Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AV0528

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
05/2243
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit is niet genomen met inachtneming van hetgeen in de eerdere uitspraak is overwogen. De stelling dat een andere uitkomst een met het gemeenschapsrecht strijdige situatie oplevert die ernstige consequenties voor de Nederlandse regering zal hebben, maakt niet dat verweerster bevoegd was het bestreden besluit op het door het College en de rechtbank verworpen standpunt te baseren.

Nu vrijwel uitgesloten is dat verweerster het primaire besluit op rechtens houdbare gronden zou handhaven, mede gelet op de lange duur van de onderhavige procedure, op het belang van eiseres bij een finale beslechting van het geschil en de opstelling van verweerster daarin,

voorziet de rechtbank zelf in de zaak door het bezwaar gegrond verklaren en het primaire besluit te herroepen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 05/2243 HAM1

Uitspraak

in het geding tussen

Scanimex N.V., wonende te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde R.J.N. van der Laan, adviseur douane en internationale handel te Rotterdam,

en

de Voedsel- en Warenautoriteit, verweerster,

gemachtigde mr. drs. N. Saanen-Siebenga, advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 7 januari 1999 is de invoer/doorvoer binnen de Europese Unie van 780 ten invoer aangeboden dozen bevroren zalm en regenboogforel, afkomstig uit Chili, bekend onder GPC-nummer 51088590, geweigerd.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiseres bij ongedateerde brief, bij verweerster ontvangen op 19 januari 1999, aangevuld bij brief van 5 februari 1999, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 november 1999 (kenmerk: DWJZ-9944) heeft verweerster, in afwijking van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb van 30 augustus 1999, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 20 december 1999 beroep ingesteld bij het College van Beroep voor bedrijfsleven (hierna: het College).

Bij uitspraak van 20 februari 2003 (kenmerk: AWB 99/1041) heeft het College het beroep van eiseres gegrond verklaard, het besluit van 16 november 1999 vernietigd en bepaald dat verweerster opnieuw een beslissing op het bezwaarschrift van eiseres neemt overeenkomstig het in de uitspraak overwogene.

Verweerster heeft bij besluit van 20 augustus 2003, verzonden 21 augustus 2003 (kenmerk: DWJZ-9944-23) het bezwaar van eiseres wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 september 2004 het tegen dat besluit gerichte beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 augustus 2003 vernietigd en bepaald dat verweerster opnieuw een beslissing op bezwaar neemt in overeenstemming met hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 20 april 2005 (kenmerk: TRVV/05/12204) heeft verweerster het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 27 mei 2005 beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 11 november 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2005. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en E. Land, directeur van eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. N. Haijstek.

2. Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Richtlijn 91/493/EEG van de Raad van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van visserijproducten, luidt, voor zover hier van belang als volgt:

"Art. 3

1. Voor het in de handel brengen van in hun natuurlijk milieu gevangen visserijproducten gelden de volgende voorwaarden:

(...)

f) zij moeten zijn voorzien van een identificatie overeenkomstig hoofdstuk VII van de bijlage.

(...)"

Hoofdstuk VII van de bijlage van Richtlijn 91/493/EEG houdt onder meer het volgende in:

"Identificatie

Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 79/112/EEG, moet het voor inspectiedoeleinden mogelijk zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de markering of van de begeleidende documenten.

Te dien einde moeten de volgende gegevens op de verpakking of, in geval van onverpakte producten, op de begeleidende documenten zijn vermeld:

- de naam van het land van verzending, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort in hoofdletters, (...)

- de identificatie van de inrichting of het fabrieksvaartuig aan de hand van het officiële erkenningsnummer, of, wanneer de producten direct in de handel worden gebracht vanaf een vriesvaartuig dat onder punt 7 van bijlage II van Richtlijn 92/48/EEG valt, aan de hand van het registratienummer van het vaartuig, of, (...)

Deze gegevens moeten goed leesbaar zijn en op de verpakking bijeen staan, op een zodanige plaats dat er kennis van kan worden genomen zonder dat de verpakking behoeft te worden opengemaakt."

Artikel 2, derde lid, van de Beschikking 93/436/EEG bepaalt dat tenzij het ingevroren visserijproducten voor de conservenindustrie betreft, op iedere verpakking onuitwisbaar het woord "Chili" en het erkenningsnummer van de inrichting van herkomst of van het fabrieksvaartuig moeten zijn aangebracht.

Artikel 8, aanhef en onder c, van de Warenwetregeling visserijproducten, tweekleppige weekdieren, slakken en kikkerbillen bepaalt dat de in artikel 3 bedoelde visserijproducten zijn voorzien van vermeldingen overeenkomstig bijlage V.

Bijlage V Vermeldingen bepaalt:

“Onverminderd het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, dient het voor inspectiedoel- einden mogelijk te zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de merking of van de begeleidende documenten.

De volgende gegevens zijn daartoe op de verpakking en voorverpakking of, in geval van onverpakte producten, op de begeleidende documenten vermeld:

- de naam van het land van verzending, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort in hoofdletters, (...)

de identificatie van de inrichting aan de hand van het officiële erkenningsnummer of, (...).

Deze gegevens staan op de verpakking bij elkaar, op een zodanige plaats dat er kennis van kan worden genomen zonder dat de verpakking behoeft te worden opengemaakt."

Artikel 2 van de Warenwetregeling Gezondheidscontroles Levensmiddelen van dierlijke oorsprong (derde landen) bepaalde onder meer dat het binnen Nederlands grondgebied brengen van eet- en drinkwaren, afkomstig uit een land dat niet behoort tot de Europese Unie, geschiedt met inachtneming van de ter zake bij of krachtens gestelde bepalingen in Richtlijn 90/675/EEG.

Het eerste lid van artikel 16 van de Richtlijn 90/675/EG luidde:

“1. Wanneer de bevoegde autoriteit bij de in deze richtlijn omschreven controles constateert dat de producten niet aan de voorwaarden van de communautaire voorschriften of, voor gebieden waarvoor nog geen harmonisatie op communautair niveau heeft plaatsgevonden, aan de voorwaarden van de nationale voorschriften voldoen, of wanneer blijkt dat onregelmatigheden zijn begaan, besluit de bevoegde autoriteit na overleg met de importeur of diens vertegenwoordiger om:

a) of wel de partij binnen een door de bevoegde nationale autoriteit vast te stellen termijn door te zenden naar een plaats die buiten het in bijlage I omschreven grondgebied gelegen is, wanneer veterinairrechtelijke en gezondheidsoverwegingen zich daar niet tegen verzetten.

In dat geval moet de officiële dierenarts van de inspectiepost aan de grens:

- de andere inspectieposten aan de grens er overeenkomstig lid 5 van in kennis stellen dat de partij is geweigerd, met opgave van de geconstateerde overtredingen

- het veterinaire certificaat of document dat de geweigerde partij vergezelt, intrekken op de wijze die moet worden gepreciseerd volgens de procedure van artikel 24

- de Commissie, volgens een nader te bepalen frequentie, via de bevoegde centrale autoriteit in kennis stellen van de aard en de frequentie van de geconstateerde overtredingen

b) of wel, indien het onmogelijk is de partij door te zenden, deze te vernietigen op het grondgebied van de Lidstaat waar de controles worden uitgevoerd.”

Ingevolge het tiende lid van artikel 2 van het Warenwetbesluit Visserijproducten, slakken en kikkerbillen is het verboden visserijproducten binnen Nederlands grondgebied te brengen anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

Artikel 4 van het Warenwetbesluit Visserijproducten, slakken en kikkerbillen bepaalt dat Onze minister, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, ter uitvoering van de richtlijn visserijproducten en de richtlijn tweekleppige weekdieren nadere regels stelt ten aanzien van de behandeling, bewerking, bereiding, verwerking, samenstelling, bewaring, verpakking, verhandeling, etikettering en het vervoer van visserijproducten.

De toepasselijke bepalingen van de Warenwetregeling visserijproducten en tweekleppige weekdieren, voor zover hier van belang, luiden als volgt:

“Artikel 8, aanhef en onder c, bepaalt dat de in artikel 3 bedoelde visserijproducten zijn voorzien van vermeldingen overeenkomstig bijlage V.”

Bijlage V Vermeldingen bepaalt:

“Onverminderd het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, dient het voor inspectiedoel- einden mogelijk te zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de merking of van de begeleidende documenten.

De volgende gegevens zijn daartoe op de verpakking en voorverpakking of, in geval van onverpakte producten, op de begeleidende documenten vermeld:

- de naam van het land van verzending, hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort in hoofdletters, (...)

de identificatie van de inrichting aan de hand van het officiële erkenningsnummer of, (...).

Deze gegevens staan op de verpakking bij elkaar, op een zodanige plaats dat er kennis van kan worden genomen zonder dat de verpakking behoeft te worden opengemaakt."

2.2 Feiten

Bij het primaire besluit is de invoer/doorvoer binnen de Europese Unie van 780 ten invoer aangeboden dozen bevroren zalm en regenboogforel, afkomstig uit Chili, bekend onder GPC-nummer 51088590, geweigerd.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerster bij besluit van 16 november 1999, in afwijking van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb van 30 augustus 1999, inhoudende dat het bezwaar van eiseres gegrond verklaard diende te worden tenzij via het nummer van de fabrikant dat op de verpakking vermeld is het land van oorsprong niet op administratief eenvoudige wijze is te achterhalen, ongegrond verklaard.

Blijkens de uitspraak van 20 februari 2003 van het College heeft verweerster aan het besluit van 16 november 1999 het standpunt ten grondslag gelegd dat door het ontbreken van een vermelding van het land van herkomst op de verpakking niet op administratief eenvoudige wijze de herkomst van de partij is vast te stellen. Aan de mogelijkheid tot herstel van deze onregelmatigheid - neergelegd in een interne instructie - heeft verweerster geen toepassing gegeven, omdat sprake was van een te hoog percentage afwijkingen van de voorschriften.

Beslissende op het beroep tegen het besluit van 16 november 1999 heeft het College geoordeeld dat niet overtuigend is gemotiveerd dat het land van herkomst niet op administratief eenvoudige wijze is vast te stellen. Bij gebreke van zodanige motivering heeft het College geoordeeld dat niet onaannemelijk is dat in dit geval op administratief eenvoudige wijze de herkomst van de partij kon worden vastgesteld.

In haar uitspraak van 30 september 2004 heeft de rechtbank vastgesteld dat verweerster geen aanleiding heeft gezien overwegingen te wijden aan dit oordeel van het College. De rechtbank heeft overwogen dat weliswaar sprake is van dwingend recht, maar dat dit onverlet laat dat verweerster in de uitvoeringspraktijk een instructie hanteert waarin de mogelijkheid van herstel van onregel-matigheden is neergelegd. Het standpunt van verweerster inhoudende dat het dwingendrechtelijke karakter van de regelgeving in de weg staat aan het geven van gelegenheid tot herstel van de onregelmatigheid, heeft de rechtbank in de uitspraak van 30 september 2004 verworpen.

Tegen de uitspraak van 30 september 2004 is geen hoger beroep ingesteld.

2.3 Standpunten van partijen

In het bestreden besluit heeft verweerster opnieuw het standpunt ingenomen dat aan de hand van het erkenningsnummer en de naam van de inrichting in Chili niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of de visserijproducten uit Chili afkomstig zijn. Verweerster heeft daarbij toegelicht dat bij de overeenstemmingscontrole - waartoe zij op grond van het gemeenschapsrecht is gehouden - door middel van een eenvoudige visuele inspectie wordt vastgesteld of het certificaat daadwerkelijk behoort bij de ter controle aangeboden producten. Hieruit volgt dat indien het land van herkomst op de verpakking ontbreekt, het certificaat niet kan worden gebruikt om vast te stellen wat het land van herkomst van de producten is. Aan de hand van alleen het erkenningsnummer van de naam van de inrichting kan niet worden vastgesteld of de producten uit Chili afkomstig zijn. Het toelaten van visserijproducten uit Chili waarbij op de verpakking niet het woord “Chili” is vermeld, is in strijd met het gemeenschapsrecht waarvan niet kan worden afgeweken. Daaruit volgt volgens verweerster dat zij niet - op grond van de interne instructie - gelegenheid heeft mogen geven de onregelmatigheid te herstellen.

Eiseres heeft gesteld dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, omdat verweerster vasthoudt aan argumenten die het College en de rechtbank hebben verworpen.

Door verweerster is gesteld dat het beroepschrift van 27 mei 2005 noch het aanvullende beroepschrift van 27 juni 2005 de gronden van het beroep bevat, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verweerster heeft gesteld dat de regelgeving haar geen ruimte biedt andere standpunten in te nemen dan zij bij het bestreden besluit heeft gedaan.

2.4 Beoordeling

Eiseres heeft in het beroepschrift aangevoerd dat verweerster ondanks de eerdere uitspraken van de rechtbank en het College nog immer aan dezelfde argumenten vasthoudt. Nu eiseres in het beroepschrift voorts heeft verwezen naar de inhoud van haar eerdere beroepschrift, bevat het beroepschrift naar het oordeel van de rechtbank de gronden van het beroep, zodat geen aanleiding bestaat het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank overweegt dat tegen de uitspraak van 30 september 2004 geen hoger beroep is ingesteld, zodat die uitspraak in rechte is komen vast te staan.

De uitspraak van 20 februari 2003 van het College en de uitspraak van 30 september 2004 van de rechtbank hebben gezag van gewijsde verkregen. Dit betekent dat zowel verweerster, bij het nemen van het bestreden besluit, als de rechtbank, bij het toetsen van dat besluit, gebonden is aan de overwegingen waarop die uitspraken zijn gebaseerd.

De rechtbank stelt vast dat verweerster het bestreden besluit evenals het vernietigde besluit van 20 augustus 2003 heeft gebaseerd op de overweging dat aan de hand van het erkenningsnummer en de naam van de inrichting in Chili niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of de visserijproducten uit Chili afkomstig zijn.

De omstandigheid dat verweerster zich bij het bestreden besluit op nadere argumenten heeft gebaseerd, doet aan het voorgaande niet af.

De door verweerster opgeworpen stelling dat het nemen van een besluit met een andere uitkomst dan het bestreden besluit een met het gemeenschapsrecht strijdige situatie oplevert die ernstige consequenties voor de Nederlandse regering zal hebben, maakt niet dat verweerster bevoegd was het bestreden besluit op het door het College en de rechtbank verworpen standpunt te baseren.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerster bij het bestreden besluit de weigering van de invoer van de partij niet op een andere rechtsgrond heeft gebaseerd.

Gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen in haar eerdere uitspraak van 30 september 2004, concludeert de rechtbank dat verweerster het bestreden besluit niet heeft genomen met inachtneming van hetgeen in die eerdere uitspraak is overwogen.

De rechtbank merkt op dat, indien verweerster van mening is dat de rechtbank, beslissende op het eerdere beroep tot een andere uitspraak heeft kunnen en moeten komen, het op de weg van verweerster lag tegen die uitspraak hoger beroep aan te tekenen, op de wijze zoals in die uitspraak is vermeld.

Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

Van de zijde van eiseres is gewezen op haar belang bij finale beslechting van de onderhavige procedure.

Ter beantwoording van de vraag of na vernietiging van het bestreden besluit verweerster nog de bevoegdheid toekomt een ander besluit te nemen dan de enkele herroeping van het besluit van 7 januari 1999, heeft de rechtbank verweerster ter zitting in de gelegenheid gesteld rechtsgronden te noemen waarop de weigering van de invoer alsnog stand zou kunnen houden, anders dan de grond waarop het besluit van 7 januari 1999 destijds is genomen en welke grond tot in het bestreden besluit is gehandhaafd.

Ter zitting is van de zijde van verweerster verklaard dat geen nevengeschikte gronden kunnen worden aangewezen waarop verweerster het besluit van 7 januari 1999 alsnog zou kunnen doen steunen en dat verweerster, indien zulke gronden voor weigering haar bekend zouden zijn geweest, deze eerder in een besluit op bezwaar zou hebben gebruikt. Naar verwachting van verweerster zal het alsnog geven van gelegenheid tot het hangende beroep aanvoeren van zodanige gronden, geen resultaat hebben. Verweerster heeft aangegeven dat een fysieke keuring van de partij, gelet op de uitkomst van de overeenstemmingscontrole, niet aan de orde was en ook niet heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster indien zij opnieuw op het bezwaar zou moeten beslissen, nu het vrijwel uitgesloten is dat verweerster het besluit van 7 januari 1999 op rechtens houdbare gronden zou handhaven, mede gelet op de lange duur van de onderhavige procedure, op het belang van eiseres bij een finale beslechting van het geschil en de opstelling van verweerster daarin, rechtens nog slechts tot de conclusie zou kunnen komen dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard en het besluit van 7 januari 1999 moet worden herroepen.

Derhalve zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door, onder herroeping van het besluit van 7 januari 1999, het bezwaar gegrond verklaren.

De rechtbank ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het bezwaar alsnog gegrond wordt verklaard en het besluit van 7 januari 1999 wordt herroepen,

bepaalt dat de Voedsel- en Warenautoriteit aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 276,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst de Voedsel- en Warenautoriteit aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hamaker.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2006.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.