Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AU9757

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-01-2006
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
05/2024
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar van de gemeente heeft rechtbank de juistheid van de door

hem verdedigde, geschatte stichtingskosten van € 315.000 onvoldoende aannemelijk gemaakt.. De aanneemsom voor de oorspronkelijk te bouwen woning bedroeg € 143.430,-. De heffingsambtenaar heeft de wijze waarop het computerprogramma de bouwkosten berekent niet inzichtelijk gemaakt en heeft geen door het programma uitgevoerde berekeningen en resultaten overgelegd. Strijd met 7:12, eerste lid, Awb.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/435
FutD 2006-0127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Registratienummer: LEGGW 05/2024-NIFT

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[a], wonende te [b], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft op 21 september 2004 een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning ingediend.

Met dagtekening 30 december 2004 heeft verweerder ter zake van het in behandeling nemen van deze aanvraag aan eiser een aanslag in de bouwleges, aanslagnummer 21213724 2004204362, opgelegd tot een bedrag van € 6.948,-.

Tegen deze aanslag heeft eiser bij brief van 25 januari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 april 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen deze uitspraak bij brief van 8 mei 2005 bij het Gerechtshof 's-Gravenhage beroep ingesteld, alwaar het op 11 mei 2005 is ingekomen. Nadat het beroepschrift overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb is doorgezonden, is het op 13 mei 2005 bij de rechtbank ingekomen.

Op 24 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 28 november 2005 te Rotterdam plaatsgevonden. Aanwezig was eiser alsmede mr. B.J. Klein namens de heffingsambtenaar, vergezeld door M.J.C. van Hulten en F.H. Roos.

2. Feiten en omstandigheden

2.1 Aan Beethoven Participatie Maatschappij (hierna: Beethoven) is op 29 juni 2004 een bouwvergunning verleend voor het oprichten van 46 woningen aan de [x] .

2.2 Door middel van invulling en ondertekening op 21 september 2004 van een daartoe bestemd formulier heeft eiser een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet ingediend. Bij de invulling heeft eiser hulp ontvangen van architectenbureau A1-ontwerpgroep te Rotterdam (hierna ook: de architect). Een medewerker van de architect heeft het aanvraagformulier mede-ondertekend.

2.3 Eisers aanvraag heeft betrekking op een wijziging van het plan tot het oprichten van eisers toekomstige woning. Deze wijziging strekt tot vergroting van de oppervlakte van de woning, wijziging van de indeling van de gevels, het in alle dakvlakken plaatsen van dakkapellen en het aanbrengen van een kelder. De door eiser opgegeven bouwsom bedraagt € 150.000.

2.4 Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag heeft verweerder over de geschatte stichtingskosten van de woning ad € 315.000,- een aanslag in de bouwleges opgelegd tot een bedrag van € 6.948,-.

3. Omschrijving van het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de onderwerpelijke aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend.

3.2 Ter ondersteuning van zijn standpunt voert eiser het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aan. Volgens de bouwinspecteur was het mogelijk een uitbouw aan te brengen, waarvoor echter een bouwvergunning was vereist. De onderhavige aanvraag voor een bouwvergunning vermeldt dat het een wijziging van het bouwplan betreft. Ook blijkens de ontvangstbevestiging d.d. 30 december 2004 is sprake van het gewijzigd oprichten van de woning. Derhalve is geen sprake van een nieuwe aanvraag. De kosten van de woning inclusief de kosten van de verbouwing bedragen € 150.000,-. Dit bedrag is ontleend aan de architect. Voor het oorspronkelijke bouwplan zijn door Beethoven reeds leges voldaan, zodat eiser slechts leges verschuldigd is over het meerwerk. Verweerder heeft ten onrechte de gehele procedure doorlopen alvorens hij eiser er in de uitspraak op bezwaar van op de hoogte stelde dat de onderhavige aanvraag slechts door de aanvrager van de oorspronkelijke bouwvergunning, derhalve Beethoven, kon worden ingediend zonder dat wederom leges verschuldigd zouden zijn. Uitgaande van de door eiser betaalde opstalkosten ad € 143.430,- is op grond van de verordening € 3.825,- aan leges verschuldigd. Eiser is ten onrechte aangeslagen voor de totale stichtingskosten van de woning, inclusief de verbouwing.

3.3 Verweerder voert daartegenover het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aan. Door indiening van de aanvraag door eiser is opnieuw een volledige toetsing noodzakelijk geworden, aangezien de Woningwet het begrip gewijzigd bouwplan niet kent. Zonder zelfstandige vergunning mocht eiser de verbouwingen niet (laten) uitvoeren. De bouwleges zijn terecht over de geschatte stichtingskosten ad € 315.000,- berekend. De gemeente heeft gebruik gemaakt van de aanzienlijke beleidsvrijheid die zij heeft ten aanzien van het bepalen van de heffingsmaatstaf en de belastingplicht. De onderhavige aanvraag moet worden aangemerkt als een afzonderlijke aanvraag van een bouwvergunning. Bij gebreke van een nadere opgave zijn de totale kosten van de bouwwerkzaamheden, in overstemming met de verordening, geschat op een klasse waarbij de stichtingskosten hoger dan € 250.000,- zijn. Aangeknoopt is bij de daarvoor geldende richtlijnen, waarin limitatief is vermeld welke onderdelen tot de aanneemsom behoren. De waarde van voorzieningen die niet in de aanneemsom zijn verdisconteerd, wordt bepaald naar de waarde in het economische verkeer. Deze rekensystematiek is door de Hoge Raad aanvaard. De geheven leges zijn afgestemd op de werkelijke bouwkosten.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Verordening bouwleges 2004 van de gemeente Rotterdam (hierna: de Verordening) luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 1 Aard van de heffing en belastbaar feit

Onder de naam bouwleges worden rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 2 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend.

Artikel 3 Heffingsmaatstaf en tarieven

1. De bouwleges worden geheven naar de heffingsmaatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieventabel.

(…)

Artikel 4 Wijze van heffing

De bouwleges worden geheven bij wege van aanslag."

4.2 De bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieventabel luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"HOOFDSTUK 1 BOUWVERGUNNINGEN

1.1 Maatstaf van heffing:

Maatstaf van heffing zijn de stichtingskosten van de zaak waarop de aanvraag om een bouwvergunning, als bedoeld in artikel 40, lid 1, van de Woningwet, betrekking heeft.

(…)

1.1.2 De stichtingskosten worden berekend volgens de STABU-besteksystematiek

(Standaardbestek voor de Burger- en Utiliteitsbouw), tenzij de belastingplichtige aannemelijk

maakt dat zulks tot een onjuiste uitkomst leidt.

(…)

1.3 Algemeen tarief:

Voor zover in de tarieventabel geen of geen bijzonder tarief is vermeld, bedraagt het tarief ter

zake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een bouwvergunning:

Stichtingskosten Tarieven (€)

Tariefklassen in €

2004

(…) (…) (…)

V 100.000,01 t/m 250.000 3.825,00

VI 250.000,01 t/m 500.000 6.948,00

(…)

(…)

1.5 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet: het tarief als genoemd onder 1.3."

4.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de door hem in het geding gebrachte stukken en zijn ter zitting gegeven toelichting, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige aanvraag een nieuwe, afzonderlijke aanvraag voor een bouwvergunning betreft. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verbouwing ter zake waarvan eiser de aanvraag heeft ingediend, is ingrijpend. Zo brengt deze verbouwing volgens het aanvraagformulier met zich dat de bebouwde oppervlakte, de bruto vloeroppervlakte en de bruto inhoud van de woning aanzienlijk worden vergroot. Ook leidt de verbouwing tot een wijziging van de indeling van de gevels en worden in alle dakvlakken dakkapellen aangebracht en wordt een kelder aangebracht. Voorts heeft verweerder ter zitting de bouwtekeningen getoond van de door Beethoven op te richten woningen en de bouwtekening van de door eiser gekochte woning zoals deze er na de verbouwing uit zou zien. Daaruit blijkt dat eisers woning in grote mate van de overige woningen afwijkt. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een wijziging op ondergeschikte punten. Hieruit volgt dat de gemeente de aanvraag terecht in behandeling heeft genomen en leges van eiser heeft geheven.

4.4 Daaraan kan niet afdoen de stelling van eiser dat de onderhavige aanvraag voor een bouwvergunning vermeldt dat het een wijziging van het bouwplan betreft. Hetzelfde geldt voor de stelling dat ook blijkens de aanslag, door eiser abusievelijk ontvangstbevestiging genoemd, sprake is van het gewijzigd oprichten van de woning.

4.5 Terecht stelt verweerder dat de gemeente een aanzienlijke beleidsvrijheid heeft bij het bepalen van de heffingsmaatstaf en het vaststellen van de belastingplicht. Binnen de door de Gemeentewet gegeven grenzen hebben gemeenten immers een autonome bevoegdheid ten aanzien van (de invoering van) heffing van rechten als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet. Die bevoegdheid strekt zich eveneens uit tot de in aanmerking te nemen heffingsmaatstaf (o.a. Gerechtshof 's-Gravenhage 11 mei 2005, 2004/00919, LJN: AT5448). Het beoogde verband tussen de hoogte van het voor een dienst geheven recht en de waarde van die dienst wordt het beste benaderd met de prijs die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor een bouwwerk waarvoor die vergunning wordt verleend (o.a. HR 6 oktober 1982, nr. 21 332, BNB 1982/289).

4.6 Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter de juistheid van de door

hem verdedigde, geschatte stichtingskosten van € 315.000 onvoldoende aannemelijk gemaakt.. Hierbij is van belang dat blijkens de door eiser overgelegde koop-/aanneminsovereenkomst de aanneemsom voor de oorspronkelijk te bouwen woning € 143.430,- bedroeg. Zonder nadere onderbouwing vermag de rechtbank niet in te zien dat de totale kosten volgens het nieuwe bouwplan meer dan het dubbele daarvan zouden bedragen. De rechtbank acht voorts het verschil tussen de door eiser opgegeven bouwsom van € 150.00,- en de raming van verweerder dusdanig dat niet zonder meer van de juistheid van deze raming kan worden uitgegaan. Hieraan doet niet af dat eiser niet gereageerd heeft op de brief waarbij hij van deze raming op de hoogte is gesteld. Ter zitting heeft verweerder weliswaar verklaard dat voor de berekening van de in aanmerking te nemen bouwkosten een computerprogramma pleegt te worden gehanteerd, hij heeft echter de wijze waarop dit computerprogramma dat doet niet inzichtelijk gemaakt en ook heeft verweerder geen door het programma uitgevoerde berekeningen en resultaten overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.

4.7 De rechtbank ziet aanleiding de uitspraak op bezwaar te vernietigen en te bepalen dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar zal nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.8 Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is.

4.9 De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu dergelijke kosten zijn gesteld noch gebleken.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar doet, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. L.A.C. van Nifterick als voorzitter en mr. D.C.J. Peeck en mr. A.M. Wiechers als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Lader als griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2006.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend

aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.