Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:BA8417

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
05/1209
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 17 IOAW. Opschorting uitkering. Oningevuld maandformulier. Geen noodzaak voor huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VWWB 05/1209-PEE

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[Verzoeker], verzoeker, wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft verweerder verzoekers uitkering, welke hij in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) ontvangt, met ingang van 10 maart 2005 opgeschort. Dit omdat verzoeker zich niet gehouden heeft aan zijn verplichtingen om medewerking te verlenen en inlichtingen te verstrekken welke noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 15 maart 2005 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoeker bij brief van dezelfde datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2005. Verzoeker was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.L. van der Linden.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Uit de interne kennisgeving van verweerder van 10 maart 2005 blijkt dat er op 10 maart 2005 een huisbezoek is afgelegd bij verzoeker. Verzoeker heeft geweigerd verweerder binnen te laten. Verweerder stelt hierdoor het recht op bijstand niet te hebben kunnen vaststellen. Verzoeker heeft zich niet gehouden aan zijn verplichtingen om medewerking te verlenen en inlichtingen te verstrekken welke noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering.

Vervolgens wordt in deze interne kennisgeving gesteld dat verzoeker in een brief van 15 maart 2005 in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen en alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Verzoeker is daartoe een hersteltermijn van een week gegeven. Een tweede huisbezoek binnen de hersteltermijn werd opnieuw door verzoeker geweigerd.

Bij het bestreden besluit wordt verzoekers uitkering per 10 maart 2005 opgeschort.

Bij brief van 17 maart 2005 wordt verzoeker medegedeeld dat zijn uitkering ingaande 10 maart 2005 is opgeschort in verband met het niet voldoen aan de inlichtingplicht. Op grond hiervan stelt verweerder verplicht te zijn een beëindigingsonderzoek in te stellen.

Verzoeker stelt dat de verzochte medewerking buitenproportioneel is in verhouding tot de in de wet gestelde doeleinden. Immers valt niet in te zien waarom het recht op uitkering niet meer valt vast te stellen zonder dat verzoekers woning wordt betreden.

Bij brief van 31 maart 2005, gericht aan de rechtbank, heeft verweerder aangegeven dat het oningevuld en niet ondertekend retour ontvangen van de maandelijks in te leveren periodieke verklaring een huisbezoek rechtvaardigt. Door het niet toelaten van de medewerkers van de afdeling inkomen kan het recht op (voortzetting van) de IOAW-uitkering niet worden beoordeeld. De betaling is naar de mening van verweerder terecht opgeschort. Nu verzoeker ook binnen de hem geboden hersteltermijn een huisbezoek niet mogelijk heeft gemaakt zal tot beëindiging van de uitkering worden overgegaan.

Ter zitting heeft verzoeker nader aangevoerd dat er geen grond was voor een huisbezoek en hem nimmer ook een reden gegeven is waarom het noodzakelijk zou zijn.

Van de zijde van verweerder is gesteld dat het formulier inzake de periodieke verklaring over de maand februari 2005 oningevuld retour is gekomen. Het bleek niet bestelbaar te zijn, waardoor betwijfeld kan worden of verzoeker nog wel op het opgegeven adres woont. Verweerder acht het uitvoeren van een onaangekondigd huisbezoek in een dergelijke situatie geen zwaar middel. Het bestreden besluit van 15 maart 2005 is verzoeker overhandigd op het moment dat hij bij een tweede poging wederom de toegang weigerde.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 17 van de IOAW luidt – voor zover van belang – als volgt:

1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op uitkering op:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Burgemeester en wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder tot het onaangekondigde huisbezoek op 10 maart 2005 is overgegaan nadat de maandelijks in te leveren periodieke verklaring van de maand februari 2005 oningevuld en niet ondertekend retour was ontvangen. Verzoeker heeft dit huisbezoek geweigerd hetgeen voor verweerder reden was het bestreden besluit te nemen.

Verzoeker stelt de rechtmatigheid van het huisbezoek, naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht, aan de orde. Immers, zoals uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt wordt een onaangekondigd huisbezoek als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aangemerkt. De CRvB heeft in haar uitspraak van 16 april 2002, JABW 2002/106, dan ook overwogen dat deze inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mag zijn met het onderzoek van de verlangde gegevens nagestreefde doel en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het oningevuld retour ontvangen van een maandelijks in te leveren periodieke verklaring niet een dergelijke inbreuk, in de vorm van een onaangekondigd huisbezoek, op de persoonlijke levenssfeer kan rechtvaardigen.

Hierbij overweegt de voorzieningenrechter dat het doel dat verweerder voor ogen heeft, vaststellen of verzoeker nog steeds op het opgegeven adres woont, op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Als naar aanleiding van het niet bestelbaar zijn van de periodieke verklaring er twijfels zouden zijn gerezen over het wel of niet woonachtig zijn van verzoeker op het opgegeven adres dan had verweerder er voor kunnen kiezen verzoeker opnieuw een formulier toe te zenden. Ook had verweerder kunnen volstaan met het persoonlijk afgeven van dit formulier dan wel het uitnodigen van verzoeker voor een gesprek.

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat verzoeker terecht het onaangekondigd huisbezoek van 10 maart 2005 heeft geweigerd, zodat verweerder niet kan stellen dat verzoeker niet de vereiste medewerking heeft verleend aan het onderzoek en er derhalve geen reden is om tot opschorting van verzoekers uitkering over te gaan.

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand zal blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van verweerder van 15 maart 2005 wordt geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker,

bepaalt dat de gemeente Schiedam aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 37,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C.J. Peeck.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. L. Hegie als griffier, uitgesproken in het openbaar op

27 april 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: