Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AV3942

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2005
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
661804 CV EXPL 05-28534/ww
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vechtpartij tussen treinreiziger en twee conducteurs, waarbij conducteurs letsel oplopen. Strafrechtelijke veroordeling gedaagde. Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknummer : 661804 CV EXPL 05-28534/ww

Uitspraak : 17 januari 2005

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

VONNIS

in de zaak van

1. [Eiseres],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser},

wonende te woonplaats,

eisers bij exploot van dagvaarding van 22 maart 2005,

gemachtigde: mr. H.E. Eelkman Rooda, advocaat en procureur te Rotterdam

tegen

[gedaagde},

wonende te [woonplaats],

gedaagde bij gemeld exploot van dagvaarding

gemachtigde: mr. P.H.A. de Boer, advocaat en procureur te Rotterdam

1. Het verdere verloop van de procedure

Hiervoor wordt verwezen naar het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, van 3 augustus 2005.

Bij dat vonnis heeft de sector civiel recht van de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van de beide eisers op gedaagde en is dat deel van de procedure ter verdere berechting verwezen naar de sector kanton van bedoelde rechtbank. De sector civiel recht heeft de vordering van NS Reizigers B.V. op gedaagde wel aan zich gehouden.

Gedaagde heeft vervolgens ter rolle van 30 augustus 2005 van antwoord geconcludeerd eisers in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren althans hen die vorderingen te ontzeggen, met hun veroordeling in de kosten van het geding.

Eisers hebben van repliek geconcludeerd en daarbij verdere producties overgelegd.

Gedaagde heeft ter rolle van 25 augustus 2005 van dupliek geconcludeerd.

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis, na aanhouding, bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voorzover thans van belang - het volgende vast:

2.1. Eisers zijn als hoofdconducteur in dienst van NS Reizigers B.V. (hierna verder: “NSR”). Zij waren op 20 maart 2004 in die functie aan het werk en als zodanig herkenbaar gekleed op het traject Roosendaal-Den Haag.

2.2. Gedaagde is op die dag, samen met zijn vriend, [J] met de trein van Zwijndrecht naar Rotterdam-Lombardijen gereisd, zonder dat beiden beschikten over een geldig vervoersbewijs. Gedaagde is door eisers in de gelegenheid gesteld om alsnog in de trein een kaartje te kopen voor een bedrag van € 7,-. Daarop is tussen gedaagde enerzijds en eisers een woordenwisseling ontstaan, die op enig moment ontaard is in een vechtpartij. Gedaagde is door de politie aangehouden.

2.3. Bij vonnis van 21 juni 2004 is gedaagde door de politierechter te Rotterdam veroordeeld ter zake van “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd” tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van 2 jaar alsmede tot een werkstraf voor de duur van 50 uur, onder afrek van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Bij dat vonnis is gedaagde tevens veroordeeld om aan elk van de beide eisers, die zich als beledigde partij in de strafzaak gesteld hebben, een bedrag van € 1.000,- te betalen ter zake van schadevergoeding. Beide eisers zijn in het overige deel van hun vordering door de strafrechter niet-ontvankelijk verklaard, waarbij bepaald is dat zij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

2.4. Bij de vechtpartij op 20 maart 2004 zijn eisers gewond geraakt. Beiden hebben hun werkzaamheden gedurende enige tijd niet kunnen uitoefenen. De werkgever van eisers, NSR, heeft ter zake van de loondoorbetaling tijdens ziekte aan de beide werknemers verhaal uitgeoefend op gedaagde. Die zaak heeft de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, aan zich gehouden en die zaak staat bij genoemde sector bekend onder het zaaknummer 236104 / HA ZA 05-1043.

3. Het geschil en de stellingen van partijen

3. 1. Eisers leggen naast de hiervoor beschreven vaststaande feiten - zakelijk weergegeven - het volgende aan hun vordering ten grondslag.

Gedaagde is zelf begonnen met het plegen van fysiek geweld tegenover eisers, nadat zij hadden vastgesteld dat hij niet beschikte over een geldig vervoersbewijs. Gedaagde heeft eiseres sub 1 eerst tegen de grond gewerkt, waarna hij opzettelijk en herhaalde malen met zijn tot vuisten gebalde handen haar op het hoofd heeft geslagen en vervolgens heeft getracht om haar te wurgen. Eiser sub 2, die zijn collega te hulp geschoten is, heeft tijdens de daarop volgende worsteling met gedaagde eveneens zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Beide eisers hebben zich in het ziekenhuis aan hun verwondingen moeten laten behandelen. Eiseres sub 1 bleek onder meer een zware hersenschudding te hebben opgelopen en bij eiser sub 2 werd geconstateerd dat zijn ringvinger uit de kom was geschoten, dat de banden waren gescheurd en het vingerkootje was versplinterd. Ten aanzien van de toedracht van de worsteling verwijzen eisers naar de door hen tegenover de politie afgelegde verklaringen. Tevens verwijzen zij naar de verklaring die [J] tegenover de politie heeft afgelegd, die voor zover hier van belang luidt:

“(…)

Ik zag dat [gedaagde] nu best wel kwaad was en hij uit alle macht toch naar de kaart greep, die de conductrice (eiseres sub 1, toevoeging ktr.) vast bleef houden. Ik zag dat [gedaagde] met zijn vuist sloeg naar de vrouw en haar raakte op het hoofd”.

Voorts verwijzen eisers naar de verklaring die gedaagde zelf tegenover de politie heeft afgelegd:

“(…)

Ik weet dat ik fout ben geweest. Ik ging helemaal uit mijn dak tegenover de NS conducteurs die mij en mijn vriend in de trein controleerden op kaartjes”.

Eisers achten gedaagde uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de door hen geleden schade. Eiseres sub 1 vordert ter zake van immateriële schade een bedrag van

€ 1.600,-, waarop het in de strafzaak toegewezen bedrag van € 1.000,- in mindering strekt, zodat resteert een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2004.

Eiser sub 2 vordert ter zake van de kosten van een nieuwe bril een bedrag van € 292,- als mede een bedrag van € 1.600,- ter zake van immateriële schade, waarop eveneens het bedrag van € 1.000,- dat in de strafzaak is toegewezen in mindering strekt.

3.2. Gedaagde heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken en daarbij - zakelijk weergegeven en voorzover thans van belang - het volgende aangevoerd.

Hij is geduwd door eiser sub 2, waardoor hij ten val is gekomen. Daarop heeft hij eiser sub 2 eenmaal teruggeduwd. Eiser sub 2 heeft hem toen met zijn walkie talkie op het hoofd geslagen, waardoor gedaagde voor de tweede keer ten val is gekomen. Daarop is de worsteling tussen de drie personen ontstaan. In de ogen van gedaagde is sprake van buitenproportioneel geweld van de beide conducteurs tegenover hem, waarbij zij zichzelf mogelijk verwond hebben.

Gedaagde bestrijdt dan ook dat hij zich jegens eisers onrechtmatig heeft gedragen. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat hij door de strafrechter veroordeeld is wegens wederspannigheid, terwijl het misdrijf of daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Van wurging, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of vernieling, waarover eisers spreken is naar de mening van gedaagde dan ook geen sprake.

Gedaagde heeft voorts de door eisers gevorderde schade gemotiveerd betwist, waarbij hij heeft gesteld dat het op de weg van eisers ligt om de door hen gestelde schade met verdere bewijzen te onderbouwen.

3.3. Voor de overige stellingen van partijen wordt verwezen naar de gewisselde stukken, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt.

4. De beoordeling van de vordering

4.1. Gelijk hiervoor ook al overwogen, staat tussen partijen vast dat gedaagde ter zake van de gebeurtenissen die zich op 20 maart 2004 in de trein hebben afgespeeld strafrechtelijk veroordeeld is wegens “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd”. Uit de overgelegde aantekening mondeling vonnis blijkt dat bedoeld strafvonnis gewezen is op tegenspraak. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde tegen die veroordeling hoger beroep heeft aangetekend, zodat de kantonrechter ervan uit moet gaan, dat bedoeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Die strafrechtelijke veroordeling levert krachtens artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dwingend bewijs op van het feit dat gedaagde zich jegens eisers schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid alsmede van het feit dat daarbij “enig lichamelijk letsel” bij beiden is ontstaan, zeker nu de politierechter aan de beide eisers als beledigde partij een bedrag van € 1.000,- als schadevergoeding heeft toegekend. Naar het oordeel van de kantonrechter kan verder buiten beschouwing blijven of al dan niet sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel c.q. van een poging tot wurging van eiseres sub 1, zoals zij zelf stelt. De aard van het letsel immers dient beoordeeld te worden in het kader van de vraag of - en zo ja in welke mate - eisers schade hebben geleden door de gedraging van gedaagde.

Nu gedaagde stelt dat de beide conducteurs buitenproportioneel geweld tegenover hem hebben gebruikt en eiser sub 2 door zijn gedrag als het ware de wederspannigheid heeft uitgelokt, rust op gedaagde het bewijs van die stellingen. Slaagt hij daarin niet, dan moet, mede gezien de strafrechtelijke veroordeling, worden aangenomen dat gedaagde onrechtmatig tegenover de beide eisers gehandeld heeft.

Alvorens op dat punt een bewijsopdracht te formuleren en gedaagde tot het aangeboden bewijs toe te laten, zal de kantonrechter een comparitie van partijen gelasten, opdat gedaagde zich nader omtrent zijn bewijsmogelijkheden in dit verband kan uitlaten en tevens getracht kan worden een minnelijke regeling te treffen.

4.2. In het geval gedaagde in bedoeld bewijs niet slaagt, dient vervolgens de omvang van de door eisers gestelde schade beoordeeld te worden. In dat kader overweegt de kantonrechter het volgende.

Ten aanzien van eiseres sub 1 is van belang dat zij geen medische bescheiden heeft overgelegd, waaruit blijkt welk letsel zij bij de vechtpartij heeft opgelopen en welke medische behandelingen zij ter zake heeft moeten ondergaan. Ter voorbereiding van de hierna te gelasten comparitie van partijen dient eiseres sub 1 die bescheiden alsnog over te leggen. Tevens ligt het daarbij op de weg van eiseres sub 1 om verdere bescheiden in het geding te brengen, waaruit blijkt of zij nu nog beperkingen ondervindt van het letsel opgelopen bij bedoelde vechtpartij en zo ja welke beperkingen.

Eiser sub 2 heeft wel medische bescheiden overgelegd, waaruit de aard van het opgelopen letsel volgt. Hij heeft echter ook geen bescheiden overgelegd, waaruit blijkt of hij nu nog beperkingen ondervindt, en zo ja welke. Evenmin is duidelijk welke medische behandelingen eiser sub 1 eventueel heeft moeten ondergaan. Eiser sub 2 dient ter voorbereiding van de hierna te gelasten comparitie van partijen omtrent die punten verdere opheldering te verschaffen en aan de hand van onderliggende bescheiden zijn nadere stellingen te onderbouwen.

Voorts ligt het op de weg van eiser sub 2 om verdere opheldering te verschaffen ten aanzien van de bril. Terecht heeft gedaagde aangevoerd dat eiser sub 2 in eerste instantie tegenover de politie heeft gesteld dat zijn bril bij de vechtpartij “verbogen” is. Eiser sub 2 vordert thans echter de aankoopprijs van de bril in mei 1997 ad fl. 643,50 ofwel € 292,-. Niet duidelijk is of de oude bril niet meer gerepareerd kon worden, terwijl evenmin duidelijk is of eiser sub 2 na de vechtpartij gedwongen was om een nieuwe bril te kopen. Zo ja dan dient eiser van die aankoop de nota over te leggen.

Voorts dient eiser sub 2 zich ter zitting uit te laten over de vraag waarom hij geen aftrek nieuw voor oud heeft toegepast, gesteld al dat aangenomen moet worden dat hij door de vechtpartij gedwongen was om een nieuwe bril aan te schaffen. Immers de bril was op dat moment circa 7 jaar oud en mogelijk aan vervanging toe, zodat het de kantonrechter voorshands niet redelijk voorkomt dat eiser sub 2 de totale aankoopprijs op gedaagde tracht te verhalen.

4.3. De kantonrechter zal de comparitie van partijen op iets langere termijn gelasten, zodat mogelijk tegelijkertijd in de procedure van NSR tegen gedaagde ook een comparitie van partijen gehouden kan worden. De kantonrechter zal die comparitie van partijen leiden als (plaatsvervangend) rechter-commissaris.

4.4. Iedere verdere beslissing zal in dit stadium van het geding worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Alvorens nader te beslissen:

verzoekt partijen - in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een welingelicht en tot schikking bevoegd persoon, desgewenst vergezeld van hun gemachtigden - om op donderdag 23 maart 2006 te 16.00 uur te verschijnen voor de kantonrechter in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100 te Rotterdam (Gebouw B) opdat partijen nadere inlichtingen kunnen verstrekken en een minnelijke regeling beproefd kan worden;

bepaalt dat eisers de hiervoor bedoelde bescheiden een week voor de comparitie van partijen, zowel aan de gemachtigde van gedaagde als aan de kantonrechter dienen toe te zenden;

bepaalt tevens dat partijen alle overige terzake dienende bescheiden, voor zover niet eerder overgelegd of toegezonden, een week voor de comparitie van partijen aan de gemachtigde van de wederpartij en aan de kantonrechter dienen toe te zenden;

houdt iedere verdere beslissing in dit stadium van het geding aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

F11