenen, tenzij de eiser de vermeerdering tij-dig bij exploot aan deze gedaagde kenbaar heeft gemaakt. De ratio is dat voorko-men moet worden dat een niet verschenen gedaagde tot iets kan worden veroor-deeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd.

5.4. Uit deze bepalingen volgt dat de eisvermindering bij repliek met het bedrag van € 3.373,14 en aanzien van alle gedaagden geldt. De eisvermeerdering bij die conclusie met het bedrag van € 370,76 geldt echter niet ten aanzien van [gedaagde sub 1] nu niet is gesteld of gebleken dat deze vermeerdering tijdig bij exploot aan hem kenbaar is gemaakt.

De wel verschenen partijen [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] waren bevoegd bezwaar aan te tekenen tegen deze eisvermeerdering op grond van strijd met een goede procesorde. Nu geen van hen van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en de rechtbank geen aanleiding ziet om de vermeerdering van eis om die reden ambtshalve te weigeren, geldt ten aanzien van hen voor het verdere verloop van de procedure niet alleen de eisvermindering maar ook de eisvermeerdering.

De vordering van [eiseres sub 1] op [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6]

5.5 De vordering van [eiseres sub 1] is gebaseerd op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens dit artikel is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

5.6 Voorop gesteld zij dat heling een onrechtmatige daad oplevert jegens [eiser sub 2] als eigenaar van de pendule, zodat hij in beginsel ook de gerechtigde is met betrekking tot een vordering uit onrechtmatige daad. Gesteld noch gebleken is dat [eiser sub 2] zijn vordering ter zake van onrechtmatige daad heeft gece-deerd aan [eiseres sub 1]. Evenmin heeft [eiseres sub 1] gesteld dat zij in dit geding namens [eiser sub 2] een vordering heeft ingesteld; integendeel, [eiseres sub 1] stelt juist uitdrukkelijk een eigen vordering te hebben. Derhalve is aan de orde of [eiseres sub 1], als houder van de pendule, haar vordering kan baseren op onrechtmatig handelen.

5.7 Taxatie- en reparatiekosten, zoals door [eiseres sub 1] gevorderd, houden ver-band met een waardevermindering van de pendule. Wanneer een zaak in waarde daalt, lijdt doorgaans de eigenaar schade en niet de houder. Nog daargelaten of [eiseres sub 1], als houder van de pendule, op grond van onrechtmatige daad taxatie- en reparatiekosten kan vorderen, geldt dat niet gesteld of gebleken is dat [eiseres sub 1] schade heeft geleden in haar eigen vermogen. Nu de stellingen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] aldus onvoldoende grondslag opleveren voor toewijzing van de vordering en er dus geen aanleiding is [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] toe te laten tot nadere bewijslevering, zal de vordering worden afgewezen.

De vordering van [eiseres sub 1] op [gedaagde sub 1]

5.8 Hetgeen in rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4 is overwogen leidt er toe dat - uit-gaande van de bij dagvaarding ingestelde vordering van € 8.170,16 - de gewijzigde vordering van [eiseres sub 1], voorzover deze zich richt tegen [gedaagde sub 1], € 4.797,02 bedraagt (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en de proceskosten). Nu de vordering aldus lager is dan de voor de sector civiel recht van de rechtbank geldende competentiegrens van € 5.000,--, is ingevolge art. 95 Rv de sector civiel recht niet langer bevoegd en zou de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt voor behandeling en beslissing verwezen dienen te worden naar de sector kanton van deze rechtbank, hetgeen de rechtbank echter niet zal doen om reden als volgt.

5.9 Indien het door [eiseres sub 1] bij repliek betrokken standpunt dat zij houder is van de pendule en geen eigenaar, zonder dat zij heeft gesteld schade in haar eigen vermogen te hebben geleden, ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] in aanmerking wordt genomen, hetgeen in de sector kanton zou gebeuren, zou gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.7 is overwogen, ook de vordering van [eiseres sub 1] voorzover deze zich tegen [gedaagde sub 1] richt, worden afgewezen. Nu [gedaagde sub 1] door niet naar de sector kanton te verwijzen niet in zijn processuele positie wordt benadeeld, zal de sector civiel recht van de rechtbank om proceseconomische redenen de zaak zelf afdoen en ook de vordering voorzover ingesteld tegen [gedaagde sub 1] afwijzen.

Buitengerechtelijke kosten en bemiddelingskosten

5.10 In het voorgaande ligt besloten dat ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en bemiddelingskosten worden afgewezen.

Proceskosten

5.11 Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres sub 1] veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak en in die van het vrijwaringsincident. Daarbij zal ten aanzien van [gedaagde sub 2] worden bepaald dat de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, nu de gevorderde termijn van 10 dagen na de datum van het vonnis, mede met het oog op het feit dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in Frankrijk wonen, niet redelijk wordt geacht. Voorts worden de proceskosten van [gedaagde sub 1] vastgesteld op nihil en wordt voor de vaststelling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] in aanmerking genomen dat zij dezelfde procureur hebben en hetgeen namens hen naar voren is gebracht vrijwel gelijkluidend is.

5.12 Voor het geval dat de vorderingen van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] in de vrijwaringsprocedures tegen [gedaagde sub 1] worden afgewezen als gevolg van de afwijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] in de onderhavige procedure, wordt het volgende overwogen. Nu [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] in hun verhouding tot [eiseres sub 1] de Rohan naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang hadden om de vrijwaringsprocedures te voeren, zal [eiseres sub 1] tevens worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] gelijk aan het bedrag aan proceskosten waartoe [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] in die vrijwaringsprocedures wor-den c.q zijn veroordeeld.

5.13 Nu [eiser sub 2] zich heeft gevoegd, wordt hij veroordeeld in de kosten van het voegingsincident.

6. De beslissing

De rechtbank,

- wijst af de vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2];

- veroordeelt [eiseres sub 1] in de proceskosten in de hoofdzaak en het vrijwa-ringsincident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van:

- [gedaagde sub 1] bepaald op nihil,

- [gedaagde sub 2] bepaald op € 245,-- aan vast recht en op € 960,-- aan salaris voor de procureur,

- [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] bepaald op € 245,-- aan vast recht en op € 1.344,-- aan salaris voor de procureur;

- [gedaagde sub 4] bepaald op € 245,-- aan vast recht en op € 960,-- aan salaris voor de procureur;

- [gedaagde sub 6] bepaald op € 245,-- aan vast recht en op € 960,-- aan salaris voor de procureur;

- veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten in het voegingsincident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van:

- [gedaagde sub 1] bepaald op nihil;

- [gedaagde sub 2] bepaald op nihil;

- [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] bepaald op nihil aan verschotten en op € 384,-- aan salaris voor de procureur;

- [gedaagde sub 4] bepaald op nihil aan verschotten en op € 384,-- aan salaris voor de procureur;

- [gedaagde sub 6] bepaald op nihil aan verschotten en op € 384,-- aan salaris voor de procureur;

voorts ten aanzien van [gedaagde sub 2]:

- bepaalt dat [eiseres sub 1] aan [gedaagde sub 2] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW verschuldigd is over de proceskosten vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

voorts ten aanzien van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5]:

- veroordeelt [eiseres sub 1], indien en voorzover de vorderingen van [gedaagde sub 3] in de vrijwaringsprocedure tussen [gedaagde sub 3] als eiser en [gedaagde sub 1] als gedaag-de worden afgewezen als gevolg van de afwijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] in de onderhavige procedure, tot betaling van een bedrag aan Pattinama gelijk aan het bedrag aan proceskosten waartoe [gedaagde sub 3] in deze vrijwaringsprocedure onherroepelijk wordt c.q. is veroordeeld;

- veroordeelt [eiseres sub 1], indien en voorzover de vorderingen van [gedaagde sub 5] in de vrijwaringsprocedure tussen [gedaagde sub 5] als eiser en [gedaagde sub 1] als gedaagde worden afgewezen als gevolg van de afwijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] in de onderhavige procedure, tot betaling van een bedrag aan [gedaagde sub 5] gelijk aan het bedrag aan proceskosten waartoe [gedaagde sub 5] in deze vrijwaringsprocedure onherroepelijk wordt c.q. is veroordeeld;

voorts ten aanzien van [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], en [gedaagde sub 5]:

- verklaart dit vonnis, uitsluitend voorzover het betreft de veroordelingen van [eiseres sub 1] in de proceskosten in de hoofdzaak van [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5], uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1775/429