Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AU9752

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
23-01-2006
Zaaknummer
678708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze beschikking op een verzoek conform art. 23 Handelsregisterwet behandelt de bevoegdheid van een aandeelhouder om het besluit tot ontbinding van een rechtspersoon buiten rechte te herzien en van dit feit inschrijving in het Handelsregister te verlangen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2006, 109
JIN 2006/114
JOR 2006/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 12 januari 2006

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

BESCHIKKING ex artikel 23, lid 1 Handelsregisterwet

in de zaak van:

De Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende, medewerker juridische zaken van de

Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PMDC Europe B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté,

advocaat en procureur te Amsterdam.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “De Kamer” en “PMDC”.

1. Het verloop van de procedure

Op 9 november 2005 is ter griffie van de rechtbank, sector kanton, het verzoek van De Kamer ontvangen om de huidige inschrijving van de rechtspersoon PMDC Europe B.V. onder nummer 24278574 te wijzigen door herstel van de inschrijving zoals die was op 5 januari 2005.

PMDC heeft een verweerschrift ingediend. Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op

19 december 2005. Ter zitting is namens De Kamer verschenen: de heer [naam], bijgestaan door de gemachtigde. Namens PMDC is verschenen de heer [naam], bijgestaan door de gemachtigde en mr. A. C. Schaafsma.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan:

2.1 PMDC maakt deel uit van een groep vennootschappen, waarvan PPL Global Corporation aan het hoofd staat. PMDC was een houdstervennootschap van PPL Global.

2.2 Omdat PMDC geen activiteiten meer verrichtte, heeft PPL Global besloten PMDC te liquideren. Op 17 december 2004 heeft de aandeelhoudersvergadering van PMDC besloten de vennootschap te ontbinden. Er is een vereffenaar benoemd. De ontbinding van de vennootschap werd op 5 januari 2005 geregistreerd in het handelsregister.

2.3 De algemene vergadering van aandeelhouders van PMDC heeft op 1 september 2005 het ontbindingsbesluit ingetrokken. Op 6 september 2005 heeft notaris mr. R. van Bork opgave gedaan van de intrekking van het besluit tot ontbinding en op dezelfde datum is één en ander in het handelsregister ingeschreven.

3. Het verzoek

Naast de hiervoor beschreven vaststaande feiten heeft De Kamer -kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd.

De huidige registratie is onjuist. Los van de vraag of het eenmaal genomen besluit tot ontbinding nog wel kan worden ingetrokken met een nieuw besluit van de aandeelhouders, is de buitengerechtelijke verklaring daartoe niet de aangewezen weg. De wetgever heeft daartoe de procedure als vermeld in artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aangewezen. Één en ander blijkt ook uit een op 8 december 1997 geschreven advies van professor mr. A. L. Mohr. De regeling van artikel 2:15 BW wordt overbodig wanneer ook buiten rechte een ontbindingsbesluit, het meest verstrekkende besluit dat genomen kan worden, tot de mogelijkheden behoort. De betrouwbaarheid van het handelsregister en daarmee de rechtszekerheid worden er geen dienst mee bewezen.

4. Het verweer

PMDC heeft -voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven- het volgende ten verwere aangevoerd.

Het besluit tot ontbinding is geldig en onaantastbaar. Geen van de wettelijke vernietigingsgronden doet zich voor. De aandeelhouders hebben het besluit tot ontbinding niet vernietigd, maar ingetrokken. Het beroep op het advies van professor Mohr is onjuist, nu het advies is gebaseerd op de vernietiging van een besluit. Ook gaat het advies voorbij aan het arrest Jansen Pers (HR 19 maart 1995, NJ 1995, 595). Niet valt in te zien waarom voor een ontbindingsbesluit andere vereisten gelden dan voor het intrekken van een ander besluit. Op grond van de bestaande wetgeving werd voor

26 mei 2000 gedacht dat een besluit tot ontbinding onherroepelijk is. De wetgever komt op dit standpunt terug, gelet op de nota modernisering van het ondernemingsrecht. In de literatuur is een discussie gaande over de mogelijkheid terug te komen op een genomen besluit tot ontbinding. PMDC heeft tevens besloten dat derden die schade lijden door de intrekking van het besluit, schadeloos worden gesteld. Derden worden zo afdoende beschermd. In dit geval zijn geen derden geschaad door de intrekking van het ontbindingsbesluit.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Op 17 december 2004 heeft de aandeelhoudersvergadering van PMDC besloten de vennootschap te ontbinden. Tegelijk werd een vereffenaar benoemd. Het besluit werd ingeschreven in het handelsregister. Geruime tijd later, op 1 september 2005, heeft de aandeelhoudersvergadering besloten het besluit te herroepen. Reden voor dit nieuwe besluit was, naar PMDC stelt, een onvoorziene wijziging van de fiscale wetgeving in Groot-Brittannië, waardoor alsnog een noodzaak ontstond om PMDC ook in Europa gevestigd te doen zijn.

5.2 De Kamer stelt zich op het standpunt dat een eenmaal genomen ontbindingsbesluit niet door de vennootschap kan worden ingetrokken en met name niet buiten rechte, omdat daartoe een wettelijke voorziening is getroffen in artikel 2:15 BW. De Kamer beroept zich ter motivering van deze stelling op een door professor mr. A.L. Mohr op

8 december 1997 uitgebracht advies in de zaak van De Kamer tegen Celsius B.V.. In deze zaak heeft de kantonrechter te Amsterdam op 13 mei 1998 beschikt.

5.3 Uit de voornoemde beschikking van de kantonrechter te Amsterdam blijkt dat in deze zaak sprake was van een besluit tot ontbinding dat volgens de beide aandeelhouders onder invloed van dwaling tot stand was gekomen. Vervolgens hebben de beide aandeelhouders dit besluit buiten rechte willen vernietigen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat een besluit van een vennootschap niet buiten rechte kan worden vernietigd, gelet op het in artikel 2:15 BW bepaalde. In zijn advies was professor Mohr was tot dezelfde slotsom gekomen.

5.4 Thans is een geheel andere situatie aan de orde gesteld. PMDC beoogt niet de vernietiging van het ontbindingsbesluit, maar zij herroept het eerder genomen besluit tot ontbinding in verband met gewijzigde omstandigheden. De voornoemde uitspraak van de kantonrechter in Amsterdam en het advies van professor Mohr zien derhalve niet op de situatie die thans moet worden beoordeeld. Het is maar zeer de vraag of een verzoek tot vernietiging op grond van artikel 2:15 BW in de gegeven omstandigheden tot de mogelijkheden behoort.

5.5 In het arrest Jansen Pers van 10 maart 1995, NJ 1995, 595 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een herroeping van een emissiebesluit geoordeeld dat de vennootschap de vrijheid geeft om dat besluit te herroepen. De Hoge Raad overweegt: “Voor een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot intrekking van een eerder besluit gelden geen andere vereisten dan voor besluiten van de algemene vergadering in het algemeen”. Hoewel de zaak die door de Hoge Raad werd beoordeeld, niet ziet op een besluit tot ontbinding van de vennootschap, oordeelt de kantonrechter dat er geen reden is om te veronderstellen dat de aangehaalde overweging in het arrest niet tevens van toepassing is op een besluit tot ontbinding van de vennootschap. In dit verband is van belang dat een werkbaar rechtspersonenrecht vereist dat door rechtspersonen tijdig en adequaat kan worden gereageerd op gewijzigde omstandigheden.

5.6 In de rechtsgeleerde literatuur is sprake van een discussie over de vraag of een ontbindingsbesluit kan worden herroepen. Schrijvers als Van Schilfgaarde, Slagter en ook van Olffen en de Kluiver komen uiteindelijk tot de conclusie dat buiten rechte sprake moet kunnen zijn van een herroeping van een eerder genomen besluit tot ontbinding, mits daarbij de belangen van derden niet worden geschaad.

5.7 Er is vooralsnog geen goede grond om aan te nemen dat besluiten van een vennootschap tot herroeping van een eerder genomen besluit tot ontbinding de rechtszekerheid schaden. Zowel het besluit tot ontbinding als het besluit tot herroeping ervan dienen immers te worden gepubliceerd in het handelsregister. Door PMDC is, onweersproken, gesteld dat behoudens het moederbedrijf en een eveneens ontbonden zusterbedrijf, geen derden betrokken zijn geweest bij PMDC. Het is dan ook niet komen vast te staan dat derden schade hebben geleden door de herroeping van het ontbindingsbesluit. Voor zover er van benadeling sprake zou zijn, heeft PMDC uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk toegezegd de betreffende derden schadeloos te stellen wanneer zij schade zouden hebben geleden tengevolge van het herroepen van de ontbinding.

5.8 Aanvaarding van de mogelijkheid om buiten rechte terug te komen op een besluit tot ontbinding van de vennootschap doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van het handelsregister. Het handelsregister dient er immers toe de feitelijk bestaande situatie te registreren en niet kan worden ingezien waarom de registratie van de herroeping van een besluit, ook al betreft het een ontbindingsbesluit, de betrouwbaarheid van het register zou schaden.

5.9 De kantonrechter wijst het verzoek af.

5.10 Gelet op de aard van het geschil is er geen reden voor een kostenveroordeling.

6. De beschikking

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

compenseert de kosten van het geding in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.