Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU8581

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
22-12-2005
Zaaknummer
VBC 05/5894-KRD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Nu in de hoofdzaak het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond is verklaard en de AFM onder verbeurte van een dwangsom is opgedragen alsnog voor 28 december 2005 te beslissen op de bezwaren is er geen aanleiding meer om de verzochte voorziening toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VBC 05/5894-KRD

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[Belanghebbende 1], wonende te Sleeuwijk, en

[Belanghebbende 2], wonende te Den Haag, verzoekers,

gemachtigde mr. G.P. Roth, advocaat te Amsterdam,

en

de Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij twaalf besluiten van 3 september 2003 heeft verweerster ongegrond verklaard de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 14 april 2003, ertoe strekkende dat een zestal beleggingsinstellingen maatregelen treffen die ertoe leiden dat die beleggingsinstellingen verzoekers met onmiddellijke ingang niet langer feitelijk of formeel worden bestuurd door Veer Palthe Voûte N.V., zolang verzoekers feitelijk of formeel bestuurder dan wel beleidsbepaler zijn van de laatstgenoemde vennootschap.

Bij uitspraak van 19 mei 2004 heeft de rechtbank van de beroepen in eerste aanleg tegen de besluiten van 3 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2005 (LJN: AU3491) heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep in eerste aanleg gegrond verklaard, de besluiten van 3 september 2003 vernietigd en verweerster opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 14 april 2003.

De gemachtigde van verzoekers heeft bij brief van 7 december 2005 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van nieuwe beslissingen op de bezwaren.

Voorts is met die brief de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerster wordt gelast binnen 7 werkdagen na dagtekening van dit verzoek op de bezwaren te beslissen onder verbeurte van een dwangsom.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 december 2005 (BC/5895) het beroep gegrond verklaard, de weigering tijdig op de bezwaren te beslissen vernietigd, verweerster opgedragen uiterlijk op 27 december 2005 de heroverweging af te ronden en zij heeft daar een dwangsom aan gekoppeld van € 250,- per dag.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen op een zitting te verschijnen.

Gelet op de uitspraak van gelijke datum als vermeld in rubriek 1 is er thans geen beroep in de hoofdzaak meer aanhangig. Gelet op het dictum van die uitspraak hebben verzoekers evenmin een spoedeisend belang bij enig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende bezwaar. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

Het vorenstaande brengt de voorzieningenrechter voorts tot het oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is, zodat hij toepassing geeft aan artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb of voor een proceskostenveroordeling.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: