Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AV9019

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
06-04-2006
Zaaknummer
04/1657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mededinging, prioritering, belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr. MEDED 04/1657-WILD

Uitspraak

in het geding tussen

x, wonende te woonplaats, eiser 1, en

het Nationaal Register van Onafhankelijke Assurantietussenpersonen (hierna: NROA) met statutaire zetel te Ridderkerk, eiser 2

gemachtigde: x,

en

de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.J. Plomp en mr. J.M. Strijker-Reintjes.

met als derde-partij

de Stichting Implementatie GIDI en het Verbond van Verzekeraars

gemachtigde: mr. P. Glazener

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 12 februari 2002 hebben eisers bij verweerder een klacht ingediend tegen de Stichting Implementatie GIDI. Bij brief van 23 september 2002 is deze klacht door eisers uitgebreid en mede gericht tegen Nationale Nederlanden NV.

Bij besluit van 16 december 2002 heeft verweerder de klacht afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 januari 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 mei 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 3 juni 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 juni 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2005, alwaar eiser 1 voor zichzelf in persoon is verschenen en voorts als gemachtigde van eiser 2. Verweerder heeft zich laten vertegenwoor-digen door mr. M.J. Plomp en mr. J.M. Strijker-Reintjes. Namens de Stichting Implementatie GIDI en het Verbond van Verzekeraars is verschenen mr. C.C. Meijer, kantoorgenote van mr. Glazener voornoemd, bijgestaan door drs. N. van den Hoff, werkzaam bij het Verbond voor Verzekeraars en mr. W. van Es, werkzaam bij de Stichting GIDI.

2. Overwegingen

2.1 Algemeen

Ingevolge artikel IX, tweede lid, van de op 1 juli 2005 inwerking getreden Wet van 9 december 2004, houdende wijziging van de Mededingingswet in verband met het omvormen van het bestuursorgaan van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot zelfstandig bestuursorgaan (Stb. 2005, 172), treedt ten aanzien van bezwaar of beroep tegen een besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingautoriteit op grond van de Mededingingswet zoals die luidde tot 1 juli 2005, de raad van bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit, in de plaats van de directeur-generaal. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de (voormalige) directeur-generaal.

2.2 Feiten en standpunten van partijen

De Gedragscode Informatieverstrekking Dienstverlening Intermediair (hierna: GIDI) is in 2001 in het leven geroepen op initiatief van het Verbond van Verzekeraars, de Nederlandse Bond van Assurantiebemiddelaars (NBVA) en de Nederlandse Vereniging van Assurantieadviseurs en financiële dienstverleners (NVA). Door middel van de zelfregulering, zoals deze is vastgelegd in de GIDI, hebben de initiatiefnemers beoogd te voorkomen dat van overheidswege regelgeving ter zake zou worden uitgevaardigd. Bij de totstandkoming van de GIDI is tevens de Consumentenbond betrokken geweest.

Krachtens de GIDI dienen de assurantietussenpersonen te voldoen aan drie eisen. In de eerste plaats dienen zij te beschikken over een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering. In de tweede plaats moeten zij aangesloten zijn bij het Klachteninstituut Verzekeringen. In de derde plaats moeten zij beschikken over een advieswijzer ter uitreiking aan nieuwe particuliere cliënten van het assurantie-kantoor. In de advieswijzer wordt informatie gegeven over de diensten die particuliere cliënten mogen verwachten, over de werkwijze van de assurantietussenpersoon en over de kwaliteit van de dienstverlening, waarop de particuliere cliënten mogen rekenen. De GIDI bevat minimale vereisten ten aanzien van de informatie die de advieswijzer moet bevatten.

In de op 12 februari 2002 ingediende klacht is aangevoerd dat artikel 6, eerste lid, van de Mededingings-wet (hierna: Mw) zou zijn geschonden, omdat nagenoeg alle Nederlandse verzekeraars zouden hebben afgesproken om uitsluitend nog zaken te doen met assurantietussenpersonen die verklaard hebben de GIDI na te leven. Voorts is gesteld dat verzekeraars wel kunnen eisen dat assurantietussenpersonen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering moeten afsluiten, maar niet kunnen bepalen bij welke verzekeraar deze verzekering moet worden afgesloten, dat verzekeraars wel van assurantietussenpersonen kunnen verlangen zich aan te sluiten bij een klachtenregeling, maar niet aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen verplicht mogen stellen en dat de verzekeraars assurantietussenpersonen wel kunnen verplichten om informatie over de dienstverlening te verschaffen, maar niet mogen opleggen dat deze informatievoorziening verloopt volgende de GIDI-richtlijnen. In de klacht is verder betoogd dat verzekeraars door middel van de GIDI alsnog proberen het mislukte Klachteninstituut Verzekeringen van de grond te krijgen en van financiën te voorzien. Gedwongen aansluiting bij dit instituut betekent dat assurantietussenpersonen de mogelijkheid wordt ontnomen zich aan te sluiten bij eiser 2, het NROA.

In de brief van 23 september 2002, waarin de klacht is uitgebreid, hebben eisers aangevoerd dat de verzekeraar Nationale Nederlanden NV zou beschikken over een bijna monopoliepositie en samen-werkings-overeenkomsten zou afsluiten waarin een bepaling is opgenomen, op grond waarvan aan-sluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen verplicht wordt gesteld voor assurantietussenpersonen.

In zijn besluit van 16 december 2002 heeft de verweerder, na getoetst te hebben aan de (toen van kracht zijnde) Richtsnoeren samenwerking bedrijven uit 2001 (Stcrt. 2001, nr. 108) de klacht afgewezen. De drie GIDI-eisen (beroepsaansprakelijkheidsverzekering, aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekering en het gebruik van de Advieswijzer) zijn volgens verweerder objectief en transparant en hebben alleen betrekking op de kwaliteit. Van deze eisen gaat geen uitsluitingseffect uit. Voorts bevat de gedragscode slechts normen op het terrein van consumentenbescherming en deze normen perken nauwelijks het commercieel gedrag in. Daarnaast sluit de verplichte aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen niet uit dat een assurantietussenpersoon zich aansluit bij andere klachteninstituten. Tevens is verweerder tot de conclusie gekomen dat verzekeraars geen afspraken hebben gemaakt over de toepassing van de GIDI. Verzekeraars en de stichting GIDI hebben uitdrukkelijk aan verweerder verklaard dat dergelijke afspraken niet bestaan. In december 2002 hebben de Stichting GIDI en het Verbond van Verzekeraars aan de assurantietussenpersonen respectievelijk aan hun leden te kennen gegeven dat iedere verzekeraar voor zichzelf bepaalt of hij alleen wil samenwerken met assurantietussenpersonen die voldoen aan de GIDI-eisen. Gezien deze omstandigheden achtte verweerder het niet opportuun om nader te onderzoeken of er sprake was van een met de Mededingingswet strijdige afspraak. Gelet op de afwegingen die verweerder moet maken bij de inzet van mensen en middelen, werden verder onderzoek en eventueel optreden niet doelmatig geacht. Aan de klacht van eisers kwam naar het oordeel van verweerder geen prioriteit toe.

Ook de klacht dat Nationale Nederlanden NV artikel 24, eerste lid, van de Mw zou hebben overtreden, wordt afgewezen. In het midden is gelaten of deze verzekeraar over een machtspositie beschikt. De verplichte aansluiting bij het Klachteninstituut beschouwde de verweerder namelijk niet als misbruik in de zin van artikel 24, eerste lid, van de Mw.

In bezwaar is aangevoerd dat verweerder in zijn besluit van 16 december 2002 er geen rekening mee heeft gehouden dat de markt voor klachteninstituten feitelijk is afgeroomd, zodat van vrije mededinging geen sprake meer is. Daarnaast is betoogd dat, aangezien alle verzekeraars de GIDI toepassen in hun samenwerking met assurantietussenpersonen, zij nog steeds gemeenschappelijk optreden met betrek-king tot de GIDI. Als bewijs voor dit gezamenlijk optreden hebben eisers enige brieven van verzekeraars overlegd, waarin deze te kennen geven geen zaken te willen doen met assurantietussen-personen die niet aan de GIDI voldoen. Ook zouden verzekeraars assurantietussenpersonen nog steeds verplichten zich aan te sluiten bij het Klachteninstituut Verzekeringen, zodat de markt voor het NROA wordt afgesloten. Verder is aangevoerd dat verweerder de klacht dat Nationale Nederlanden artikel 24, eerste lid, van de Mw overtreedt, onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

Ook in het bestreden besluit heeft verweerder na toetsing aan de Richtsnoeren samenwerking bedrijven uit 2001 het standpunt ingenomen dat de GIDI als zodanig niet in strijd is met artikel 6, eerste lid, van de Mw. Verweerder laat in het midden of een instantie als het Klachteninstituut Verzekeringen als onderneming kan worden beschouwd. Artikel 4 van de GIDI, dat assurantietussenpersonen verplicht tot aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen, laat onverlet dat dergelijke personen zich ook kunnen aansluiten bij instanties als de NROA. Niet valt in te zien hoe de verplichte aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen het opereren van het NROA onmogelijk zou maken. Tevens vormt de omstandigheid dat een aantal individuele verzekeraars brieven heeft gestuurd, waaruit blijkt dat de verzekeraar in kwestie alleen zaken wil doen met assurantietussenpersonen die de GIDI naleven en aangesloten zijn bij het Klachteninstituut Verzekeringen, niet het bewijs dat verzekeringsmaatschappijen onderling afspraken hebben gemaakt over het uitsluiten van assurantietussenpersonen die de GIDI niet onderschrijven. Tot slot stelt verweerder dat hij niet onvoldoende heeft gemotiveerd dat Nationale Nederlanden artikel 24, eerste lid, van de Mw, heeft overtreden. Verweerder kwam in het bestreden besluit tot de conclusie dat gezien de bij de handhaving van de Mededingingswet te stellen prioriteiten de klacht van eisers diende te worden afgewezen.

In beroep herhalen eisers het standpunt dat verweerder er geen rekening mee heeft gehouden dat de markt inmiddels feitelijk is afgeroomd, zodat van vrije mededinging geen sprake meer is. Daarnaast bestrijden zij de stelling dat verzekeraars onderling geen afspraken zouden maken over de GIDI. Eisers wijzen erop dat alle verzekeraars nog steeds zonder meer deelname aan de GIDI en het Klachteninstituut verplicht stellen. Bovendien is verplichte deelname aan dit instituut in strijd met de nieuwe Wet financiële dienstverlening (hierna: Wfd). Deze wet stelt deelneming aan een geschillencommissie verplicht, maar laat de keuze vrij bij welke instantie aansluiting gezocht wordt. Deelneming aan het Klachteninstituut Verzekeringen wordt derhalve niet verplicht gesteld. Tevens heeft verweerder er onvoldoende rekening mee gehouden dat door de verplichte aansluiting bij dit instituut, waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, de Stichting GIDI, het verbond van Verzekeraars en het Klachteninstituut Verzekeringen zelf een commerciële markt hebben gecreëerd, waarop de Mededingingswet van toepassing is. Daarnaast is de opzet van het Klachteninstituut, dat klachten van twee partijen met tegengestelde belangen - de assurantietussenpersoon en de verzekeraar - behandelt, in strijd met de Wfd, daar deze wet verplicht om klachten correct te behandelen.

Ter zitting hebben eisers aangegeven dat de Minister van Financiën is verzocht om het NROA te erkennen als geschilleninstantie in de zin van artikel 37 van de Wfd. Op het moment dat de uitkomst van de procedure inzake deze erkenning vaststaat, valt de zin van de onderhavige procedure naar de mening van eisers weg. Zij hebben daarom de rechtbank ter zitting verzocht onderhavige procedure te schorsen.

Verweerder heeft herhaald dat de brieven die de individuele verzekeraars over de toepassing van de GIDI hebben verstuurd onvoldoende bewijs vormen voor de stelling dat verzekeraars niet op individuele basis zouden besluiten alleen zaken te doen met assurantietussenpersonen die niet aan de GIDI voldoen. Verweerder wijst er voorts op dat de Stichting implementatie GIDI en het Verbond van Verzekeraars in december 2002 aan de assurantietussenpersonen en de verzekeraars hebben bericht dat elke verzekeraar zelf moet bepalen of de assurantietussenpersoon met wie hij samenwerkt, aan de GIDI-eisen dient te voldoen. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat verplichte aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen tegemoet komt aan de gedachte om voor consumenten één loket te creëren. Tevens herhaalt verweerder dat verplichte aansluiting bij dit instituut assurantietussenpersonen niet verbiedt om zich eveneens aan te sluiten bij het NROA.

Voorts heeft verweerder erop gewezen dat een toetsing aan de Wfd niet aan de orde is, nu het in deze procedure gaat om de toepassing van de Mededingingswet. Niettemin wijst verweerder erop dat uit de kamerstukken met betrekking tot de Wfd blijkt dat, hoewel artikel 37 van deze wet de mogelijkheid van erkenning van meerdere geschilleninstanties openlaat, de Minister van Financiën ernaar streeft om tot één geschillenbeslechtingsinstantie te komen. De “één loket-gedachte” van de GIDI staat derhalve niet op gespannen voet met de Wfd. Omdat eisers onvoldoende bewijzen voor een aanwijzing van een inbreuk op artikel 6, eerste lid, van de Mw hebben aangedragen, is verweerder van mening dat hij terecht in het kader van zijn beleid om prioriteiten te stellen de klacht van eisers heeft afgewezen.

2.3 Beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen, teneinde nadere ontwikkelingen als gevolg van de inwerkingtreding van de Wfd af te wachten.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij eisers bij brief van 6 juli 2005 op de hoogte hebben gesteld van de voorgenomen behandeling ter zitting op 12 oktober 2005, waarbij is aangegeven dat verzoeken om verdaging, gelegen na tien dagen na 6 juli 2005, slechts bij uitzondering worden gehonoreerd. In de periode tot en met 16 juli 2005 is geen verzoek om verdaging van eisers ontvangen. De omstandigheid dat eisers ter zitting hebben aangegeven dat zij ontwikkelingen naar aanleiding van nieuwe wetgeving wensen af te wachten en naar aanleiding daarvan wellicht hun beroep zullen intrekken, acht de rechtbank niet zo uitzonderlijk om thans tot heropening van het onderzoek te besluiten.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder eisers terecht als belang-heb-benden heeft aangemerkt bij het bestreden besluit. De rechtbank stelt voorop dat een klacht als de onderhavige in het (handhavings)stelsel van de Mw moet worden aangemerkt als een verzoek om ten aanzien van degene op wiens handelen (of nalaten) de klacht betrekking heeft, toepassing te geven aan artikel 56 van de Mw op de grond dat diegene handelt of heeft gehandeld in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Mw dan wel in strijd met artikel 24, eerste lid, van de Mw.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende dient volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang, dat bovendien rechtstreeks bij het desbetreffende besluit is betrokken. Het vereiste van een persoonlijk belang is daarbij in de rechtspraak van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) als het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) aldus ingevuld, dat het bij het besluit betrokken belang zodanig moet zijn dat de betrokkene zich daarmee in rechtens relevante mate onderscheidt van (al dan niet tot een – grote – groep behorende) andere betrokkenen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRS van 3 juli 1998, LJN: AN 5725, AB 1998, 332, en 6 augustus 2003, LJN: AI0789, AB 2003, 93, en van het CBB van 15 januari 2003, LJN: AF4118, AB 2004, 168). Die rechtspraak vindt ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb (vgl. PG Awb I, blz. 148), waarbij de rechtbank er overigens niet aan voorbijziet dat in de desbetreffende passages niet steeds een voldoende scherp onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende elementen van het belanghebbende-begrip.

De rechtbank stelt vast dat de klacht van eiser 1 erop gericht is dat hij als assurantietussenpersoon in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Mw verplicht wordt zich aan te sluiten bij het Klachteninstituut Verzekeringen. Eiser 1 onderscheidt zich evenwel niet in voldoende mate van vele andere assurantie-tussenpersonen die ook met deze verplichting geconfronteerd (kunnen) worden. Vrijwel alle assurantie-tussen-personen kunnen in hun bedrijfsvoering in aanraking komen met verzekeraars die aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen verplicht stellen. Niet gebleken is dat ten aanzien van eiser 1 sprake is van zodanig specifieke of bijzondere omstandigheden, dat hij zich op die grond zou onderscheiden van een willekeurige andere assurantietussenpersoon. Eiser 1 heeft derhalve geen eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) belang bij het besluit van 16 december 2002. Verweerder heeft derhalve eiser 1 ten onrechte als belanghebbende aangemerkt en derhalve zijn bezwaar ten onrechte ontvankelijk geacht.

Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal in zoverre zelf in de zaak voorzien zoals hierna in rubriek 3 is aangegeven.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de klacht van eiser 2, het NROA, erop neer komt dat door de verplichte deelname aan het Klachteninstituut Verzekeringen eiser 2 (feitelijk) de mogelijkheid ontnomen zou worden klachten te behandelen in zaken waarbij assurantietussenpersonen zijn betrokken. Eiser 2 stelt dat hij door de verplichte aansluiting van assurantietussenpersonen bij het Klachteninstituut Verzekeringen niet in staat zou zijn om zich te presenteren als alternatief voor dit instituut. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 2, als organisatie gespecialiseerd in geschillenbeslechting in de verzekeringsbranche, een objectief bepaalbaar en voldoende actueel belang ter zake van de door verzekeraars gehanteerde eis dat assurantietussenpersonen zich moeten aansluiten bij een ander instituut dat vergelijkbare activiteiten als eiser 2 ontplooit. Tevens onderscheidt eiser 2 zich in voldoende mate ten opzichte van andere bij het bestreden besluit betrokkenen. Indien immers assurantietussenpersonen het feitelijk onmogelijk zou worden gemaakt zich bij eiser 2 aan te sluiten, wordt het NROA in vergaande mate gehinderd in haar functioneren, daar hij dan niet meer actief kan zijn op het terrein van geschillenbeslechting in de verzekeringsbranche. Met dit belang onderscheidt eiser 2 zich van de grote groep van assurantietussenpersonen die als voornaamste activiteit hebben om consumenten te adviseren over verzekeringsproducten. Verweerder heeft eiser 2 derhalve terecht als belanghebbende aangemerkt en ontvankelijk geacht.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat aan de klacht van eiser 2 geen prioriteit toekwam en om die reden afgewezen mocht worden.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat de klacht met betrekking tot Nationale Nederlanden N.V. door eiser 2 in beroep onbesproken is gebleven, zodat het bestreden besluit in zoverre geen beoordeling behoeft.

De rechtbank is voorts van oordeel dat toetsing van het bestreden besluit aan de Wfd niet aan de orde is, aangezien verweerder in de onderhavige zaak de Mededingingswet dient toe te passen en haar optreden derhalve in het licht van deze wet beoordeeld moet worden en niet aan de hand van de Wfd.

De rechtbank overweegt vervolgens, onder verwijzing naar haar uitspraken van 3 december 2004 (LJN AS 3852) en van 15 december 2004 (LJN AS 2354), dat verweerder niet gehouden is iedere klacht in onderzoek te nemen. Uit het stelsel van de Mededingingswet, waarin enerzijds geen onderzoeksplicht voor verweerder is opgenomen en waarin anderzijds verweerder een aantal discretionaire bevoegdheden toegewezen heeft gekregen, volgt dat verweerder een grote vrijheid heeft om te bepalen welke klachten hij wel of niet in (nader) onderzoek neemt. Deze vrijheid wordt begrensd door de opdracht welke de wetgever aan verweerder als toezichthouder heeft gegeven en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarbij mede een rol kan spelen dat verweerder geen onbeperkte capaciteit heeft.

Verweerder heeft ter invulling van zijn bevoegdheden een prioriteringsbeleid vastgesteld. De rechtbank acht dit beleid noch in strijd met de wet noch in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Bij het afwijzen van de klacht ter zake van een overtreding van artikel 6 eerste lid, van de Mw heeft verweerder zich laten leiden door de volgende argumenten:

- de GIDI is niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Mw;

- artikel 4 van de GIDI, dat aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen verplicht stelt, laat aansluiting bij een andere instantie onverlet;

- de omstandigheid dat een aantal individuele verzekeraars brieven heeft gestuurd, waaruit blijkt dat de desbetreffende verzekeraar alleen zaken wil doen met assurantietussenpersonen die de GIDI naleven en aangesloten zijn bij het Klachteninstituut Verzekeringen, vormt niet het bewijs dat verzekeringsmaatschappijen onderling afspraken hebben gemaakt over het uitsluiten van assu-ran-tie-tussenpersonen die de GIDI niet onderschrijven.

Deze argumenten kunnen de beslissing van verweerder, om aan de klacht van eiser 2 geen prioriteit toe te kennen, naar het oordeel van de rechtbank dragen. Door eiser 2 zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de GIDI wel in strijd is met artikel 6, eerste lid, van de Mw. Voorts is, hoewel aan eiser 2 moet worden toegegeven dat zijn functioneren feitelijk bemoeilijkt wordt door de verplichte aansluiting bij het Klachteninstituut Verzekeringen, het voor bij dit klachteninstituut aangesloten assurantietussenpersonen rechtens mogelijk zich tevens aan te sluiten bij een andere klachteninstantie. Eiser 2 kan derhalve door een actief wervingsbeleid onder assurantietussenpersonen te voeren, trachten zijn activiteiten op het terrein van geschillenbeslechting in de verzekeringsbranche tot een succes te maken. Ook beschikt hij over de mogelijkheid om assurantietussenpersonen die zich niet wensen aan te sluiten bij de GIDI, te benaderen met het verzoek zich bij hem aan te sluiten. Verder deelt de rechtbank het standpunt van verweerder dat de enkele omstandigheid dat een aantal verzekeraars een brief gestuurd heeft, waarin te kennen wordt gegeven dat de verzekeraar in kwestie geen zaken wil doen met niet bij de GIDI aangesloten assurantietussenpersonen, geen bewijs vormt dat verzekeraars onderling hebben afgesproken deze gedragslijn te volgen. Het is zeer goed mogelijk dat aan het verzenden van deze brieven zelfstandig genomen beslissingen van de desbetreffende verzekeraars ten grondslag hebben gelegen zonder enige afstemming met andere verzekeraars. Door eiser 2 is geen (begin van) bewijs geleverd waaruit zou blijken dat de verzekeraars een vorm van overleg zouden hebben gehad over hun beleid met betrekking tot assurantietussenpersonen dan wel dat zij op enig andere wijze hun gedrag op dit punt zouden hebben gecoördineerd.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat niet geoordeeld kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot afwijzing van de klacht van eiser 2 had kunnen komen.

Gelet op het voorafgaande dient het beroep van eiser 2 ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep van eiser 1 gegrond;

vernietigt in zoverre het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar van eiser 1 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van eiser 2 ongegrond;

bepaalt dat verweerder aan eiser 1 het door hem betaalde griffierecht ad € 136,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt als voorzitter en mr. A.I. van Strien en mr. J.W. van de Gronden als leden.

De beslissing is in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2005.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.