Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU8563

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
22-12-2005
Zaaknummer
208924 HA ZA 04-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensadviesrelatie. advisering in strijd met het beleggingsprofiel? omformatie- en waarschuwingsplict Bank. artt. 28 en 29 NR 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 208924 / HA ZA 04-57

Uitspraak: 23 november 2005

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

Eiser,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. F. van Schaik,

- tegen -

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK 3B HOEK U.A.,

gevestigd te Bergschenhoek,

gedaagde,

advocaat en procureur mr. M.C.V. Dornstedt.

Partijen worden hierna aangeduid als "[B.]" respectievelijk "de Bank".

1. Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 december 2003 en de door [B.] overgelegde

productie;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek, met producties.

1.2

Partijen hebben hun standpunten op 15 februari 2005 doen bepleiten door hun raadslieden.

1.3

Een van de rechters ten overstaan van wie het pleidooi heeft plaats gehad is niet meer werkzaam in deze sector van de rechtbank, zodat zij niet in staat is dit vonnis mee te wijzen.

2. De vaststaande feiten

2.1

[B.] was directeur / grootaandeelhouder van verschillende vennootschappen, waaronder beheersmaatschappij [B.] B.V. (hierna: “de B.V.”) en een Pensioen B.V. [B.] is geboren op 12 oktober 1943.

2.2

Sedert 1997 heeft [B.] bij de Bank belegd, onder meer in opties. In juni 1999 heeft hij zijn beleggingsportefeuille overgeboekt naar Theodoor Gilissen Bankiers N.V., en heeft hij aangegeven dat hij zich verder zou laten adviseren door een vermogensbeheerder. De portefeuille van [B.] bedroeg op dat moment ongeveer NLG 1.000.000,-.

Op 7 oktober 1997 en 12 september 2001 heeft [B.] overeenkomsten beleggersrekening ondertekend, op 1 juni 1997 een overeenkomst inzake beleggingsadvisering, en op 16 maart 1998 en 12 september 2001 verklaringen inzake optiehandel AEX.

2.3

De B.V. hield vanaf 1998 een beleggersrekening aan bij de Bank. In maart 2000 heeft de Bank een beleggingsvoorstel aan de B.V. gedaan. Hierbij werd uitgegaan van een saldo van de B.V. van NLG 2.500.000,-, waarvan NLG 996.000,- in aandelen en obligaties zou worden belegd. De B.V. heeft dit voorstel in april 2000 opgevolgd.

2.4

Op 28 december 2000 heeft de B.V. haar gehele effectenrekening overgeboekt naar de effectenrekening van [B.] (hierna: “de portefeuille”). Het tegoed aan liquide middelen van de B.V. is naar een spaarrekening van [B.] overgeboekt.

3. Het geschil

3.1

[B.] heeft gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Bank te veroordelen tot betaling van € 225.745,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2003, met veroordeling van de Bank in de kosten.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [B.] aan de vordering ten grondslag gelegd dat de Bank onzorgvuldig heeft gehandeld jegens hem door in strijd met artikel 28 en 33 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: “NR 1999”) te adviseren. Als gevolg hiervan heeft [B.] schade geleden en zijn buitengerechtelijke kosten gemaakt.

3.3

De Bank heeft de vordering van [B.] gemotiveerd betwist.

4. De beoordeling

4.1

Het meest verstrekkende verweer van de Bank is dat [B.] zijn recht op schadevergoeding heeft verwerkt op grond van artikelen 12 en 13 van de algemene bankvoorwaarden omdat hij de Bank niet tijdig in kennis heeft gesteld van onjuistheden of onvolledigheden op zijn rekeningafschriften, nota’s of andere opgaven. Dit verweer faalt reeds omdat de vordering van [B.] niet is gebaseerd op onjuistheden of onvolledigheden van door hem van de Bank ontvangen geschriften, maar op de daaraan ten grondslag liggende adviezen.

4.2

Tussen partijen bestaat een adviesrelatie. Bij pleidooi heeft [B.] aangegeven dat deze relatie kenmerken had van een vermogensbeheerrelatie. [B.] heeft deze stelling echter onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank gaat dan ook uit van een adviesrelatie. Uitgangspunt in een adviesrelatie is dat de verantwoordelijkheid met betrekking tot de beleggingsportefeuille blijft rusten op de belegger, maar dat de bank een zorgplicht heeft jegens de belegger. Tussen partijen is bij aanvang van de relatie geen document ondertekend waaruit volgt wat deze zorgplicht concreet inhoudt. De inhoud van de op de Bank rustende zorgplicht moet derhalve worden afgeleid uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de omstandigheden van het concrete geval meebrengen. Voor de invulling van de omvang van de zorgplicht zijn onder meer de bepalingen van de NR 1999 van betekenis.

4.3

Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [B.] gesteld dat:

a. de Bank in strijd met zijn beleggingsprofiel [B.] een belegging in aandelen en obligaties, met een zeer offensief (speculatief) karakter, heeft geadviseerd, en daarmee in strijd met artikel 28 NR 1999 heeft gehandeld, en

b. de Bank [B.] geen informatie heeft verschaft over de kenmerken van de beleggingen, waaronder de aan de beleggingen verbonden specifieke beleggingsrisico’s, waarmee de Bank in strijd met artikel 33 lid sub c NR 1999 heeft gehandeld.

Ad a. advisering in strijd met het beleggingsprofiel

4.4

[B.] heeft dit verwijt nader onderbouwd door te stellen dat de Bank zich niet, althans onvoldoende heeft geïnformeerd omtrent het beleggingsprofiel van [B.] (hierna: “het profiel”), en dat de Bank in haar advisering niet is uitgegaan van het juiste profiel. In het bijzonder heeft de Bank niet onderkend dat de beleggingen bedoeld waren als oudedagsvoorziening en heeft zij niet overeenkomstig geadviseerd, aldus [B.].

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat [B.] in december 2000 naast de portefeuille tevens de liquide middelen van de B.V. op zijn spaarrekening heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat [B.] in juni 1999 zijn toenmalige beleggingsportefeuille ter waarde van (op dat moment) ongeveer NLG 1.000.000,- bij een andere bank heeft ondergebracht. Ook staat vast dat [B.] een Pensioen B.V. tot zijn beschikking had, over beleggingen in onroerend goed beschikte en dat de portefeuille werd gefinancierd met vrij vermogen.

Voorts heeft [B.] zelf aangegeven dat hij zijn inkomsten uit de beleggingen nog niet acuut nodig had en dat het formeel vrij vermogen was, maar dat zijn vermogen materieel een pensioendoel had, dan wel een oudedagsreserve was.

De Bank heeft onweersproken aangegeven dat zij voorgaande omstandigheden kende en dat zij met voorgaande informatie rekening heeft gehouden bij haar advisering.

Uit het voorgaande blijkt dat de Bank bij haar advisering zich voldoende heeft geïnformeerd omtrent het profiel. Het had op de weg van [B.] gelegen om de Bank te informeren over de door hem genoemde, gezien het voorgaande niet zonder meer voor de hand liggende, specifieke, kennelijk door hem beoogde, beleggingsdoelstelling. Gesteld noch gebleken is dat [B.] de Bank hieromtrent heeft geïnformeerd.

4.6

Het verwijt van [B.] omtrent advisering van beleggingen in strijd met zijn profiel, gaat uit van de kennelijk door hem beoogde, maar niet kenbaar gemaakte specifieke beleggingsdoelstelling van oudedagsvoorziening. Gesteld noch gebleken is dat de advisering van de Bank niet strookte met het profiel van [B.] - zonder oudedagsvoorziening als beleggingsdoelstelling.

Ad b. Informatie- en waarschuwingsverplichting van de Bank

4.7

[B.] heeft dit verwijt nader onderbouwd door te stellen dat de Bank hem nadrukkelijk, schriftelijk, had moeten inlichten over en had moeten wijzen op het risicovolle karakter van zijn portefeuille, hetgeen de Bank heeft nagelaten waardoor zij in strijd heeft gehandeld met artikel 33 lid 1 sub c NR 1999.

4.8

De op de Bank rustende informatie- en waarschuwingsplicht jegens [B.] is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het soort beleggingen en het profiel.

Tussen partijen staat vast dat de portefeuille bestond uit aandelen en obligaties. In de brochure “Beleggen bij de Rabobank”(productie 9 bij conclusie van antwoord) staat dat een zodanige belegging niet speculatief is. [B.] heeft deze brochure ontvangen en heeft genoemde onderverdeling niet betwist. Het feit dat de portefeuille gedeeltelijk (15%) uit ICT-fondsen bestond, maakt deze nog niet speculatief van karakter. Ook overigens is onvoldoende gesteld of gebleken dat de portefeuille een speculatief karakter had, en indien en voor zover [B.] de Bank heeft verweten dat zij een belegging met een speculatief karakter heeft geadviseerd zonder [B.] hierover te informeren, gaat dit verwijt dan ook niet op.

Niet is in geschil dat [B.] al gedurende een aantal jaren belegde en had belegd en derhalve enige beleggingservaring had. Tussen partijen staat voorts vast dat bij brief d.d. 20 maart 2000 de B.V. is gewaarschuwd met de mededeling: “Let wel: beleggen is risico’s nemen, resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst.” Tussen partijen staat bovendien vast dat zij regelmatig contact hadden met elkaar en dat [B.] verschillende brochures betreffende beleggen van de Bank heeft ontvangen. De Bank mocht er van uitgaan dat [B.] nadere informatie aan de Bank zou vragen indien hem iets niet duidelijk was. Ook de samenstelling van de portefeuille geeft geen aanleiding tot een verder gaande informatie- en waarschuwingsplicht.

Er bestaat in dit geval geen aanleiding om aan de Bank een bijzondere waarschuwingsplicht op te leggen. De belegging betrof, gezien de financiële positie van [B.], slechts een klein deel van zijn vermogen, terwijl hij voor zijn inkomen niet van de belegging afhankelijk was. Bovendien had de belegging geen specifiek doel, en was er geen beperkte beleggingshorizon. Tussen partijen is ook niet in geschil dat er sprake was van vrij vermogen. Het feit dat het rendement van de beleggingen gebruikt zou kunnen worden als aanvulling op de oudedagsvoorziening van [B.] doet hier niet aan af. Bovendien had [B.] beleggingservaring.

4.9

Het vooroverwogene leidt tot afwijzing van de vordering. [B.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van [B.];

veroordeelt [B.] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Bank bepaald op € 3.863,- aan vast recht, op nihil aan overige verschotten en op € 8.000,- aan salaris voor de procureur;

Dit vonnis is gewezen door mrs. De Loor-Alwin, Vroom en Frima.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1659/1548/1554