Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV0699

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
676984
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6510, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU5148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert de nietigheid van het hem door gedaagde gegeven ontslag uit te spreken, gedaagde te veroordelen tot verschuldigde en eiser in de gelegenheid te stellen per direct zijn werkzaamheden weer te verrichten. Gedaagde stelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 291
JAR 2006/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer : 676984 CV EXPL 05-36544

Uitspraak : 26 januari 2006

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

VONNIS

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiser bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2005,

gemachtigde: mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam,

tegen

het Koninkrijk MAROKKO,

het Consulaat-generaal kantoorhoudende te Rotterdam, Calandstraat 11,

gedaagde,

gemachtigde mr. M. Kaouass, advocaat te Amsterdam.

1. Het verloop van het proces

Eiser heeft bij de dagvaarding onder overlegging van producties - zakelijk weergegeven - gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I de nietigheid van het hem op 21 april 2005 door gedaagde gegeven ontslag uit te spreken;

II gedaagde te veroordelen tot betaling van het sedert 1 april 2005 verschuldigde loon althans ziektewetuitkering, zoals gespecificeerd in de dagvaarding;

III gedaagde te veroordelen hem in de gelegenheid te stellen per direct zijn werkzaamheden te verrichten, versterkt met een dwangsom;

met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Gedaagde heeft zich bij zijn conclusie van antwoord, eveneens onder overlegging van producties, beroepen op de onbevoegdheid van de kantonrechter.

Eiser heeft, onder overlegging van producties, van repliek geconcludeerd.

Gedaagde heeft hierop onder overlegging van één productie van dupliek geconcludeerd.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende vast:

2.1 Tussen eiser en het Ministerie van Buitenlandse Zaken en van Samenwerking van het Koninkrijk Marokko is met dagtekening van 20 juli 2000 een “contrat d’engagement” gesloten, op basis waarvan eiser per 16 oktober 2000 als “agent local” is gaan werken als chauffeur bij het Consulaat-generaal van het Koninkrijk Marokko in Rotterdam. Eiser was ten tijde van zijn (eerste) aanstelling door gedaagde als chauffeur in 1976 in Marokko woonachtig en beschikte, toen, evenals nu, uitsluitend over de Marokkaanse nationaliteit.

Artikel 14 van genoemd contract bepaalt dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende geschillen tot de exclusieve bevoegdheid van de Marokkaanse rechtbanken behoren.

2.2 Op 21 april 2005 heeft gedaagde aan eiser schriftelijk bericht dat hem ontslag is verleend per 18 maart 2005.

3. De stellingen van partijen

3.1 Aan de vordering is naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd:

Nu het ontslag rechtstreeks verband houdt met ziekte, is het nietig doordat gehandeld is in strijd met het opzegverbod van artikel 7:670 van het Burgerlijk Wetboek. Eiser heeft gedaagde via zijn advocaat op deze nietigheid gewezen, maar volgens gedaagde was de Marokkaanse rechter bevoegd en niet de Nederlandse. Dit standpunt is onjuist. Eiser heeft geen positie ambtenaar, doch een arbeidsovereenkomst. Bovendien hebben partijen ervoor gekozen de sociaalrechtelijke voorzieningen die in Nederland gelden, toe te passen. De arbeid van eiser werd gewoonlijk in Nederland verricht, terwijl partijen na het ontstaan van het geschil geen overeenkomst hebben gesloten waarin zij de Marokkaanse rechter aanwijzen als de rechter aan wie zij het geschil voorleggen. Ingevolge artikel 6 juncto artikel 8 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dus de Nederlandse rechter bevoegd.

Het ontslag is ook kennelijk onredelijk, omdat het ertoe leidt dat eiser geen aanspraak kan maken op zijn verzekering ingevolge de Ziektewet.

3.2 Gedaagde heeft voor alle weren ten gronde aangevoerd dat de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in deze geen rechtsmacht heeft en dus onbevoegd is van de vordering kennis te nemen, zodat eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding.

Gedaagde heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd:

primair geldt dat partijen in artikel 14 van de aanstellingsovereenkomst de exclusieve bevoegdheid van de Marokkaanse rechter hebben geregeld voor alle geschillen. Deze forumkeuze staat partijen vrij;

subsidiair komt gedaagde ten aanzien van het arbeidsgeschil immuniteit toe op grond van het internationaal publiekrecht en de daarvan deel uitmakende volkenrechtelijke verdragen en grondslagen. Bij dit laatste is van belang dat eiser uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit heeft en werkzaam was bij de Marokkaanse Staat en niet lokaal (in Nederland) is aangeworven. De keuze voor het UWV ten behoeve van een verzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid in plaats van een particuliere verzekeringsmaatschappij is uitsluitend een financiële kwestie en houdt niet in dat eiser daarmee als een lokaal aangeworven personeelslid wordt beschouwd;

meer subsidiair is het Nederlandse arbeidsrecht in de zuiver Nederlandse verhoudingen niet van toepassing op personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, zoals gedaagde is. In dat geval zou de ambtenarenrechter en niet de civiele rechter bevoegd zijn.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 De vraag of de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak rechtsmacht toekomt, moet bij het ontbreken van een wettelijke of verdragsbepaling beslist worden aan de hand van het volkenrechtelijke gewoonterecht.

4.2 Volgens het volkenrechtelijke gewoonterecht dient de thans voorliggende vraag beantwoord te worden aan de hand van de maatstaf of de aanstelling van eiser naar haar aard aangemerkt moet worden als een typische overheidshandeling, behorend tot de categorie overheidshandelingen die gewoonlijk met de term “acta iure imperii” worden aangeduid, dan wel als een handeling behorend tot de categorie van handelingen die men wel aanduidt als “acta iure gestionis”.

4.3 In dit geval moet worden geoordeeld dat sprake is van een rechtshandeling behorend tot de eerste categorie.

Het betreft de aanstelling (in 1976) in Marokko bij de Marokkaanse staat van een ten tijde van de aanstelling in Marokko woonachtig persoon van Marokkaanse nationaliteit, wiens aanwezigheid in Nederland kennelijk overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen bij de Nederlandse autoriteiten is gemeld en aan wie door de Nederlandse autoriteiten op grond van het feit dat eiser als consulair ambtenaar was aangemeld een uitsluitend voor consulaire ambtenaren bestemd verblijfsdocument is verstrekt. Op het door eiser ontvangen loon is in Nederland nimmer loonbelasting afgedragen.

Eiser heeft deze feiten niet genoegzaam weersproken.

4.4 Anders dan eiser lijkt te stellen volgt uit de omstandigheid dat eiser in Nederland tewerkgesteld zou worden als “agent local” niet dat hij valt onder wat wel aangeduid wordt als lokaal (geworven) personeel. De term duidt er veeleer op dat eiser is tewerkgesteld voor het verrichten van “consulaire” activiteiten op de locatie Rotterdam. De precieze aard van die activiteiten kan daarbij in het midden blijven. De kantonrechter overweegt hierbij dat iemand in het volkenrecht slechts als lokaal personeelslid wordt aangemerkt, indien betrokkene (naast andere criteria) in de ontvangstaat is aangeworven.

Dat partijen na het sluiten van de arbeidsovereenkomst hebben afgesproken dat eiser door gedaagde bij het UWV in aanmerking zou worden gebracht voor verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, wil geenszins zeggen dat eiser hierdoor als lokaal aangeworven personeelslid dient te worden beschouwd, doch vloeit voort uit het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko.

4.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de kantonrechter bij het ontbreken van rechtsmacht niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart zich bij het ontbreken van rechtsmacht niet bevoegd tot kennisneming van het onderhavige geschil;

veroordeelt eiser in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde bepaald op nihil aan verschotten en € 540,- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.