Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU8588

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
22-12-2005
Zaaknummer
VBC 05/5893-KRD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan nadat beroep is ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Dit beroep heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden voor afwijzing wegens het ontbreken van connexiteit. Hij overweegt hiertoe dat ook hangende bezwaar (in welke fase het geding zich weer bevindt) een dergelijk verzoek kan worden gedaan. Ten tijde van het verzoek was DNB wel in verzuim tijdig te beslissen. Volgt opdracht uiterlijk op 27 december 2005 te beslissen onder verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VBC 05/5893-KRD

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[Belanghebbende 1], wonende te Sleeuwijk, en

[Belanghebbende 2], wonende te Den Haag, verzoekers,

gemachtigde mr. G.P. Roth, advocaat te Amsterdam,

en

De Nederlandsche Bank N.V., verweerster.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij twee besluiten van 25 augustus 2003 heeft verweerster ongegrond verklaard de bezwaren van verzoekers tegen twee besluiten van 14 april 2003, ertoe strekkende dat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Veer Palthe Voûte N.V. maatregelen treft ertoe leidende dat verzoekers met onmiddellijke ingang blijvend worden ontheven van hun functie als lid van de raad van bestuur van Veer Palthe Voûte N.V.

Bij uitspraak van 19 mei 2004 heeft de rechtbank de beroepen in eerste aanleg tegen de besluiten van 25 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2005 (LJN: AU3486) heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep in eerste aanleg gegrond verklaard, de besluiten van 25 augustus 2003 vernietigd en verweerster opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 14 april 2003.

De gemachtigde van verzoekers heeft bij brief van 15 november 2005 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van nieuwe beslissingen op de bezwaren.

Voorts is met die brief van 15 november 2005 een verzoek aan het College gedaan om toepassing te geven aan artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De griffier van het College heeft bij brief van 16 november 2005 de brief van 15 november 2005 aan de rechtbank ter afhandeling gestuurd voorzover die ziet op het instellen van beroep en de rechtbank bericht dat het verzoek door het College ter hand zal worden genomen.

De gemachtigde van verzoekers heeft bij brief van 7 december 2005 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerster wordt gelast binnen 7 werkdagen na dagtekening van dit verzoek op de bezwaren te beslissen onder verbeurte van een dwangsom.

Bij uitspraak van 13 december 2005 (BC 05/5528-KRD) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen op een zitting te verschijnen.

Het verzoek van 7 december 2005 is gedaan nadat beroep is ingesteld. Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb heeft de rechtbank zojuist het beroep niet-ontvankelijk verklaard daar verweerster ten tijde van het instellen van beroep niet in verzuim was tijdig op het bezwaar te beslissen. Hiertoe is overwogen dat op de laatste dag van de beslistermijn van zes weken als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, te weten 8 november 2005, in aanvulling op een eerder verzoek op 26 oktober 2005 daartoe, is verzocht om een hoorzitting indien de primaire besluiten niet aanstonds zouden worden herroepen en dat reeds op 26 oktober 2005 was aangegeven dat verzoekers zijn verhinderd in de periode 8 november tot en met 20 november en op 22 november 2005 en verweerster de hoorzitting vervolgens op 30 november 2005 heeft bepaald, zodat verzoekers in feite hebben ingestemd met een afdoening van het bezwaar buiten de beslistermijn, waarbij gelet op de verhinderdata in elk geval heeft te gelden dat verweerster niet in verzuim was op 15 november 2005.

De voorzieningenrechter dient zich thans ambtshalve te buigen over de vraag welke gevolgen dit heeft voor het verzoek om voorlopige voorziening dat eerst op 7 december 2005 is ingediend.

De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat ten tijde van het indienen van het verzoek een beroep in de hoofdzaak voorlag. Nu dit beroep bij uitspraak van heden niet-ontvankelijk is verklaard, heeft het verzoek haar connexiteit met het beroep in de hoofdzaak verloren. De voorzieningrechter ziet hierin echter onvoldoende aanleiding het verzoek reeds daarom af te wijzen. Hij overweegt hiertoe dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening strekkende tot het bewegen van het bestuur alsnog binnen een nader te stellen termijn op het bezwaar te beslissen kan worden gedaan los van het instellen van beroep. Het verzoek kan derhalve tevens worden beschouwd als een verzoek hangende bezwaar.

De voorzieningenrechter overweegt verder het volgende.

Ten tijde van het indienen van het verzoek, te weten 7 december 2005, was verweerster naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel in verzuim tijdig te beslissen. Hij overweegt in dit verband dat uit de hiervoor genoemde brieven van de gemachtigde van verzoekers niet kan worden afgeleid dat verzoekers akkoord waren met een afdoening veel later dan eind november 2005. Gelet op het feit dat verweerster de hoorzitting heeft gepland op 30 november 2005 en gelet op de eerdere aansporing van de zijde van verzoekers om haast te maken met de heroverweging kan zonder nadere instemming van verzoekers niet worden aangenomen dat zij toestemming hebben verleend om pas op of na 7 december 2005 de heroverweging af te ronden.

Gelet op de geruime tijd die inmiddels is verstreken na de uitspraak van het College van 27 september 2005, het feit dat bij een ontvankelijk beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar een termijn wordt gesteld waarbinnen de heroverweging alsnog moet worden afgerond en de door de gemachtigde van verzoekers gestelde spoedeisendheid met het vóór 28 december 2005 afgeven van beslissingen op bezwaar jegens verzoekers in verband met een lopende strafzaak, terwijl van de zijde van verweerster is aangegeven dat zij verwacht de besluitvorming uiterlijk op die datum af te ronden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorziening te treffen er uit bestaande dat hij verweerster opdraagt uiterlijk op 27 december 2005 de besluitvorming af te ronden. Voorts ziet hij aanleiding om aan het overschrijden van die termijn een dwangsom te koppelen van € 250,- per dag.

Het vorenstaande brengt de voorzieningenrechter voorts tot het oordeel dat het verzoek kennelijk gegrond is, zodat hij toepassing geeft aan artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoekers betaalde griffierecht van € 138,- door verweerster wordt vergoed.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De voorzieningenrechter bepaalt de proceskosten op € 322,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bestaande uit het indienen van een verzoekschrift.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat hij verweerster opdraagt uiterlijk op 27 december 2005 op de bezwaren te beslissen, en bepaalt dat indien of zolang verweerster daar niet aan voldoet, zij een dwangsom van € 250,- per dag verbeurt,

bepaalt dat verweerster aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 322,- en wijst haar aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: