Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:BA8416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
05/1354
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 17 IOAW. Opschorting. Overschrijding 8 wekentermijn (RAU).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VWWB 05/1354-PEE

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[Verzoeker], verzoeker, wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft verweerder verzoekers uitkering, welke hij in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) ontvangt, met ingang van 1 februari 2005 opgeschort. Dit omdat verzoeker niet heeft voldaan aan de verplichting om informatie te verstrekken die nodig is voor de beoordeling of zijn uitkering kan worden voortgezet.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 24 maart 2005 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoeker bij brief van dezelfde datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2005. Verzoeker was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.L. van der Linden.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Bij brief van 15 maart 2005 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat hij niet voldaan heeft aan de verplichting om uiterlijk 1 maart 2005 een periodieke verklaring over de maand februari 2005 in te leveren. Verzoeker is daarbij in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen en binnen 7 dagen na dagtekening van het schrijven aan zijn verplichting te voldoen. Indien verzoeker niet aan deze verplichting voldoet wordt zijn uitkering per 1 februari 2005 opgeschort.

Bij het bestreden besluit is verzoekers uitkering vervolgens per 1 februari 2005 opgeschort.

Verzoeker stelt dat het formulier, de zogenaamde periodieke verklaring, over de maand februari 2005 nimmer door hem is ontvangen. Verweerder kan zich daardoor niet op het standpunt stellen dat hij in verzuim is geweest.

Ter zitting heeft verzoeker nader aangevoerd dat hij nimmer een nieuw formulier heeft gekregen.

Van de zijde van verweerder is gesteld dat het formulier inzake de periodieke verklaring over de maand februari 2005 oningevuld retour is gekomen. Het bleek niet bestelbaar te zijn. Verweerder heeft verklaard dat niet standaard een tweede formulier wordt toegezonden, verweerder biedt een herstelmogelijkheid middels het invullen van een dergelijk formulier bij verweerder op kantoor. Iedere uitkeringsgerechtigde wordt in het toekenningsbesluit van zijn uitkering er op gewezen dat hij informatie dient te verschaffen. In dit geval gaat het om informatie op verzoek.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 17 van de IOAW – voor zover van belang – luidt:

1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op uitkering op:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Burgemeester en wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 5 van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (RAU) stellen Burgemeester en wethouders de opschortingsperiode op ten hoogste acht weken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers uitkering bij het bestreden besluit feitelijk is opgeschort per 1 februari 2005. Gelet op het gestelde in artikel 5 van de RAU, dat de opschortingsperiode op ten hoogste acht weken kan worden gesteld, kan de voorzieningenrechter niet anders oordelen dan dat verdere opschorting, nu de termijn van 8 weken reeds op 29 maart 2005 verlopen is, onrechtmatig is.

Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat er sprake is van een kennelijke onrechtmatigheid, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder verzoeker dan wel een hersteltermijn heeft geboden maar dat verweerder daarbij nagelaten heeft aan verzoeker een formulier te doen toekomen waarbij de voorzieningenrechter zich afvraagt hoe reëel de herstelmogelijkheid gezien moet worden. Dat van verzoeker verwacht mag worden dat hij zelf actie onderneemt wanneer hij de periodieke verklaring niet ontvangt, doet hieraan in dit geval niet af.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van verweerder van 23 maart 2005 wordt geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker,

bepaalt dat de gemeente Schiedam aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 37,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C.J. Peeck.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. L. Hegie als griffier, uitgesproken in het openbaar op

27 april 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: